'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917

Part 1

Chapter 13,612 wordsPublic domain

Produced by an anonymous Project Gutenberg volunteer.

+--------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | De voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind | | van het hoofdstuk. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. | | | | De in het origineel als cursief weergegeven tekst is in dit | | e-boek weergegeven als _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De illustraties zijn beschikbaar op https://www.gutenberg.org | | bij de HTML-versie van dit boek. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +--------------------------------------------------------------+

»EEN VASTE BURG IS ONZE GOD«

[Illustratie: Dr. MAARTEN LUTHER.]

»EEN VASTE BURG IS ONZE GOD«

DE KERKHERVORMING HERDACHT OP HAAR VIERDE EEUWFEEST 1517--31 OCTOBER--1917

DOOR

BETSY

[Illustratie]

J. M. BREDÉE's BOEKHANDEL EN UITGEVERS-Mij ROTTERDAM

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladz.

I. De Kerk. Hoe zij was en hoe zij werd 7 II. De voorloopers der Hervorming 15 III. De jonge zanger. 21 IV. Luther als student 27 V. In het klooster 34 VI. Naar Rome 40 VII. Tetzel en zijn aflaten 47 VIII. De Slotkerk te Wittenberg 54 IX. De strijd ontbrandt 62 X. Het Leipziger twistgesprek 68 XI. Naar Worms 76 XII. Voor den Rijksdag 83 XIII. Op den Wartburg 90 XIV. Terug in het strijdperk 101 XV. De Bijbel herneemt zijn plaats 107 XVI. Luther doet nog meer 113 XVII. Het klooster geen klooster meer 117 XVIII. De Hervorming gevestigd 121 XIX. De eerste martelaren der Hervorming 133 XX. 1517--31 October--1917 140

I.

De Kerk. Hoe zij was en hoe zij werd.

Den 31sten October van dit jaar 1917 hoopt de Protestantsche Christenheid feest te vieren.

Dat klinkt zoo op het eerste gehoor wel wat vreemd in dezen tijd, nu het er overal in de wereld zoo ver van feestelijk uitziet.

Feestvieren? Hoe kan men er aan denken, bij zóóveel jammer en ellende, zóóveel nooden en zorgen, door den rampzaligen oorlog, en dat nog wel tusschen Christenvolken, over de wereld gebracht?

Zeker, wie zoo spreekt zou gelijk hebben, als het een feest betrof, waarbij hoofdzakelijk gedacht werd aan pretmaken, met illuminatie en vuurwerk, en allerlei volks- en kinderspelen. Maar het is een heel ander feest, dat we vieren gaan. Meer zooals het oude volk van Israël deed, waarvan we in onzen Bijbel lezen, wanneer het zich opmaakte om te gedenken, wat groote en heerlijke dingen God onder hen had gedaan. Dat waren dan _godsdienstige_ feesten, waaraan heel het volk deelnam. Dan werd Gode eere toegebracht; dan werden er lofliederen gezongen, dankzeggingen en gebeden opgezonden, en Gods daden bij het nageslacht in herinnering gebracht.

En zóó wil de Protestantsche Christenheid dit jaar nu ook doen. Ondanks al het ontzettende in het wereldgebeuren tòch feestelijk herdenken, met dankbare harten, wat God vóór vierhonderd jaren tot heil van Zijn Kerk gedaan heeft.

Want het is het _Vierde Eeuwfeest der Kerkhervorming_ dat we vieren gaan!

Maar dan zal het toch goed zijn om vooraf iets van de Kerkhervorming te weten. De meeste lezers zullen dit al wel. Maar ons geheugen weer eens op te frisschen en er nog wat meer van te hooren, zal onze feestviering zeker niet schaden. Want die Kerkhervorming is een werk van God geweest, waardoor duizenden, ja millioenen gebracht zijn tot het rechte kennen en dienen van den Heer, wat toch, voor ouderen en jongeren, de eenige bron is van alle waar en eeuwig geluk.

In de volgende bladzijden ga ik daar nu wat van vertellen.

