Part 2
De ouders van Maarten waren goede, vrome menschen, die hun kinderen hartelijk liefhadden. Toen hun eersteling pas geboren was, nam zijn vader hem in de armen, knielde met hem neer en bad God, of dit kind eens wezen mocht, wat zijn naam beduidde: _louter_ of _rein_. Ook later baden de ouders vaak bij Maartens bedje, dat de Heer het hart van hun kind mocht neigen tot de vrees van Zijn naam. En de Heer heeft deze gebeden verhoord. Hij hééft dit kind gelouterd; zelfs bóven bidden en denken.
Bij al hun liefde en goedheid waren vader en moeder Luther uiterst streng. Maarten, denkelijk niet altijd even gedwee, kreeg dikwijls harde straf. Als vader sloeg, was het raak. En zelfs door zijn moeder, in wier open armen hij doorgaans een schuilplaats vond, werd hij eens om een simpele hazelnoot tot bloedens toe geslagen. »Maar ze meenden het toch hartelijk goed,« prees hij hen later, met innige vereering. Tot overmaat van ramp kreeg hij op zijn eerste school te Mansfeld, waar het gezin kort na zijn geboorte was gaan wonen, ook nog een harden meester, die altijd een roede bij zich had. Eens, zoo vertelt Luther zelf, kreeg hij daarmee op één morgen vijftien maal slaag.
Door deze hardvochtige opvoeding thuis en op school, werd de kleine Maarten vreesachtig. En daar hij zich den hoogen God even gestreng voorstelde als zijn ouders en zijn meester, had hij vooral een groote vrees voor God. Hij kon bleek worden van schrik als hij den naam van den Heere Jezus hoorde noemen; want dan dacht hij aan een afbeelding op een altaarstuk in de kerk, waar de Heer er veeleer uitzag als een streng rechter, dan als de zachtmoedige, barmhartige Zaligmaker. Veel liever keek hij naar de zoetelijke beeltenis van Maria, die van boven het altaar zoo genadig op hem neerzag; of van de vriendelijke St. Anna, de beschermheilige van den bergbouw, van wier gunst, zoo dacht men, het geluk van heel Mansfeld afhing, en die daarom door al zijn bewoners vóór alle andere heiligen werd aangeroepen en vereerd.
In weerwil van zijne sombere omgeving, groeide Maarten op tot een vroolijken, levenslustigen jongen met een schranderen bol. Op de school te Mansfeld had hij lezen, schrijven en rekenen geleerd, ook de Geloofsartikelen en de Tien Geboden, en zelfs al een beetje Latijn. En toen hij veertien jaar was, bracht zijn vader hem naar die Franciskanerschool te Maagdenburg. Want Hans Luther, zelf een verstandig man, die om zijn rechtschapenheid en gezond oordeel tot lid van den Raad gekozen was en bij voorkeur den omgang zocht van ontwikkelde menschen, wilde van zijn zoon geen mijnwerker maken. Maarten moest een geleerde worden.
En Maarten wilde dat graag. Hij hield dol van leeren. Ook te Maagdenburg deed hij zijn best. Maar een prettig leven had hij er niet. Ook al harde meesters. En daarbij moest hij er, evenals zijn arme makkers, in zijn vrije uren met zingen zijn kostje verdienen, en dat ging dikwijls heel moeilijk.
Eens, op Kerstmis, liepen ze met elkaar de omliggende dorpen af en zongen ze er huis aan huis hun Kerstliederen, vierstemmig. Zoo deden ze ook voor een afgelegen boerenwoning aan het einde van een dorp. »Hei, jongens! Waar zijn jullie!« klonk opeens een zware, norsche stem. 't Was de boer, die hun wat te eten kwam brengen. Maar de zangers waren er zoo door verschrikt, dat ze om 't hardst op den loop gingen en eerst na lang roepen van den boer terug durfden komen. »We hadden heelemaal geen reden om bang te zijn,« zei Luther, die het later zelf verteld heeft. »Maar zoo zat, door de harde behandeling van onze meesters, de vrees er bij ons in.«
Een jaar later, 1498, zonden zijn ouders hem naar Eisenach, waar familie van zijn moeder woonde, en hij het dus allicht beter zou hebben. Maar in die verwachtingen werden ze teleurgesteld. De familie liet zich, om welke reden dan ook, weinig aan den knaap gelegen liggen; en dus schoot hem niets anders over dan maar weer te gaan zingen.
