Een Twaalftal Samenspraken Tot Inleiding Cd Busken Huet S Besch

Chapter 2

Chapter 23,694 wordsPublic domain

Gedurende den geheelen namiddag van zijn zeventigjarig leven is deze bescheiden overvloed Erasmus' deel geweest; en hij heeft zijne eenmaal verworven onafhankelijkheid verdedigd met de angstvallige zorg van iemand die bij ondervinding den bitteren bijsmaak van het brood der maatschappelijke ballingschap kende, en hoe zwaar het valt vreemde trappen te beklimmen. Eene nederlandsche Statenvergadering bood wel wat laat hem een eervol geschenk in geld aan; engelsche vrienden hielpen hem aan eene of meer prebenden; keizer Karel V benoemde hem tot staatsraad, met vrijheid zijn traktement (indien het betaald werd) te verteren op de plaats zijner keus.

Jaren lang heeft Erasmus op die wijze, eerst bij afwisseling, daarna voor goed, onbezorgd te Bazel kunnen leven; heeft naar welgevallen zich kunnen verplaatsen; te Freiburg zich een huis kunnen doen bouwen; paus Paulus III voor een kardinaalshoed kunnen bedanken; het zich niet behoeven aan te trekken, dat de inkomsten van een door dien kerkvoogd hem toegedacht deventersch prioraat hem ontgingen.

Hadden de krachten slechts toegereikt, zijn middelen zouden in het laatste levensjaar hem niet verboden hebben Besançon als woonplaats te kiezen, en er den bazelschen hervormingsijver te gaan ontwijken. Uit zijne nalatenschap, die zevenduizend dukaten bedroeg, konden de algemeene armen te Bazel ruim bedacht worden, en goede vrienden tot een aandenken een of ander kostbaar voorwerp ontvangen.[23]

Heeft Shakespeare het zaliger gevonden een huis en een inboedel te kunnen koopen? Of was Erasmus gelukkiger iets te kunnen nalaten? Een testament te kunnen dikteren aan een notaris?[24]

Wie zich eene voorstelling wenscht te vormen van hetgeen, toen het zonnetje van den betrekkelijken voorspoed nog door moest breken, Erasmus in zijne jongelingsjaren uitgestaan en geleden heeft, denke zich een man als onzen voortreffelijken land- en ouderen tijdgenoot Groen van Prinsterer (sommige portretten van Erasmus en sommige van Groen vertoonen een zweem van gelijkenis,[25]) en vrage zich hoe het zulk een fijnbewerktuigden geest in een tenger ligchaam te moede zou geweest zijn, zoo hij gedurende de eerste veertig levensjaren met eene gemeene soort van armoede had moeten worstelen? Te moede, ondanks het gunstig verschil tusschen de maatschappelijke toestanden en hulpmiddelen in de eerste helft der 19de eeuw en de laatste helft der 15de. Ondanks het stammen uit een met onderscheiding bekend geslacht, en het niet schrijnen of knagen van als een stigma beschouwde kloostergeloften. Enkel onder het dagelijks stuiten van een groot verstand op eene botte omgeving; van een gevoelig hart op de algemeene onverschilligheid; van uitgezochte kundigheden op eene onwetendheid van de ruwste soort. Onder het botsen, in één woord, van een schuw en stil ideaal op het walgelijke eener werkelijkheid, die, nachtmerrie bij dag, zulk een geest bovenal van eene lompe en luidruchtige paardemarkt doet droomen.

Voor alle mannen met buitengewone gaven die als vondelingen in het leven geworpen worden, is de wereld eene harde leerschool; het hardst voor mannen met een vrouwelijken aard, op wier genie de tegenspoeden, welke andere karakters louteren of sterken, de werking van een hagelslag doen.