Er zijn in die vierhonderd jaren al heel wat boeken over geschreven; zóóveel, dat je ze in geen jaren uitgelezen kreegt. Sommige zijn wel vijf dikke deelen groot. Je begrijpt dus, dat _dit_ boekje maar een heel, heel beknopt verhaal geeft van deze zoo hoogst merkwaardige geschiedenis. Maar als je alles, wat er instaat, onthoudt, weet je er toch al aardig wat van, en krijg je misschien wel lust om er later in die grootere boeken meer van te lezen.

Wat beteekent eigenlijk _Kerkhervorming_?

Laat ons dit woord eens goed bekijken, maar dan van achteren af.

_Vormen_ of _vorming_ wil zeggen: aan iets een vorm, een gedaante geven. _Ver_vormen zou dus beteekenen: iets een _anderen_ vorm geven, dan het oorspronkelijk had. Zoo laten de menschen wel eens een hoed vervormen. Vermaken noemen ze dat. En zoo'n vermaakte hoed ziet er dan heel anders uit dan de onvermaakte.

Maar _her_vormen wil zeggen: iets, dat zijn oorspronkelijken vorm verloren heeft, weer tot dien _vroegeren_ vorm _terug_brengen. Een heel oud huis b.v., een paar eeuwen geleden gebouwd, kan in den loop der tijden, door bijmetselen en zoo, een heel ander aanzien krijgen. Niet zelden vinden menschen, die er verstand van hebben, dit dan erg jammer en zeggen: Wat hebben ze dat mooie oude huis leelijk gemaakt. We zullen afbreken wat er, volgens de bestaande teekeningen, niet bijbehoort; den gevel weer opmetselen precies zooals die twee eeuwen geleden er uitzag; er weer kleine ramen met heel kleine ruitjes inzetten, enz. enz. Is het werk voltooid, dan heeft men zoo'n huis _hervormd_, tot zijn oorspronkelijke gedaante teruggebracht. En wie het zien zeggen: Dat huis heeft een heele _hervorming_ ondergaan.

Maar als je daaruit nu zou afleiden dat _Kerk_hervorming beteekent: aan leelijkgemaakte kerken hun oorspronkelijke gedaante hergeven, dan hadt je 't toch glad mis. Want als we zoo gewoon spreken van kerk, ja, dan bedoelen we wel meestal het gebouw, waarin we onze godsdienstoefeningen houden; zoo zeggen we: Ik ben Zondag in de kerk geweest. Maar het woord kerk wordt ook nog in een anderen zin gebruikt; en dan schrijven we 't met een hoofdletter--_Kerk_.

Wat er dàn onder verstaan wordt, wil ik ook even duidelijk maken.

In den Bijbel (Hand. 2) lezen we, hoe de Heere Jezus, na Zijn Hemelvaart, op het Pinksterfeest den Heiligen Geest uitstortte over Zijn saamvergaderde apostelen; hoe zij toen aanstonds begonnen, de groote werken Gods te verkondigen, en hoe er op dien dag, op Petrus' eerste prediking, omtrent drieduizend van die zijn woord gehoord hadden in den Heer geloofden en dit openlijk beleden door zich te laten doopen. Dagelijks voegden zich meerdere geloovigen bij hen. En deze belijders van den Christus, later Christenen genaamd, vormden te zamen de Gemeente of _Kerk_.

Zoo werd op dien Pinksterdag door den Heer zelf de Kerk _gevormd_ of gesticht. En, lezen we Hand. 2, de Heer deed dagelijks tot de Gemeente of de Kerk, die zalig werden. De Kerk breidde zich dagelijks uit.

O, hoe heerlijk en schoon vertoonde zich _toen_ die jeugdige Kerk van Christus! Hoe kon het ook anders, wijl het immers Zijn eigen werk was? Allen, die tot haar behoorden, hadden den Heer zoo hartelijk lief. 't Was hun grootste lust, het werk van hun verheerlijkten Meester op aarde voort te zetten, Hem te dienen, van Hem te getuigen en velen tot Hem te brengen, en in alles te leven naar het voorbeeld, dat Hijzelf hun gegeven had.