[Illustratie: MAARTEN LUTHER EN ZIJN MAKKERS ZINGEND AAN DE HUIZEN.]
Nu, zingen deed de jonge Luther graag. Maar op zoo'n manier was het, zelfs voor een vroolijken jongen, toch eerder verdrietig dan aangenaam. Hij werd er wel eens moedeloos onder, vooral wanneer hij, inplaats van brood, harde woorden kreeg. »Ik zal het studeeren maar moeten opgeven en mijnwerker worden, net als mijn vader,« dacht hij dan, met oogen vol tranen.
Maar wat hem een oorzaak van droefheid scheen, werd door Gods genadige leiding juist het middel tot zijn geluk.
Terwijl hij weer eens in zoo'n neerslachtige bui voor een deftige woning stond, nadat hij al aan drie huizen was afgewezen, ging de deur open en trad er een vriendelijke dame naar buiten. Het gevoelvolle zingen van dien knaap had haar al dikwijls bekoord, ook in de kerk, waar hij in het koor zong. 't Had haar ook al meer dan eens getroffen, hoe innig eerbiedig en aandachtig hij daar altijd meebad; zoo heel anders dan de meeste jongens van zijn leeftijd. En nu, bij het zien van zijn treurig gezicht, had ze medelijden met hem. Inplaats van hem zoo maar aan de deur iets te geven, nam ze den wel wat verlegen zanger mee naar binnen, liet hem eens lekker eten, deed nog wat in zijn zak en gaf hem verlof terug te komen zoo dikwijls hij wilde. Zij zou wel zorgen, dat hij geen honger meer leed, beloofde ze.
Deze lieve dame was Ursula Cotta, de vrouw van Conrad Cotta, een van de voornaamste burgers van de stad. Ze sprak over haar beschermeling met haar man, die zelf ook schik in den aardigen jongen had. En het einde was, dat Maarten Luther eenige dagen later als kind bij de familie Cotta in huis kwam.
Nu behoefde hij niet langer voor zijn boterham te zingen. Maar daarom liet hij het zingen niet! Hij leefde heelemaal op in die gezellige, zonnige omgeving. Vroolijker dan ooit klonk er zijn lied. Mevrouw Cotta, zelf ook een liefhebster van muziek, liet hem luit- en fluitspelen leeren. En het was haar werkelijk een genot, ja haar grootste belooning, als hij voor haar speelde en zong, wat hij o zoo gaarne deed, als een klein bewijs van zijn groote dankbaarheid.
Onder die zooveel gunstiger omstandigheden ging het studeeren vanzelf ook beter. In alle opzichten hadden mijnheer en mevrouw Cotta voldoening van hun mooie daad. Hun pleegkind was vol ijver, maakte prachtige vorderingen en betoonde zich zeer dankbaar jegens zijn weldoeners, die hij dan ook nooit vergeten heeft. Later, toen hij professor te Wittenberg was, heeft hij op zijn beurt hun zoon in zijn woning opgenomen, toen deze te Wittenberg kwam studeeren. En het was hem een groote vreugde, aan den zoon eenigszins te kunnen vergelden, wat hij van de ouders genoten had.
Deze gelukkige lotsverandering legde in Luthers jonge ziel de eerste kiempjes van dat vertrouwen op God, dat hem heel zijn verder leven zoo krachtig is bijgebleven en zelfs door de zwaarste stormen niet aan het wankelen kon worden gebracht.
IV.
Luther als student.
