Een Twaalftal Samenspraken Tot Inleiding Cd Busken Huet S Besch

Chapter 13

Chapter 132,911 wordsPublic domain

CORNELIA: Al wat goed, gelukkig en voordeelig is voor dezen onzen stand en den ganschen vrouwenstaat, dat wenschen wij u toe! Gij zijt heden in grooten getale en opgewekt samengekomen, en op grond hiervan meen ik de meest vaste hoop te kunnen koesteren dat God genadig aan ieder onzer ingeve, wat kan strekken tot ons aller gemeenschappelijk heil, aanzien en nut. Gij weet (dunkt mij) allen hoeveel schade wij aan onze belangen hebben geleden daar wij, terwijl onze mannen hùnne belangen in hunne dagelijksche bijeenkomsten behartigen, onze zaken in den steek moeten laten, omdat we aan spinnewiel en weefgetouw moeten zitten. En dus is 't dan zoover gekomen dat er geen geregelde tucht onder ons bestaat, dat de mannen ons alleen maar zoowat als hun speeltuig beschouwen en ons nauwlijks den naam van mensch waardig keuren. En als wij doorgaan zooals we begonnen zijn, gaat dan zelf maar eens na waar het op zal uitloopen. Ik schroom woorden te gebruiken die een slechte vóórbeteekenis kunnen hebben. En, zoo we ook al onze waardigheid te grabbelen gooien, dan moet toch onze ongerepte naam ons ter harte gaan. De wijze koning Salomo heeft in de Spreuken geschreven: "Wie naar raad hoort is wijs."[1] De bisschoppen hebben hunne Synoden, de monnikorden hebben hunne vergaderingen, soldaten hunne lokalen waar ze bijeenkomen, dieren hunne bijeenkomsten, zelfs de mierenkolonie heeft haar plaats waar ze vergadert. Van alle levende wezens zijn de vrouwen de eenige die dat nooit doen.--MARGARETHA: Nu, vaker dan wel past.--CORNELIA: Op 't oogenblik is 't nog geen tijd om tusschen mijn woorden in te praten. Laat ik eerst uitspreken. Ieder krijgt op haar beurt gelegenheid om wat te zeggen. 't Is niets nieuws wat we hier doen. We hernieuwen eenvoudig een oud gebruik. Vóór ongeveer, als ik me niet vergis, dertienhonderd jaren heeft de hooggeprezen Keizer Heliogabalus....--PEROTTA: Wat, hooggeprezen? Een kerel dien ze aan een haak in 't riool gesleurd hebben?--CORNELIA: Daar word ik al weer in de rede gevallen. Als we iemand op die manier prijzen of misprijzen, dan kunnen we ook wel kwaad zeggen van Christus omdat hij gekruisigd is, en van den vromen Domitius omdat hij in zijn huis is gestorven. En toch wordt aan Heliogabalus niets ergers verweten dan dat hij het heilige vuur, dat door de Vestaalsche maagden werd verzorgd, op den grond heeft geworpen, en dat hij in zijn paleis in een kapel Mozes vereerde nevens Christus, dien zij uit smaad "Chrestus," d.i. "Nutsman" noemden. Die Heliogabalus nu, heeft ingesteld dat, evenals de Keizer met zijn raadslieden een vergadering hield, om over gemeenschappelijke belangen te spreken, zoo ook zijn moeder Augusta háár raad zou hebben, waar gesproken moest worden over de belangen van het vrouwelijk geslacht: een vergadering die de mannen, 't zij uit spot, 't zij om een onderscheid te maken: "gemeenteraadje" noemden. Dit voorbeeld van zooveel eeuwen geleden te hernieuwen, wordt ons van zelf door de omstandigheden reeds lang aan de hand gedaan. En ik hoop dat niemand uwer zich zal laten afschrikken door 't feit, dat de Apostel Paulus een vrouw verbiedt te spreken in een bijeenkomst, die hij den naam van "uitgelezen vergadering" geeft.[2] Hij bedoelt natuurlijk een bijeenkomst van vrouwen, terwijl dit een meeting is van vrouwen. Want als vrouwen altijd maar moesten zwijgen, waartoe zou dan de natuur ons de tong gegeven hebben, die toch niet minder vaardig is dan die der mannen, en een stem, die niet minder klankvol is dan de hunne? Evenwel, hun geluid klinkt veel meer rauw en schor dan het onze en het gelijkt veel meer op het balken van ezels. Maar daarvoor moeten wij allen steeds zorgen, dat wij deze zaak met zulk een ernst behandelen, dat ze ons nooit meer "gemeenteraadje" noemen of dat ze misschien nog een smadelijker naam uitdenken, zooals ze gewoonlijk grappig zijn ten onzen koste. Hoewel--wanneer wij hunne bijeenkomsten eens naar haar innerlijke waarde wilden schatten, dan zou blijken dat die zeer onbeteekenend zijn. We zien dat de vorsten al in zooveel jaren niets anders doen dan oorlogvoeren; onder godgeleerden, priesters, bisschoppen en 't publiek heerscht absoluut geen overeenstemming. Zooveel hoofden, zooveel zinnen. En onder hen allen heerscht meer dan vrouwelijke veranderlijkheid. Geen staat leeft met een anderen staat in eensgezindheid, geen buurman met zijn nabuur. Als ons de teugels van het bewind maar eens in handen gegeven werden, dan zou de toestand van 't menschdom, (ik ben er zeker van) heel wat draaglijker zijn. 