Het hangt zamen met het bijzondere in Erasmus dat de teleurstellingen zijner lange leerjaren niet in staat zijn geweest zijn humeur te bederven, al prikkelden zij in hooge mate zijn ongeduld. In eene eeuw toen alle menschen in alle dingen met heftigheid partij kozen, en men geen goed burger scheen te kunnen zijn zoo men niet wit of zwart, vierkant vóór of vierkant tegen was, wist hij met ongeëvenaarde geestkracht zich voor uitersten te hoeden en, gelijk hij tot een werelddeel het woord rigtte, een werelddeel te staan. De lutheranen hebben hem verweten onverbeterlijk roomsch, de roomschen meer dan een halve lutheraan te zijn. Humanisten hebben hem gehavend als een afvallige, en theologen wegens zijn humanisme hem uitgemaakt voor een libertijn. Een filoloog heeft hem gescholden wegens zijn berispen eener ciceroniaansche latiniteit; en zijn roem was latijnsche brieven te kunnen schrijven, fraaijer dan sedert Cicero iemand in Europa gedaan had. Een paus aanvaardde de opdragt van zijn Nieuw Testament, en een pausgezind keizer liet door dienaren der Inquisitie de exemplaren ophalen en vernietigen. Tijd- en landgenooten van hem zijn levend verbrand wegens het voorstaan van meeningen die ook de zijne waren; en hijzelf zou al zijne meeningen verloochend hebben, liever dan één zijner medemenschen op het schavot te brengen. Geboren Nederlander, was hij tegelijk een geboren kosmopoliet. Voortgekomen uit het volk, haatte hij noch het volk, noch de burgers, noch de edelen. Gehoorzaam zoon der katholieke kerk, was hij onvermoeid in het plagen harer bestuurders. Onkundige monniken waren het schrikbeeld van den gewezen augustijner; doch hij vond de luthersche hagepredikers geen aanwinst voor de beschaving. Gekroonde hoofden vereerden hem met hunne vriendschap; toch ontsnapten zelfs de dragers eener driedubbele niet altijd aan zijne kritiek. Hij was misschien de wijste man van zijn tijd, en zou blijven leven als type van den lofredenaar der dwaasheid.

Er bestaan van Erasmus, behalve zijn boeken, meer dan achttien honderd brieven.[26] Geen ander menscheleven der 16de eeuw is in dezelfde mate, uit duizend bijzonderheden, bekend als het zijne. Doch te vergeefs zal men iemand zoeken die meer dan hij een man uit één stuk geweest is; hetgeen de kunstkenners een rok zonder naad, de manskleedermakers onzer dagen, in de dievetaal der mode, _un complet_ noemen. Al zijne deugden hebben de daarbij behoorende gebreken tot foelie; al zijne gebreken zijn de gebreken zijner deugden.

Of op welke andere wijze te verklaren dat in zijne jeugd, ondanks de gevoeligheid zijner zenuwen, de armoede gemakkelijker zijn ligchaam dan zijn geest ten onder zou gebragt hebben; en in de dagen zelf van zijn verblijf te Parijs of te Orleans, toen een schamel kosthuis de eenige weelde was die hij zich veroorloven kon, het aandacht schenken aan eene vechtpartij tusschen zijne hospita en haar dienstmaagd, hem geen onwaardig tijdverdrijf scheen?

Ik doel op een der brieven uit het jaar 1500 of daaromtrent, die, in vakantiedagen uit Nederland aan vrienden in Engeland of Frankrijk, op werkdagen uit Frankrijk aan vrienden in Nederland gerigt, van Erasmus' toenmalige stemming, en van het ongemeen karakter dat levenslang het zijne geweest is, ons zulk een goed denkbeeld geven.

Een geletterd en welgesteld nederlandsch koopman, van wien wij niets anders weten dan dat hij Christiaan heette en een jongere broeder door hem naar Parijs gezonden was om onder Erasmus' leiding zijne studiën te voltooijen of aan te vangen, bekomt vandaar nu en dan een schrijven.

"Ik heb," meldt Erasmus hem op een keer, "ik heb het buitengewoon druk gehad vandaag. Waarmede? zult gij vragen. Antwoord: met het bijwonen eener tooneel-, eene boeijende tooneelvoorstelling.

"Was het een blijspel, was het een treurspel? Al naar gij het nemen wilt. Weet alleen dat geen der spelers dramatisch uitgedost was; het stuk telde maar één bedrijf; geen fluiten begeleidden het koor; de vertooners hadden geen hooge schoeisels aan, maar gingen barvoets; er werd niet gedanst; het tooneel was de vlakke bodem, mijn eetvertrek het amfitheater. Naarmate zij zich verwikkelde werd de handeling spraakzamer, en omstreeks de ontknooping was de luidruchtigheid volkomen.

"Gij denkt dat ik voor uw amusement eene klucht verzin? Toch niet, Christiaan, ik ben historieschrijver. De voorstelling waarvan ik getuige was werd gegeven door mijne huiswaardin, in tweegevecht met hare maarte. De klaroen had reeds geruimen tijd weerklonken vóór de strijd aanving; ik bedoel, er ging eene heftige woordenwisseling vooraf. Op dit gebied stonden zij elkander, en geen van beide partijen behaalde de overwinning. De handeling geschiedde in den tuin, terwijl ik voor het venster der eetkamer zwijgend, doch niet schreijend, stond toe te zien.