Te Eisenach, zijn »lieve stad«, zooals hij haar is blijven noemen, bleef Luther tot zijn achttiende jaar. Toen ging hij naar de hoogeschool te Erfurt, destijds de beroemdste van heel Duitschland, waar zijn vader, die intusschen in beteren doen was gekomen en hem nu zelf onderhouden kon, hem verder wilde laten studeeren. Daar maakte hij zulke snelle vorderingen, dat zijn leeraars zich er over verbaasden. »Onze philosoof«, _wijsgeer_, noemden zijn medestudenten hem. Hij was dan ook niet tevreden, zooals de meesten, met wat er in de boeken stond maar werktuiglijk van buiten te leeren; hij wilde er inkomen, de schrijvers begrijpen, zich hun wijsheid eigen maken. En zoo bleef alles, wat hij las of hoorde, hem bij, alsof hij het zelf gezien had.
Maar Maarten Luther had ook een groot verstand en een uitstekend geheugen van den Heer gekregen. En daarbij gebruikte hij steeds het beste middel om te slagen, het gebed. Elken dag begon hij met den Heer om Zijn zegen te vragen over zijn werk, niet alleen met zijn mond, maar ook met zijn hart. En zùlk bidden vindt altijd verhooring. »Goed gebeden is meer dan half gestudeerd«, placht hij te zeggen. En hij kòn het zeggen; want hij wist bij eigen ervaring dat het waar was. Na zijn morgengebed ging hij naar de kerk. En dan aan den arbeid, zonder den ganschen dag een oogenblik verloren te laten gaan.
't Was de wensch van Luthers vader, dat zijn zoon rechtsgeleerde zou worden; en hijzelf wilde dit in 't eerst ook. Maar de Heer, die het lot der menschen bestuurt, had anders besloten. Luther moest in Gods hand het werktuig worden, om het groote werk der Kerkhervorming tot stand te brengen. Maar daartoe moest hij eerst zelf hervormd worden. Hoe dit geschiedde, zullen we verder hooren.
Bij die hoogeschool van Erfurt behoorde een bibliotheek of boekerij; d.i. een vertrek, waarin zich een verzameling boeken bevindt. _Biblia_ is het Grieksche woord voor _boeken_.
Luther zat daar dikwijls te lezen. Hij vond het heerlijk, in al die geleerde werken te snuffelen en met de verschillende schrijvers bekend te worden. Maar eens vond hij tusschen die oude, bestoven boeken er een, dat wel heel bijzonder zijn aandacht trok--een Latijnschen Bijbel.
Luther had nog nooit een Bijbel gezien. Begeerig slaat hij hem open en gaat er in bladeren, een en al verbazing er zooveel meer in te vinden dan de Evangeliën en Brieven, waar in de kerk voor het volk uit gelezen werd. Hij had altijd gedacht dat dit de hééle Bijbel was. Het eerste, waar zijn aandacht zich bij bepaalt, is het gebed van Hanna, de moeder van Samuel. O, wat vindt hij dat mooi! Wat boeit hem heel die geschiedenis van Samuel en alles wat hij verder leest. Want hij blijft maar doorlezen, bladzij na bladzij. 't Is alles nieuw voor hem. O, wat is hij blij met zijn vondst! »Mocht God mij zùlk een Boek nog eens in eigendom geven,« was zijn verzuchting onder het naar huis gaan.
Elk oogenblik, dat hij van zijn studie kon uitsparen, ging Luther nu naar de bibliotheek om nader met dat kostelijk Boek bekend te worden; óvergelukkig, als iemand, die een verborgen schat heeft ontdekt. En dat hàd hij ook. Want al had de jonge student nog geen flauw vermoeden van de grootsche taak, waartoe God hem eenmaal roepen zou, en van den ontzaglijken strijd, die hem daarbij wachtte, in dien Bijbel deed de Heer hem hier, in die stille boekerij, het wapen vinden, waarmee hij straks zou strijden èn overwinnen.