Dus hadden ze ook elkànder lief. Ze hadden alles voor elkander over. Ze waren één hart en één ziel, zegt de Bijbel van hen. »Ziet hoe lief ze elkander hebben!« moesten zelfs hun vijanden getuigen. Zoo dienden ze te zamen den Heer en elkander in eenvoud en nederigheid. Ze zochten geen eigen eer en voordeel, maar de eer van hun Koning. En in tijden van vervolging, die niet lang uitbleven, verheugden zij zich, dat ze waardig geacht werden, voor den naam des Heeren smaadheid te lijden, en gingen ze blijmoedig--zelfs den marteldood tegen.

Zóó was de Kerk, die de Heer zich gevormd had. Maar ach, de menschen zijn dat schoone werk al spoedig leelijk gaan maken en hebben het ten slotte geheel bedorven.

Zoolang de Christenen door de wereld veracht en verdrukt werden, bleven ze dicht bij den Heer en zochten ze hun heil bij Hèm. Maar toen het Christendom in aanzien kwam, en vooral nadat de Romeinsche keizer Constantijn de Groote zelf Christen geworden was en de hoogste ambten in den Staat bij voorkeur aan Christenen gaf, begon het verkeerd te gaan. Nu er eer te behalen viel met Christen te zijn, lieten groote scharen zich doopen, niet uit liefde tot den Heer en oprechte begeerte om Zijn volgelingen te worden, maar om in de voorrechten te kunnen deelen, die het Christen-zijn nu medebracht. Om _aardsche_ goederen dus. En waar het om het _aardsche_ gaat, wordt het _hemelsche_ vergeten. Dit heeft men, helaas, in de Kerk des Heeren maar al te duidelijk gezien. Velen prijkten nu met den beerlijken _naam_ van Christen, zonder in waarheid een Christen, d.i. een volgeling van den Heere Christus, te _zijn_.

Zoo verbasterde de Kerk, al klom haar ledental in den loop der eeuwen tot millioenen belijders. Zoo kwamen hoogmoed en heerschzucht binnen en gingen eenvoud en liefde heen. Zoo verleerde men het dienen en wilde men liever heerschen.

Ook uitwendig was er een groot verschil tusschen den godsdienst van de eerste Christenen en dien van latere tijden. Vroeger vergaderde men in eenvoudige bedehuizen, 't waren ook wel eens holen en spelonken; later verrezen er prachtige kerken. Vroeger waren het eenvoudige mannen, die het opzicht over de Gemeente hadden, later was het een rijk-uitgedoste priesterschaar, met, evenals in het _heidensche_ Rome, een opperpriester aan 't hoofd. Deze kreeg den naam van Paus, d.i. Vader, en beweerde de opvolger van den apostel Petrus en de plaatsbekleeder van den Heer zelf te zijn, en daarom de macht te hebben de zonden te vergeven. Hij gaf daar genadebrieven voor uit, _aflaten_, die men verdienen kon met het doen van een of ander goed werk, of koopen voor geld. Zelfs de dooden, die, zoo was de Kerk gaan leeren, in het vagevuur, een vreeselijke louteringsplaats, voor hun zonden moesten boeten, kon hij er mee verlossen. De pausen hadden hun zetel te Rome. Ze matigden zich een onbeperkt gezag aan en eischten absolute gehoorzaamheid. Velen van die Kerkvorsten leidden een zeer wereldsch leven.

Evenals in de heidensche tempels gingen ook de Christenen beelden oprichten in hun kerken; geen beelden van afgoden, maar van menschen, die geleefd hadden en heiligen genoemd werden. Onder _heiligen_ rekende men diegenen, die in hun leven zóóveel goeds hadden gedaan, dat ze er den Hemel mee verdiend hadden, die echter, zooals we uit den Bijbel weten, door niemand te verdienen _is_. Maar de Kerk was dat toen gaan leeren. Ze leerde zelfs dat sommigen van die heiligen eigenlijk meer goede werken gedaan hadden dan noodig was. Dat overtollige goed werd dan door de Kerk bijeenvergaard en kon door den paus worden uitgedeeld aan menschen, die goede werken tekort kwamen. Dat stond in zoo'n aflaat, dien men koopen kon voor veel of weinig geld, al naar de grootte van de zonde, die men kwijtgescholden wilde hebben. Ook ging men die gestorven heiligen zelve vereeren en aanroepen om bescherming en voorbidding bij God. Vooral Maria werd hoogelijk vereerd en groote macht haar toegekend; de Heilige Moeder Gods, de Koningin des Hemels, en nog meer zulke namen gaf men haar.