't Is misschien niet overeen te brengen met de schuchterheid aan vrouwen eigen om aan zulke groote en voorname mannen een brevet van dwaasheid uit te reiken,--maar wèl mogen we, dunkt me, aanhalen wat Salomo in het dertiende hoofdstuk van zijn Spreuken zegt: "Door hoovaardij maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen is wijsheid." Maar om u thans niet langer met mijn inleiding bezig te houden, moet er eerst, opdat alles in geregelde volgorde kunne geschieden, zooals 't past, en zonder verwarring, besloten worden, wie bij de beraadslagingen tegenwoordig zullen wezen, wie de zaal moeten verlaten. Want een buitensporig aantal aanwezigen zou men eerder een janboel kunnen noemen dan een vergadering: daarentegen heeft een comité van enkelen iets tyrannieks. Volgens mijn meening moet hierbij geen enkele ongetrouwde vrouw worden toegelaten, en wel om deze reden: dat er veel dingen zullen voorkomen, die 't geen pas geeft dat zij hooren.--JULIA: Maar waaraan kan men onderscheiden dat ze nog maagden zijn? Of zullen zij maar als maagd beschouwd worden, die nog een kransje dragen?--CORNELIA: Neen, daar ben ik 't niet mee eens. Mij dunkt we moeten alleen getrouwde vrouwen opnemen.--JULIA: Als we niet anders uitsluiten dan maagden, dan zal er een verbazend groote menigte blijven en zal er niet veel vermindering te bespeuren zijn.--CORNELIA: Ook moeten worden uitgesloten die meer dan driemaal getrouwd zijn.--JULIA: Waarom dat?--CORNELIA: Daar zij om zoo te zeggen hun tijd hebben uitgediend en gepensionneerd mogen worden. 't Zelfde dunkt me, moet ook gebeuren met de vrouwen boven de zeventig jaren. Verder moet er bepaald worden dat niemand over haar man, hem bij name noemend, oneerbiedig mag spreken. Tegen het geheele mannengeslacht mag het, maar met deze beperking: niet al _te_ veel.--CATHARINA: Waarom zou 't niet vrij staan hier vrijuit over de mannen te spreken, daar zij zelf het altijd over óns hebben? Als mijn Titus een vroolijk tafelgenoot wil zijn, dan vertelt hij alles wat ik gedaan heb, en dikwijls verzint hij er nog 't een en ander bij.--CORNELIA: Als wij de waarheid maar eens wilden bekennen: of _wij_ in tel zijn hangt van de mannen af. Als wij hen overleveren aan de publieke verachting, dan rooven wij ons zelf ook de kroon van het hoofd. Maar we hebben werkelijk eenige rechtmatige reden tot klagen. Gaan we evenwel de som van alles na, dan heeft onze positie toch nog veel vóór boven de hunne. Terwijl zij zorgen voor de inkomsten, moeten ze over landen en zeeën vliegen, dikwijls met groot gevaar voor hun leven. Als er een oorlog uitbreekt worden zij door de trompet opgejaagd. Geharnast moeten zij in het gelid staan, terwijl wij veilig thuis zitten. Als zij iets tegen de wet misdoen, straft men hen streng: onze sekse spaart men. Om kort te gaan, 't ligt grootendeels aan ons zelven om onze mannen te hebben zooals wij ze graag willen. Ten slotte moet er nog gesproken worden over de volgorde waarin we zitting zullen nemen, opdat bij ons niet gebeure wat zoo dikwijls geschiedt bij beraadslagingen van koningen, prinsen en kerkvorsten, die in hunne bijeenkomsten soms drie heele maanden twisten vóór de zitting kan beginnen. En dan dunkt mij dat het eerst aan de beurt komen om zitting te nemen, de vrouwen van adel en bij deze hebben weer den voorrang die met vier kwartieren, vervolgens die met één kwartier en ten laatste die met een gehalveerd kwartier. En bij elken tak zal de rang naar gelang van den ouderdom van de familie worden aangewezen. Bastaarden krijgen, elk in haar familie, de laatste plaats. In de tweede plaats nemen zitting de vrouwen van de burgerklasse. Hier nemen zij de eerste plaats in, die 't grootst aantal kinderen ter wereld hebben gebracht. Bij gelijke rechten zal de leeftijd beslissen. Ten derde komen zij die geen kinderen gehad hebben.