Kort daarop werd Luther ernstig ziek. Hij dacht niet anders dan te zullen sterven; en deze gedachte joeg hem vrees aan; want hij had nog geen vrede met God. Maar een oude priester, die hem op zijn kamer bezocht, stelde hem gerust. »Houd maar moed, mijn jonge vriend!« zei hij. »Ge zult aan deze ziekte niet sterven. Onze God zal van u nog een man maken, die voor velen tot troost zal zijn.«
En die voorspelling is heerlijk vervuld. Maar vóór hij anderen bekend kon maken met den eenigen troost in leven en sterven, moest hij dien eerst zelf leeren kennen. En tot _die_ kennis was de vlijtige student, bij al zijn geleerdheid, nog niet gekomen.
Op zijn een en twintigste jaar, in 1505, werd Luther met groote plechtigheid tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd. Dat werd een groot feest. Een fakkeloptocht kwam hem hulde brengen. Heel de hoogeschool verheugde zich in den roem van den jongen doctor; want allen, professoren en studenten, hielden evenveel van hem.
Alleen Luther zelf was met zijn eigen niet tevreden. Ondanks al zijn ijver en plichtsbetrachting begon hij meer en meer te gevoelen dat hij een zondaar was. Hij wilde heilig zijn en hij kon niet, en leefde in gedurige vrees, dat God hem daarvoor zou straffen. Want dat de heilige God in Zijn Zoon een barmhartig Vader is, die uit genade, om niet, de zonden vergeeft aan een ieder, die met oprecht berouw tot Hem komt, wist Luther nog niet. Hij dacht dat hij zijn zaligheid verdienen moest, en besloot alles te doen, wat hem daarin kon helpen. Vroeger al was door het lezen van den Bijbel en de woorden van dien ouden priester, toen hij zoo ziek was, de vraag bij hem opgekomen, of hij niet beter zou doen, zijn loopbaan als rechtsgeleerde er aan te geven en monnik te worden. Maar hij sprak er met niemand over, want hij wist maar al te goed dat zijn vader niets ophad met monniken, die hij gewoon dagdieven noemde, omdat de meesten zulk een lui leven leidden, en dat hij dus nooit zijn toestemming zou geven.
En zoo bleef Luther voor de menschen de vroolijke, levenslustige student, en liet hij niemand iets merken van de innerlijke onrust, die hem kwelde. Tot er in den zomer van 1505 iets gebeurde, dat een heele omkeering in zijn leven bracht.
Eerst het plotselinge sterven van een van zijn beste vrienden, (door welke oorzaak is niet met zekerheid bekend).
Luther was daar diep door geschokt. Hij hield zooveel van zijn goeden Alexius. En wat hij vooral zoo vreeselijk vond, was het plotselinge van zijn dood. »O«, dacht hij, »als _ik_ nu eens zoo onverwacht opgeroepen was om voor Gods Rechterstoel te verschijnen!« Zijn onrust werd er nòg grooter door; en met een droevig en bezwaard hart ging hij kort daarop naar Mansfeld om zijn ouders te bezoeken; want het was in de vacantie.
Op zijn terugtocht, dicht bij Erfurt, werd hij door een hevig onweer overvallen. Met groot geweld ratelde de donder boven zijn hoofd; helle bliksemstralen, die zijn oogen verblindden, zetten hem in een vuurgloed. 't Was Luther in die oogenblikken of de wereld zou vergaan. Als de stem van een vertoornd God klonken hem die donderslagen in de ooren. Eensklaps slaat er een bliksemstraal vlak vóór hem in den grond. Een volgende kan hemzelf treffen en dooden! En dan komt het oordeel! En dan?.... O, werd hij toch uit dit gevaar verlost! Dan zou hij de wereld vaarwel zeggen en zijn verder leven geheel aan God wijden. En in zijn doodsangst werpt hij zich op de knieën en schreeuwt hij het uit: »Help me, lieve St. Anna! Ik zal monnik worden!«
Het onweer dreef langzaam over. Luther kwam behouden te Erfurt. Maar wat er op den weg gebeurd was, vergat hij niet. Er was daar te Erfurt een klooster, aan den heiligen Augustinus gewijd; en daar wilde hij zijn verder leven gaan doorbrengen. Want al had hij later wel spijt van zijn overhaaste gelofte, vooral wanneer hij aan zijn vader dacht, verbreken wilde hij haar toch niet.