"Maar nu de katastrofe! Na afloop van den strijd kwam de gedienstige in mijne zitkamer de bedden doen, en onder een praatje maakte ik haar mijn kompliment dat zij wat kraaijen en schelden aanging hare meesteres niets toegegeven had, doch betuigde tevens mijn leedwezen dat zij dapperder scheen in het roeren harer tong dan van hare handen. Want de waardin, een gespierde virago en athletisch gebouwd vrouwspersoon, had de gewoonte hare knoken te doen nederkomen op het hoofd der arme maarte, veel kleiner dan zij. Hebt gij geen nagels, vroeg ik haar, dat gij dit geduldig verdraagt?

"Lagchend antwoordde zij dat het haar minder aan moed dan aan krachten haperde.--Denkt gij, vroeg ik, dat het in den oorlog bovenal op krachten aankomt? In iedere militaire ontmoeting is het plan het voornaamste. --Zij vroeg welk plan ik haar aan de hand kon doen.--De eerste maal dat zij weder de handen aan u slaat, zeide ik, moet gij onmiddellijk haar de muts van het hoofd rukken (want te Parijs hebben de vrouwen van zekeren leeftijd de zonderlinge hebbelijkheid zwarte mutsen te dragen) en haar dan in het haar vliegen.

"Ik dacht in het minst niet dat zij deze scherts ernstig opnemen zou; maar 's avonds, tegen etenstijd, kwam een der jonge mannen die met uw broeder en mij in ditzelfde kosthuis wonen, ademloos naar binnen loopen en riep: Vrienden, zoo gij een bloedige kloppartij wilt zien, komt dan spoedig!--Wij repten ons wat wij konden, en vonden onze hospita en haar meid slaags in den tuin. Niet zonder moeite scheidden wij haar. De stukken getuigden hoe moorddadig de strijd geweest was. Hier eene muts, daar een sluijer, de bodem bestrooid met vlokken haar; zoo meedogenloos waren zij elkander te lijf gegaan.

"Aan tafel verhaalde de waardin, ten zeerste verbolgen, hoe brutaal de maarte zich gedragen had.--Ik wilde haar teregt zetten, zeide zij (zij meende: ik wilde haar de kracht mijner vuisten doen gevoelen), toen zij in een oogwenk mij de muts van het hoofd rukte. (Het werd mij duidelijk dat ik niet te vergeefs gesproken had). En toen, ging zij voort, toen smeet de helleveeg mij de muts in het gelaat (dit punt was door mij niet aangeroerd), en toen, toen trok zij mij hier, en hier, en hier, de haren uit, ziet!

"Hemel en aarde nam zij tot getuige, nog nooit zulk een boosaardig klein ding in hare dienst gehad te hebben.

Wij vestigden hare aandacht op het menschelijk: _'t Kan verkeeren_, en op de wisselvalligheid der krijgskansen. Intusschen wenschte ik mijzelf geluk dat zij mij niet verdacht zijdelings in de zaak betrokken geweest te zijn, anders zou ik op mijne beurt ondervonden hebben dat zij eene tong tot hare dienst had."[27]

Ook bij Dante vindt men ergens zulk een tooneel geschilderd, en zelfs gaat Dante nog verder; hij deelt de eigen woorden der kijvenden mede.[28] Doch Erasmus heeft niet, zooals Dante op die plaats, een litterarisch bijoogmerk. Hij vischt alleen uit den weedom van zijn knechtsbestaan de vermakelijke anekdote en teekent, met hetzelfde nederlandsch schilderstalent als zijn toekomstige vriend Quinten Metsys het in die dagen de antwerpsche woekeraars doet, twee vechtende parijsche wijven.

* * * * *

De vrouwen hebben in het volgend leven van Erasmus zoo weinig plaats ingenomen, en hoewel de boeken hem nooit van de gezelligheid konden vervreemden, doet nogtans zijne bekende kamergeleerdheid dit op een afstand zoo natuurlijk schijnen, dat wij van zijne verpligtingen aan het zwakkere geslacht, de keeren dat die voor de geschiedenis zijner ontwikkeling in aanmerking komen, gaarne melding maken.