--CATHARINA: En waar plaats je de weduwen?--CORNELIA: O, 't is goed dat je mij daaraan herinnert. Die krijgen haar plaats onder de getrouwde vrouwen, als ze ten minste kinderen hebben of gehad hebben. Dan moeten wij vaststellen, hoe een raadsbesluit zal worden genomen, met stembriefjes of stemsteentjes, of bij hoofdelijke stemming, of door 't opsteken der handen, of door uit elkander te gaan staan.--CATHARINA: Met steentjes kan licht bedrog gepleegd worden, net als met stembriefjes. Als we willen stemmen, door naar verschillende kanten uiteen te gaan, zullen we te veel stof opjagen, omdat wij sleepjaponnen dragen. 't Beste is dus maar, dat iedere vrouw mondeling zegt hoe zij over een zaak denkt.--CORNELIA: Maar 't is moeilijk de stemmen te tellen. En dan moet er wèl opgepast worden dat 't in plaats van een vrouwen_raad_ geen vrouwen_praat_ wordt.--CATHARINA: Zonder 't houden van notulen zal 't niet gaan, er mag niets verloren gaan.--CORNELIA: Nu zoo zijn er dan maatregelen genomen omtrent 't aantal deelnemers. Maar hoe zullen we 't getwist en gekijf er buiten houden?--CATHARINA: Laat niemand spreken die daartoe niet is uitgenoodigd en dan alleen maar op haar beurt. Wie zich daaraan niet houdt, wordt uit den raad verwijderd. En verder, als er één is die 't geen hier besproken wordt verklapt, die zal gestraft worden met een gedwongen zwijgen van drie dagen.--CORNELIA: Goed. Zoo ver dus over de manier waarop we de zaak zullen aanpakken. Hoort nu, wàt we zullen behandelen. Vooreerst moeten we zorg dragen voor ons aanzien en prestige. En dat ligt voornamelijk in onze uiterlijke verschijning. Die wordt heden ten dage zóó verwaarloosd, dat men nauwlijks een onderscheid kan zien tusschen een dame van adel en een vrouw uit het volk, een getrouwde vrouw, een meisje, en een weduwe, tusschen een fatsoenlijke gehuwde vrouw en een lichtekooi. Alle gevoel van schaamte is zoo ver de wereld uit, dat iedere vrouw zich maar aanmatigt, wat ze maar wil. Men kan tegenwoordig vrouwen uit de burgerklasse, ja zelfs uit heel lagen stand zien, die zich kleeden in zijde, in sleepjaponnen, bebloemd, gestreept, van fijn lijnwaad, met goud- en zilverdraad doorweven, ja met sabelbont, terwijl intusschen hun mannen thuis schoenen zitten te lappen. Haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten (want paarlen zijn nu bij 't groote publiek in minachting), om over barnsteen, koralen en goudleeren schoentjes maar niet eens te spreken. Vroeger was 't voldoende voor eenvoudige vrouwen, ter eere van hare kunne, zijden ceintuurs te gebruiken en de gespen van haar japon met een zijden borduurseltje te versieren. Thans is 't kwaad dubbel. Vooreerst moet 's mans vermogen er aan gelooven en in de tweede plaats gaat 't verschil van stand verloren, wat toch maar de waarborg is dat ieder krijgt wat hij waard is. Zoo vrouwen uit het volk mogen rijden in mooie wagens en zich in draagstoelen met ivoor versierd en met fijn linnen gedekt kunnen laten dragen, wat schiet er dan nog over voor dames van adel en aanzien? En als een vrouw gehuwd met iemand die amper-aan Ridder is, reeds een sleep draagt van vijftien el, wat moet dan de vrouw van een Hertog of Graaf doen? En dit is des te ondraaglijker, omdat wij zoo nu en dan met verwonderlijke onberedeneerdheid onze kleederdracht veranderen. Eertijds hingen van de punten die uitsteken van den top onzer hoofdbedekking, linten af. Door dat versiersel onderscheidden zich de voorname dames van de vrouwen uit lageren stand. Om nu de gelijkheid weer weg te nemen namen de eerstgenoemden hoeden aan, die van buiten wit bont toonden met zwarte staartjes bezet. Onmiddellijk nam 't lage volk het over. Weer veranderden de dames van onzen stand en gingen een zwarten mantel dragen van linnen. De vrouwen van de lagere standen durfden dat niet alleen nadoen, maar voegden er nog gouden franje aan