Hij hield zijn plan stil. Maar veertien dagen later verzocht hij zijn vrienden voor 't laatst nog eens bij zich. Na een gezellig avondje, waarbij hij nog eens voor hen had gespeeld en er door allen braaf gezongen was, maakte hij hun zijn besluit bekend.
Ze stonden allen verbluft. Eerst hielden ze het voor een grap. Doch toen ze zagen dat het ernst was, deden ze al het mogelijke om hem van zijn voornemen af te brengen.
Maar Luther was niet te bepraten. Den volgenden morgen, 17 Augustus, toen het nog donker was, verliet hij zijn kamer en ging hij naar het klooster, heel alleen, met niets bij zich dan twee boeken, Virgilius en Plautus, zijn lievelingsschrijvers; een Bijbel had hij nog niet. Hij klopte aan de poort en verzocht den prior om toegelaten te worden, wat deze natuurlijk gaarne toestond. Hij trad binnen; de zware deur werd achter hem gesloten en--Maarten Luther werd Augustijner monnik.
Enkele vrienden waren dien morgen al vroeg naar zijn kamer gegaan, in de hoop hem nog te kunnen overreden. Maar ze vonden er den vogel gevlogen; en alles wat ze te weten kwamen was, dat doctor Martin dien morgen vóór het aanbreken van den dag naar het Augustijner klooster was gegaan.
De vrienden in allerijl er heen, om hem zoo mogelijk terug te halen. Maar ze werden niet eens binnengelaten. Door een kiertje kregen ze te hooren, dat de nieuwe broeder in geen maand iemand van de buitenwereld mocht zien. Toen ze nog wat wilden vragen, ging de deur voor hun neus dicht. Ze hoorden de zware grendels er vóór schuiven. En of ze er nog een tijdlang met hun vuisten op bleven trommelen, alles bleef daarbinnen stil als het graf.
Verslagen gingen ze heen, echt bedroefd dat die aardige, knappe Martin, de glorie van de hoogeschool, zich in een klooster was gaan begraven.
Maar nog veel bedroefder waren de ouders, bij het ontvangen van den afscheidsbrief van hun zoon. Vooral de vader. De doodstijding van zijn Maarten, zijn vreugd en zijn trots, had hem niet méér kunnen doen ontstellen, niet dieper kunnen smarten dan dit bericht. Hij schreef hem een boozen brief terug. Hans Luther wilde vooreerst niets meer van zijn zoon weten.
Dat de Heer zelf hem in het klooster had gebracht, en dat hij juist dáár zijn eerste vorming tot _hervormer_ moest ontvangen, wisten vader Luther, en de vrienden, en de jonge monnik zelf nog niet.
V.
In het klooster.
Werkelijk dacht Luther hier, binnen de kloostermuren, vrede te zullen vinden voor zijn onrustig hart. Met vreugde was hij er ontvangen. De monniken waren niet weinig vereerd, dat zoo'n beroemde doctor in de wijsbegeerte de hoogeschool verlaten had om in hun klooster te komen wonen. Maar hij moest zich niet verbeelden, dat hij meer was dan zij. Ze deden hem dit maar dadelijk gevoelen en legden hem het laagste werk op.