Eene nederlandsche vrouw uit het volk, zijne moeder, heeft met liefde over zijne kinderjaren gewaakt; eene nederlandsche poortersvrouw den jongen monnik hare vriendschap geschonken, en het eerst hem van zijne medekloosterlingen onderscheiden; eene nederlandsche edelvrouw het eerst in zijne toekomst geloofd, en hem ontvangen in haar huis.

Zij was weduwe en deugdzaam, evenals Bertha van Heyen, maar vele jaren jonger dan deze; eene vrouw van de groote wereld, min of meer patrones van wetenschappen en letteren; doordrongen van het besef dat zij hare kinderen, en in de eerste plaats haar eenigen zoon, eene waardige opvoeding schuldig was. Had het van haar afgehangen, Erasmus' kansen op lotsverbetering in de moeijelijke jaren van zijn zwerven tusschen Engeland en Frankrijk zouden niet enkel kansen gebleven, het uitzigt zou eene werkelijkheid geworden zijn.

Door haar huwelijk met een afstammeling uit het Huis van Bourgondië, zoon eens halven broeders van Karel den Stoute, was Anna van Borssele eene prinses van den bloede, vermaagschapt, toen Erasmus haar leerde kennen, aan den spaanschen troonopvolger Filips den Schoone (1478-1506). Haar moeder was eene Bourbon; haar vader, met of na den abt van Middelburg, eerste edele van Zeeland; zijzelve, als eenig kind, de erfgenaam van al haar vaders inkomsten en bezittingen als heer van Vlissingen, van Veere, van Cortgene, en verdere plaatsen op de zeeuwsche eilanden. Hare beeldtenis, in half middeneeuwsch-, half renaissance-gewaad, vult nog heden eene der zeven nissen van het fraaije veersche raadhuis, voltooid of aangevangen door haar kleinzoon, Maximiliaan van Bourgondië.[29]

De geduchte aderlatingen aan welke Karel de Stoute, Maximiliaan van Oostenrijk, Filips van Spanje, als graven van Holland en Zeeland gewoon waren hunne zeeuwsche en hollandsche edelen te onderwerpen; heffingen in geld, in schepen, in troepen, belastingen in den vorm van kostbare opdragten of gezantschappen; schijnen ten laatste zelfs een zoo aanzienlijk fortuin als dat van Anna's vader, Wolferd VI van Borssele, uitgeput te hebben. De schitterende erfdochter aanvaardde eene met schulden bezwaarde nalatenschap.[30]

Misschien had een tweede huwelijk, met een man van een groot vermogen, al ware het van minder rang of meer leeftijd, alles weder in het gelijk kunnen brengen. Doch de dertigjarige weduwe, die in haar eersten echt niet op rozen gesluimerd had, wilde daar niet van hooren. Juist in den tijd harer kennismaking met Erasmus, slechts vier of vijf jaren haar oudere, had zij hare zinnen op een jonkman van buitengewone schoonheid maar van middelmatige geboorte en weinig inkomsten gezet, zekeren heer Lodewijk van Montfoort, berooid Adonis. Het pleit voor hare volharding dat zij ten slotte den man harer keus, dien zij binnen weinige jaren verliezen zou, als heer van Veere heeft weten te doen huldigen; doch het huwlijk mishaagde de bloedverwanten van bourgondische zijde zeer. Processen en inbeslagnemingen waren het gevolg. De schijnbare millionaire was inderdaad betrekkelijk arm.[31]

Had Erasmus dit alles van het begin af geweten, hij zou, toen een zijner zeeuwsche of noordbrabantsche vrienden gouverneur van prinses Anna's zoontje geworden was en in brieven naar Parijs hem een- en andermaal den lof der moeder en van den knaap gezongen had, zich niet verblijd hebben met eene doode musch. Deze hersenschim was de laatste groote teleurstelling zijner jeugd.