toe, ja, ten slotte zelfs edelsteenen. Oudtijds was het een voorrecht van edelvrouwen zich de haren van 't voorhoofd en de slapen uit te trekken en de haren op de kruin in een wrong te binden. Lang duurde 't niet of de eerste de beste volgde dat na. Eindelijk gingen zij het haar dragen zóó dat het op 't voorhoofd neerhing; ook de vrouwen uit het volk deden dit onmiddellijk na. Alleen adellijke dames hadden eertijds pages en lakeien en onder deze één bevoorrechten, die haar de hand moest reiken wanneer ze van haar zitplaats ging opstaan, die haar linkerhand bij 't loopen met zijn rechterhand mocht steunen. En die eer werd alleen maar toegestaan aan knapen van edele geboorte. En nu de getrouwde vrouwen dit overal doen, nemen ze ook maar ieder die wil tot dat dienstbetoon aan, bijv. tot de taak van sleepdragers. Zoo groetten vroeger alleen maar adellijke dames met een kus. En lang niet iedereen ontvingen ze daarmee, ja zelfs reikten ze niet aan iedereen de hand tot den handkus. Nu schieten zelfs zij, die naar leer stinken op een dame af, om haar een kus te geven, zelfs al is het een dame met een adellijk wapenschild. Ook bij 't sluiten van huwlijken, let men zelfs niet meer op aanzien en stand. Vrouwen van adel huwen mannen uit 't volk, burgervrouwen met edellieden. En zoo krijgen wij tot kinderen een halfslachtig kroost. En geen is er van zóó lage geboorte, die er tegen op ziet al de kunstmiddeltjes der edelvrouwen aan te wenden. Terwijl 't vrouwen uit 't volk voldoende moest geweest zijn, schuim van jong bier of frisch aftreksel van boombast te gebruiken of andere dingen, die men voor lagen prijs kan koopen, hadden zij karmijn en blanketsel en andere fijne verfstoffen moeten overlaten aan de voornamere dames. Hoe weinig orde is er nu bij diners of wanneer zij zich in 't openbaar vertoonen! Dikwijls gebeurt 't, dat de vrouw van een koopman niet verkiest te wijken voor een vrouw, wier beide ouders van adel zijn. 't Is al lang een eisch van den tijd dat we eens wat vaste regels hieromtrent vaststellen. En dat zullen wij gemakkelijk onder elkander kunnen doen, omdat ze alleen de vrouwelijke sekse aangaan. Maar, we hebben ook een appeltje te schillen met de mannen, die ons van alle eerbetoon buitensluiten, en ons alleen maar voor waschvrouw en kookster houden, terwijl zij alles naar hun eigen goedvinden inrichten. Wij zullen hun dus graag hunne ambten overlaten en de zorg voor de militaire zaken. Maar wie zou het kunnen dulden dat op 't schild het wapen van de vrouw altijd aan den linkerkant staat, ook al overtreft zij 's mans adel met drie maal zooveel kwartieren als de zijnen? Verder is 't toch ook niet meer dan billijk dat de moeder een woordje heeft mee te spreken in 't geven van een positie aan de kinderen? En misschien zullen we ook dit nog eens gedaan krijgen, dat wij op ónze beurt ook de openbare ambten bekleeden: ten minste die ambten welke binnen de muren en zonder wapens te dragen, kunnen worden bekleed.

Dames, dat is in hoofdzaak wat me de moeite waard schijnt om er over te beraadslagen. Laat ieder hierover eens bij zich zelve nadenken opdat er raadsbesluiten over elk punt kunnen genomen worden, en als aan iemand uwer soms nog iets in de gedachte komt, laat ze er dan morgen mee in de vergadering voor den dag komen. We zullen immers iederen dag bijeenkomen totdat wij de zitting ten einde hebben gebracht. Er moeten vier secretaressen worden aangesteld om al wat er gesproken wordt op te teekenen. Bovendien twee voorzitsters om 't woord te geven of te ontnemen.

Zoo hoop ik dan dat deze bijeenkomst moge welslagen onder begunstiging van Godes genadige bescherming.

NOTEN:

[1] Salomo. Spreuken 12.

[2] Corinth. XIV. 34. Taceat mulier in ecclesia.

* * * * *

DE BEDEVAART

MENEDEMUS, OGYGIUS.

Door Erasmus werden de _misbruiken_ in de kerk aangetast. Niet de kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens, dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt te worden.

"In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken) "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken een bron van vuige winst maken."