Klok luiden, kerk vegen, de cellen van de andere monniken schoonhouden, deuren openen en sluiten, hout en water aandragen, vuur aanleggen en zooal meer, werden nu Luthers dagelijksche bezigheden. En was hij hiermee klaar, dan was het: »Met den zak door de stad!« en moest hij barrevoets, in een grove monnikspij, met een zak op den rug huis aan huis gaan bedelen. Zijn woonvertrek was een kleine cel, die hij alleen verliet om al die karweitjes te doen of in de kerk de mis bij te wonen. Bij het gaan moest hij de oogen naar den grond houden en de handen over elkaar geslagen in de mouwen. En verder moest hij weinig spreken, veel in zijn gebedenboek lezen en dagelijks biechten.
Dat hem zoodoende niet veel tijd tot studeeren overbleef, is te begrijpen. Maar dat was minder, zeiden de monniken. Niet met studeeren, maar met bedelen werd het klooster gediend. Voor den jongen man, wiens grootste genot was om over zijn boeken te zitten, was _dit_ wel het ergste. Maar met hart en ziel onderwierp hij zich aan alles, wat men hem oplegde, meenende dat hij daardoor aan God behagen en Zijn gunst verdienen zou. Gelukkig voor hem kwam er na eenigen tijd verandering. De hoogeschool bemoeide zich er mee; en door deze tusschenkomst werd hij door den prior van die vernederende diensten ontslagen.
Tot zijn groote blijdschap vond Luther ook hier een Bijbel, aan een ketting vastgemaakt, voor het stelen. Want zoo'n Bijbel was toen ter tijd verbazend duur. Zoo dikwijls hij kon, ging hij er in lezen. Heele stukken er van leerde hij uit het hoofd. Met de hulp van een der kloosterbroeders, met wien hij bijzonder bevriend was, ging hij aan 't leeren van Hebreeuwsch en Grieksch, om den Bijbel ook in de oorspronkelijke talen te kunnen lezen.
't Was een wonder zooals dat Boek hem aantrok. Eten, drinken, slaap, vermoeienis, alles vergat hij er voor, tot zijn gebedenboek toe. Dit laatste kwelde hem het meest. Eens durfde hij in zeven weken haast niet te slapen, omdat hij zoo dikwijls verzuimd had in zijn getijboek te lezen, en hij dit verzuim wilde inhalen. Lichaam en geest martelde hij af om voor zijn zonden te boeten en toch maar heilig te leven. Midden in den nacht stond hij op, om biddende, op zijne bloote knieën, over den grond van zijn cel te kruipen. Hij nam een touw met knoopen er in en geeselde zich daarmee, om het kwaad, zoo mogelijk, er uit te sláán. Eten deed hij weinig en uiterst sober. Een stuk brood en een haring was doorgaans zijn heele maal. »Als het nog langer geduurd had, zou ik mij zeker doodgemarteld hebben,« heeft hij later zelf van dien tijd gezegd.
Eens had hij zich in zijn cel opgesloten en dagen lang niemand bij zich willen laten. Toen het àl te lang duurde en er op het herhaald kloppen geen antwoord meer kwam, begon men zich toch ongerust te maken. Ze braken zijn deur open, en zie--daar lag broeder Martinus op den kouden vloer, bewusteloos. Langen tijd trachtte men tevergeefs hem tot bewustzijn te brengen. Eerst op het gezang van eenige koorknapen, die geroepen waren, sloeg hij de oogen op en kwam hij weer bij.
Of het den jongen Luther ook ernst was om tot eer van God te leven en heilig te worden! Maar zijn pogingen baatten hem niet. Den zoo vurig begeerden vrede voor zijn hart kon hij ook in het klooster niet vinden. Hij bleef gevoelen dat hij een zondaar was, en dat hij wel zijn kleed, maar niet zijn hart kon veranderen. Dat hart rein maken kon hij met al zijn boetedoeningen en zoogenaamde goede werken niet. »Hoe langer wij ons wasschen, hoe onreiner wij worden,« klaagde hij.
[Illustratie: LUTHERS KLOOSTERCEL IN ERFURT.]