Sedert hij gehoor gegeven had aan de uitnoodiging der prinses, haar op het kasteel Cortgene een bezoek te komen brengen; hij aan haar voorgesteld was; hij van haar beminlijk karakter, hare degelijkheid, haar smaak voor de fraaije letteren, den gunstigsten indruk ontvangen had en verblind was door den schijn van grootheid harer levenswijze, verbeeldde hij zich dat zij slechts één woord behoefde te spreken om hem tot het ondernemen der vurig begeerde Italiaansche reis in staat te stellen. Hare gulle ontvangst; hare beloften in den eersten tijd,--toen zij zelve nog niet wist hoe vijandig de betrekkingen van haar eersten man haar gezind waren, en hoe afhankelijk hare nieuwe huwlijksplannen háár maken zouden,--versterkten hem in dien waan. De herinnering der goede dagen, op Cortgene doorgebragt, liet hem niet weder los. Eene vorstin van dien rang, gebiedster over eene halve provincie, nicht van den souverein, levend op zulk een voet, scheen hem toe zich in goud te baden. Niemand moest het gemakkelijker vallen, niemand aangenamer zijn dan haar, een armen augustijner-monnik met een aanleg als den zijnen en nog zonder betrekking, in de gelegenheid te stellen zijne studiën te gaan voltooijen. Was het niet eervol voor eene nederlandsche edelvrouw de erkende beschermster te heeten van een geleerde, die zich voorbestemd grondlegger der noord-europeesche renaissance gevoelde?

Een half dozijn brieven, onder den verschen indruk der even snel verijdelde als opgewekte verwachting uit Nederland en uit Parijs geschreven, doen ons van dit jongste maatschappelijk stormpje in Erasmus' binnenste met belangstelling getuigen zijn. Twee of drie zijn gerigt aan den zeeuwschen gouverneur van den kleinen Adolf van Bourgondië, Jacobus Battus, vriend van Erasmus' jongelingsjaren, man van niet gewone bekwaamheden, door den dood weggenomen eer hij zijne volle maat had kunnen geven.[32] Een voert het adres van den jongen Mountjoy, Erasmus' engelschen élève te Parijs.[33] Een het adres van prinses Anna zelve. Het is een lofdicht in proza, geschreven toen de schoone vooruitzigten nog niet vernietigd waren.[34]

Moesten wij alleen naar dien laatsten brief oordeelen, wij zouden van den stand der zaak geen duidelijke voorstelling, en bovendien noch van Erasmus' goeden smaak, noch van den goeden smaak der prinses, eene gunstige meening bekomen. Zulke offers aan de tijdsgelegenheid vormen zelden, na zoovele jaren, eene aangename lektuur. Het is niet natuurlijk den briefvorm te bezigen ten einde eene dame hare eigen levensgeschiedenis te verhalen, uit te weiden in hare verdiensten als vorstin, als vrouw, als jonge moeder, en de lotgevallen van haar geslacht in herinnering te brengen. Nog stijver is het, indien zij bij toeval Anna heet, daarbij de zuster van koningin Dido, de moeder der maagd Maria, en de moeder van den profeet Samuel, om beurten te pas te doen komen. Erasmus zelf vond dien stijl even slecht als wij, en hij heeft voor een keer er zich alleen van bediend, omdat hij zich voorstelde dat het zoo behoorde.

Zijne eigenlijke meening leeren wij eerst uit de brieven aan Battus kennen; eenerzijds zijne levendige hoop dat alles nu goed zal gaan, en tegelijk zeker voorgevoel dat de zaken eene verkeerde wending zullen nemen. Het treft hem eene zoo beleefde uitnoodiging ontvangen te hebben; en in zijn schroom is hij maar half zeker, ten huize der prinses eene goede vertooning te zullen maken. Maar het verwondert hem tevens dat zij ten behoeve der reis hem een afgeleefd paard zendt, en als reisgeld eene zoo geringe som dat de kosten daarmede onmogelijk goedgemaakt kunnen worden. Kan warmte het einde zijn van zulk een koel begin? vraagt hij zich af.

Na de persoonlijke kennismaking is hij opgetogen over hare wellevendheid, hare vriendelijkheid, hare goedhartigheid. Zij belooft hem een jaargeld van twee honderd gouden franken; en hij twijfelt niet of Battus zal, opdat hij alvast naar Italië vertrekken kunne, haar weten te bewegen hem een wissel van dat bedrag op een parijsch huis te doen zenden. Hij is bezig de eerste uitgaaf zijner _Adagia_ (achthonderd grieksche en latijnsche spreekwoorden, toepasselijk uitgebreid) voor de pers gereed te maken. Zijn plan is, dat boek op te dragen aan haar zoontje Adolf. Hij korrespondeert onderwijl met haar in het fransch; ongetwijfeld vreezend dat te veel latijn haar afschrikken zal. Maar een vol jaar verloopt, en hij bekomt niets.