Ook den offerdienst hadden de Christenen van het Heidendom overgenomen; daarvoor diende de mis. En nog veel, veel meer van die schandelijke misbruiken en goddeloosheden waren in den loop der tijden de Kerk binnengedrongen.

Wat de Heere Jezus en na Hem de apostelen geleerd hadden, werd geheel vergeten. Het Woord van God was aan de meeste Christenen onbekend. De priesters, die het volk moesten leeren, wisten er zelf zoo goed als niets van. En als de menschen 's Zondags in de kerk zaten, werden ze niet zooals wij uit den Bijbel onderwezen, maar kregen ze allerlei fabelen te hooren en legenden van zoogenaamde heiligen.

Die schromelijke onwetendheid was oorzaak, dat het onkruid àl dieper wortel schoot en het verval àl grooter werd. Zóó groot, dat de Kerk zelf de noodzakelijkheid begon te gevoelen van een algeheele hervorming in hoofd en leden. In 1414 werd er dan ook een Algemeene Kerkvergadering belegd--het Concilie van Constanz--van bijna elfduizend kerkelijke en wereldlijke grooten, den paus en den keizer incluis. Daar zou men de zaak met elkander bespreken. Maar omdat men het Woord van God niet tot uitgangspunt nam en het dus op geen goeden grondslag rustte, liep heel het Concilie op niets uit, ofschoon het vier jaren duurde. Het verbranden van twee brave mannen, Johannes Hus en Hiëronymus van Praag, die zelven ook hervorming predikten, was zoowat alles, wat er uitgericht werd.

Met het Concilie van Bazel, dat twaalf jaar duurde, ging het niet veel beter. Alles toonde duidelijk dat het kwaad door geen pausen en keizers meer te keeren was.

Zóó jammerlijk was door den mensch het werk van den Heer des Hemels bedorven! Zóó was de Kerk misvormd, die Gods eigen Zoon zich voor den prijs van Zijn bloed had gesticht! Onkenbaar was ze geworden.

Zou ze nog ooit haar vroegere gedaante terug krijgen?

II.

De voorloopers der Hervorming.

Hoe treurig het er in de Kerk ook uitzag, de Heer zorgde toch altijd, dat er hier en daar nog menschen gevonden werden, die Hem in waarheid dienden.

Zoo leefde er in het jaar 1160 te Lyon, een stad in Frankrijk, een rijk koopman, Petrus Waldus genaamd. Terwijl deze man eens met zijn vrienden aan een maaltijd zat, stierf plotseling een van de gasten. En dit maakte op Waldus zulk een diepe indruk, dat het van dat oogenblik zijn ernstig vragen werd: »Wat moet ik doen om zalig te worden?«

Gelukkig vond hij onder zijn boeken een Latijschen Bijbel, en met hulp van eenige geleerden begon hij dien te lezen. In dien Bijbel vond Waldus het antwoord op zijn vraag. Hij leerde er den Heere Jezus uit kennen als zijn eenigen Verlosser en Zaligmaker. Zijn onrust verdween, en in plaats daarvan kwam er vrede en groote blijdschap in zijn hart. »Ik wenschte dat alle menschen zoo gelukkig werden als ik,« dacht hij, en hij sprak er over, waar hij kon. Den Bijbel, die hem zijn geluk had aangebracht, liet hij voor een groot deel in het Fransch vertalen en verscheidene malen overschrijven, want de boekdrukkunst bestond toen nog niet. Dit kostte hem wel een massa geld, maar Waldus was rijk; en nu hij een hemelsche schat gevonden had, wilde hij zijn aarsche schatten gaarne besteden om dien ook anderen te doen vinden.

Velen van zijn landgenooten luisterden naar hem. Ze werden volgelingen van Waldus, en naar hem Waldenzen genoemd. Deze menschen wisten nu veel meer van den Bijbel dan de priesters, en leidden zulk een vroom en eenvoudig, matig en werkzaam leven, dat zelfs hun vijanden hen prijzen moesten. Want vijanden kregen ze in overvloed. Omdat ze zich alleen aan den Bijbel hielden en van geen paus, biecht, mis of vagevuur wilden weten, werden ze dikwijls gruwelijk vervolgd. Maar ze bleven hun geloof getrouw, zelfs onder de wreedste folteringen.