Bij een bezoek van den vicaris-generaal, dat is de overste van de Orde, doctor Johann Von Staupitz, had deze al aanstonds opgemerkt, dat die nieuwe broeder Martinus geen _luie_ monnik was, en den prior verzocht hem gelegenheid tot studeeren te geven, en hem met zachtheid te behandelen.
De vriendelijke man gevoelde zich bijzonder aangetrokken tot dien jongen monnik met zijn droefgeestig, vermagerd gelaat en ingevallen oogen, en had al spoedig zijn vertrouwen weten te winnen; en deze op zijn beurt vereerde den ouderen vriend, die hem zooveel belangstelling toonde, als een vader, en legde geheel zijn hart voor hem bloot.
Veel spraken ze samen over wat hem bezwaarde. »Zie op de wonden van den Heere Jezus, en op het bloed, dat Hij voor u gestort heeft,« onderrichtte hem zijn vriend; »hierin zal Gods _genade_ zich aan u vertonen. Vertrouw alleen op _Zijn_ gerechtigheid. Niet door het lichaam te pijnigen kunt ge van de zonde verlost worden, maar door u te werpen in de armen van den Verlosser. Heb Hem lief, die u eerst heeft liefgehad.«
De gesprekken van dezen vromen, verstandigen man waren Luther tot grooten zegen. Hij leerde gelooven dat God in Christus een liefhebbend Vader is, en niet uit vrees voor straf, maar uit dankbare wederliefde gediend en gehoorzaamd wil zijn. Ook kreeg hij den wijzen raad, voortaan al zijn godgeleerdheid uit den Bijbel te putten. En toen Von Staupitz Erfurt weer ging verlaten, zag Luther tot zijn onuitsprekelijke blijdschap zijn hartewensch vervuld, en kreeg hij van zijn vriend een Bijbel ten geschenke.
In het tweede jaar van zijn verblijf in het klooster werd Luther ernstig ziek; en in het gezicht van den dood kwam al zijn onrust en vrees over zijn zonden met kracht weer boven. »Mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden!« klaagde hij. Maar door de trouwe zorg des Heeren kwam er een oude, vriendelijke monnik bij hem. Deze zette zich naast den zieke neer, hoorde zijn klachten aan, en ging toen heel eenvoudig aan het praten over het woord uit de Geloofsartikelen, dat hemzelf eens vertroost had: _Ik geloof de vergeving der zonden_. »Maar,« zei hij er bij, »het is niet genoeg te gelooven, dat de zonden aan David en aan Petrus vergeven zijn. 't Is Gods bevel, dat wij gelooven zullen, dat ze ook aan _ons_ zijn vergeven.«
Dit eenvoudig woord werd Luther tot troost. O, hoe heerlijk klonk dit bevel hem in de ooren! Dagelijks bad hij den Heer hem te helpen om het te gehoorzamen; en in zijn Bijbel zocht hij alles op, wat zijn geloof in de vergeving zijner zonden versterken kon.
De rust, die zijn ziel daardoor kreeg, werkte ook genezend op zijn lichaam. Hij herstelde nu spoedig, en kort daarop was het Kerstfeest. Luther had nog nooit zoo blij Kerstfeest gevierd.
Den 2den Mei 1507 werd Luther tot priester gewijd. Zijn vader was uitgenoodigd om de plechtigheid bij te wonen. Hij nam het aan, maar niet met zijn zin. Aan het feestmaal verklaarde hij rondweg, dat hij liever thuis was gebleven. Hij kon er nog maar geen vrede mee hebben, dat zijn knappe Maarten, aan wiens studie hij zooveel opgeofferd had, vergeten binnen de kloostermuren zat, inplaats van in de wereld te schitteren met zijn kunde als rechtsgeleerde. Hij had hem in al dien tijd nog niet gezien, maar boos was hij toch niet meer. Als bewijs daarvan gaf hij hem twintig gulden ten geschenke. Moeder Margaretha was zelfs overgelukkig een zoon te hebben, die priester was.