Zonder afgunst verneemt hij dat Battus intusschen een anderen jongen Nederlander aan haar voorgesteld, en zij ook dezen minzaam ontvangen heeft. Die andere, Willem van Gouda, is een voormalig stadgenoot en mede-kloosterling, een talentvol dichter, een boezemvriend.[35] Het pleit, erkent Erasmus, voor het oordeel der prinses, behagen in hem te vinden. Maar het zou hem niettemin leed doen, zoo hijzelf dien ten gevolge moest achterstaan; en hij is niet overtuigd dat vriend Willem, die, als dichters zijn, gaarne in gezelschap gaat en een goed glas drinkt, van hare gaven een even nuttig gebruik zal maken als door hem gedaan zou zijn.

Battus schrijft naar Parijs dat de financiën der prinses niet in den bloeijendsten staat verkeeren; en over niet langen tijd, bij een nieuw bezoek aan Zeeland, zal Erasmus persoonlijk zich kunnen vergewissen dat dit helaas geen verzinselen zijn. Hij zal dan bevinden dat hare goederen op hoog bevel zijn gesequestreerd, haar persoon onder toezicht is gesteld, en zij veeleer in de termen valt onderstand te ontvangen dan te verleenen. Doch aanvankelijk, nog onder den indruk van den staat dien zij voert, houdt hij dit voor praatjes, en schrijft hare verlegenheid hieraan toe dat zij ter wille van den jongen bruidegom, dien zij liefheeft, buitensporige verteringen maakt.

"Zij verdoet," schrijft hij terug, "zij verdoet haar tijd en haar geld aan haar Lodewijk (_nugatur et lusitat_); en zoo _dit_ haar voorwendsel is om niets te geven, dan voorzie ik dat zij _nooit_ iets geven zal; want zulke verontschuldigingen hebben de grooten altijd bij de hand. Eene fraaije zaak, inderdaad, dat zij niet een paarhonderd franken voor mij kan afzonderen, waar zulke kapitale sommen in den bodemloozen put der huishouding verdwijnen! Aan middelen voor het onderhoud van ik weet niet welke domme priesters heeft zij geen gebrek; maar om de onafhankelijkheid te verzekeren van een die boeken zou kunnen schrijven, waardig onsterfelijk te blijven voortleven--houd mij deze grootspraak ten goede!--daarvoor schiet niet over. Laat het zoo zijn dat zij in ongelegenheid geraakt is; dit is hare eigen schuld. Waarom legt zij het aan met dien welgemaakten saletjonker (_bellus ille homunculus_), in plaats van, zooals hare jaren en de hulpbehoevendheid harer sekse betamen zou, te hertrouwen met een achtbaar en ingetogen man? Zet zij zich dit niet uit de kruin, dan voorzie ik dat zij nog in grooter moeijelijkheden raken zal. En meen niet dat ik zoo spreek uit eenigerlei vijandige gezindheid! Integendeel, ik heb haar lief; gelijk niet meer dan mijn pligt is, wanneer ik bedenk hoe voorkomend zij mij ontvangen heeft. Maar ik bid u, welk verschil zou het maken, voor een fortuin als het hare, zoo ik tweehonderd franken bekwam? Op mijn woord, zeven uren daarna zou zij zich naauwlijks herinneren het geld te hebben weggeschonken!"[36]

In deze harde verwijten klinkt iets van den toon die weinige jaren later door Benvenuto Cellini, overigens door zijne opvliegendheid en zijne ligchaamskracht den zwakken en stillen Erasmus zoo ongelijk, in zijne gedenkschriften zal aangeslagen worden. Het is de taal der zelfzucht van het genie dat van zijne toekomst zich bewust is, de wereld cijnspligtig aan zich acht, en in den prikkelbaren hoogmoed zijner onstoffelijke waarde het tusschenbeide komen van nietig geldelijke hinderpalen niet verdragen kan.

Wij gevoelen dat er in Europa eene nieuwe magt ontstaan is, de magt van den geest, welke in de binnenkamer, en in vertrouwelijke gemoedsuitstortingen aan vrienden, op het papier, zich de meerdere van den rijkdom en den evenknie der geboorte weet. Alleen op zijn talent laat Erasmus zich voorstaan; niet op deugden waarin hij mag uitmunten, of op den invloed zijner augustijner orde, of op zijne priesterlijke wijding. In het ongeduld van zijn hooger verstandelijk gezag, hakend naar het oogenblik dat wereldlijke en kerkvorsten hem als een gelijke in hun kring zullen opnemen, verwenscht en vertreedt hij in gedachte de van wuftheid beschuldigde vrouw, wier nietige bestemming hem bij het vervullen der zijne, die zooveel gewigtiger is, in den weg staat.