Waldus zag zich eindelijk genoodzaakt te vluchten. Hij ging naar Bohemen. Zijn volgelingen zochten een schuilplaats tusschen de hooge bergen, in de valleien van Piemont. Maar uitroeien konden hun haters hen niet, want hun God waakte. En wáár die gevluchte Waldenzen kwamen, strooiden ze, evenals de eerste Christenen, door hun woord en voorbeeld goede zaadjes van geloof en waarheid, die nog eeuwen later heerlijke vruchten zouden voortbrengen. De Waldenzen bestaan nòg.

Een ander man, die den Bijbel liefhad, was John Wicklef, professor aan de hoogeschool van Oxford in Engeland. Deze geleerde, die voor zijn landgenooten den Bijbel in het Engelsch vertaalde, vond ook noodig de misbruiken in de Kerk te bestrijden. Vooral kwam hij op tegen het luie leven van de bedelmonniken en de aanmatigingen van den paus.

Dat hij zich hierdoor den haat van de geestelijkheid op den hals haalde, is te begrijpen. De paus deed hem in den ban. Maar de Heer schonk hem machtige beschermers, zoodat hij nog voor velen ten zegen kon zijn, totdat hij in 1384 in vrede in zijn eigen woning stierf. Eerst dertig jaren na zijn dood konden zijn vijanden hun wraak aan hem koelen door zijn werken en zijn opgegraven beenderen te verbranden. Maar dit heeft hem weinig gedeerd.

De geschriften van Wicklef werden ook in andere landen gelezen. Zoo ook in Bohemen, waar Johannes Hus hoogleeraar was aan de hoogeschool te Praag. Deze geleerde en godvruchtige man was ook door Wicklefs geschriften, en vooral door den Bijbel, tot inzicht gekomen van het vele verkeerde in de Roomsche Kerkleer en schroomde niet, er openlijk tegen te prediken, in het bijzonder tegen den aflaathandel. »Geen aflaat maakt zalig,« leerde hij; »de mensch moet aflaten van de zonde.«

Natuurlijk kreeg ook Hus daardoor veel vijanden. Hij werd naar Constanz geroepen om zich te verantwoorden voor de Kerkvergadering, waarvan in het vorig hoofdstuk is gesproken. Keizer Sigismund had hem een vrijgeleide gegeven, dat is een schriftelijke belofte, dat hij gedurende zijn heen- en terugreis voor zijn veiligheid zorgen zou.

Maar de keizer hield geen woord. Te Constanz gekomen werd Hus, op last van den paus, gevangen genomen en geboeid in een vunzigen, donkeren kerker geworpen. Sigismund vond dit eerst wel niet goed, maar liet het ten slotte toch toe. »Een ketter behoeft men geen woord te houden,« paaiden hem de priesters.

Eerst acht maanden later werd Hus opnieuw voor de Vergadering gebracht om te herroepen, wat hij geleerd had. Hij verzocht, zich te mogen verantwoorden. »Daarna kunt gij met mij doen, wat ge wilt,« zei hij. Maar het werd hem niet toegestaan. Toen zag Hus den keizer aan en zeide: »Ik heb mij vrijwillig voor het verhoor gesteld, op het woord en de trouw van den hier aanwezigen keizer.« Sigismund kleurde. Maar hij zei niets.

Hus werd nu van zijn priesterlijke waardigheid ontzet en kreeg een hooge papieren muts op, met gele vlammen en zwarte duivels beschilderd, en het opschrift: »Aartsketter«. Zoo werd hij naar den brandstapel geleid.

Hus Het geduldig met zich doen. »Mijn Heere Jezus heeft voor mij een doornenkroon gedragen,« zei hij, »dus wil ik, arme zondaar, om Zijnentwil deze lichtere wel dragen.«

Een oud boertje, dat gehoord had, dat er een ketter verbrand zou worden, en een goed werk meende te doen door er aan mee te helpen, kwam ook met een takkebos aanzeulen. Hus zag het en glimlachte: »O, heilige eenvoudigheid!«--Te midden van de vlammen hoorde men hem bidden: »Heere Christus, Gij Lam Gods, erbarm U mijner!«--Zijn asch werd in den Rijn gestrooid, opdat er niets van den ketter zou overblijven.

[Illustratie: DE VEROORDEELING VAN HUS OP HET CONCILIE VAN CONSTANZ.]

Naar het verhaal luidt moet Hus--_gans_ beteekent die naam--ook gezegd hebben: »Een gans kunt ge braden, maar een zwaan zal opvliegen.« Met die beeldspraak zou hij dan voorspeld hebben, dat de zaak, waarvoor hij stierf, toch eens, door een sterkere dan hij, overwinnen zou. En dat is gebeurd. In Luther is, honderd jaar later, de _zwaan_ gekomen. Men zegt dat er daarom op de Luthersche kerken een zwaan als windwijzer staat.

Ook in ons vaderland verwekte de Heer mannen, die de gebreken van de Kerk in het licht stelden en bestreden, en zoo een hervorming hielpen voorbereiden. Onder dezen waren Thomas à Kempis, Wessel Gansfort en Desiderius Erasmus van Rotterdam.

En dan gebeurde er door de trouwe zorg des Heeren nòg iets, dat voor het hervormingswerk onmisbaar was--het uitvinden van de boekdrukkunst in 1423. Vóór dien tijd moest ieder boek telkens nageschreven worden, wat ontzettend lang duurde. Dus waren de boeken vanzelf schaarsch, en vreeselijk duur, zoodat maar weinigen ze konden bekomen. Maar door die prachtige uitvinding konden er in korten tijd, en voor betrekkelijk weinig geld, zooveel boeken gedrukt worden als men maar wilde. En zoo konden ook later de schriften der hervormers, en vooral de Bijbel, al aanstonds in een menigte exemplaren verspreid en allerwegen bekend worden, en kregen de menschen lust om te leeren lezen.

Zoo bereidde de Heer in Zijn wijsheid alles voor, om op Zijn tijd het heerlijke werk der Kerkhervorming tot stand te brengen. Door de schuld van de menschen was alles in de Kerk zoo droevig donker geworden; door de genade van God zou er nieuw licht uit de duisternis opgaan. Want de belofte van den Heiland: _De poorten der hel zullen Mijn Gemeente niet overweldigen_, blijft eeuwig van kracht.

III.

De jonge zanger.

Wanneer we een goede vierhonderd jaren vroeger geleefd en in Maagdenburg, een stad in Saksen, gewoond hadden, zouden we daar zeker ook wel eens geluisterd hebben naar het zingen van een troepje schooljongens, voor de deuren der huizen. En dat hadden we gerust mogen doen. Want al zongen die jongens op straat, zoo waren het toch geen zoutelooze straatliedjes, waar ze de menschen op onthaalden, maar godsdienstige liederen, die een ieder hooren mocht.

Waarvoor ze dat deden, dat zingen langs de huizen? Ach, niet voor hun plezier. Ze gingen daar te Maagdenburg op een beroemde monnikenschool, want ze wilden geleerden worden. Maar hun ouders waren te arm om buitenshuis voor hun onderhoud te zorgen. Dus waren ze genoodzaakt dit zelf te doen, zoo goed en kwaad als het ging. En daarvoor diende dat zingen. De menschen wisten dat wel; en zoo kregen ze hier een stuk brood of ander eten, daar wat geld, en soms kregen ze niets; want niet alle menschen waren even vriendelijk en gul.

Onder die arme scholieren was er één, een jongen van veertien jaar, die door zijn lieve, zuivere stem, en het gevoel waarmee hij zong, bijzonder de aandacht trok. Hij heette Maarten Luther en was in den laten avond van den 10den November 1483 te Eisleben geboren. 't Was den avond vóór St. Maarten; daarom werd hij den volgenden dag bij zijn doop naar dien heilige _Martinus_ genoemd. Zijn vader, Hans Luther, een boerenzoon uit het dorp Möhra, was een arme mijnwerker, die met zijn vrouw, Margaretha Lindemann, hard sloven moest om den kost te verdienen voor hun zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes, waarvan Maarten de oudste was.