Een Twaalftal Samenspraken Tot Inleiding Cd Busken Huet S Besch
Chapter 12
HARPALUS. Zou je mij eens kunnen raden? Je zult merken dat ik niet vergeetachtig en niet ondankbaar ben.--NESTORIUS: Nu, ik wil je wel 't middel aan de hand doen om te komen waar je wezen wilt.--HARPALUS: Maar wij hebben 't niet in onze hand om van adel geboren te zijn.--NESTORIUS: Als je 't niet bent, moet ge door uw voortreflijke daden maken dat uw adeldom bij u een aanvang neemt.--HARPALUS: Dat duurt zoo lang.--NESTORIUS: Tegen een flinke som verkoopt de keizer ook wel een adelbrief.--HARPALUS: Om dien gekochten adel wordt over het algemeen gelachen.--NESTORIUS: Als ge dan niets belachelijkers kent dan gelogen adel, waarom streeft ge dan naar den adellijken titel?--HARPALUS: Om verschillende redenen, en gewichtige ook. Ik heb geen bezwaar je die te vertellen, als gij mij de manieren wilt meedeelen waarop ik den menschen het idee kan geven dat ik een edelman ben.--NESTORIUS: Dus alleen maar den naam wil je bezitten, zonder de werkelijkheid?--HARPALUS: Ja, waar de werkelijkheid niet aanwezig is, daar nadert de schijn er toch 't dichtst bij. Maar kom, geef nu eens raad, Nestorius. Wanneer gij mijn beweegredenen hoort, dan zult ge moeten zeggen dat het de moeite waard is.--NESTORIUS: Nu, als je 't dan wilt, dan zal ik 't je zeggen. In de allereerste plaats moet je uit je vaderland weggaan.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Je moet je begeven in gezelschap van jongelieden van werkelijk adellijken bloede.--HARPALUS: Dat begrijp ik.--NESTORIUS: Tengevolge daarvan zal men gaan denken, dat gij ook tot die menschen behoort met wie gij omgaat.--HARPALUS: Zoo is het.--NESTORIUS: Zorg dat ge niets aan u hebt of niets doet wat burgerlijk is.--HARPALUS: Wat bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Ik bedoel uw kleeding; uw kostuum mag niet van wol zijn, maar wèl van zijde of, als je het geld ontbreekt om die te koopen, dan een kamelotten buis, ten slotte nog liever een van linnen dan van laken.--HARPALUS: Goed zoo.--NESTORIUS: Pas ook op, dat ge niets gaafs aan uw lijf hebt: heb kerven en scheuren in je hoed, je wambuis, je laarzen, je schoenen, in je nagels als je kunt. Zorg er ook voor dat je nooit over iets wat laag bij den grond is, spreekt. Als er een vreemdeling uit Spanje komt, vraag dan hoe 't tegenwoordig tusschen den Keizer en den Paus staat: hoe uw bloedverwant, de Graaf van Nassau het maakt: hoe 't met uw andere kameraden gaat.--HARPALUS: Dat zal ik doen.--NESTORIUS: Aan uw ringvinger moet ge een ring dragen met een gesneden steen er in.--HARPALUS: Als ten minste mijn beurs het toelaat.--NESTORIUS: Een vergulde ring met een nagemaakten steen kost niet zooveel. Maar er moet een wapenschild bij.--HARPALUS: Wat raad je me aan te kiezen?--NESTORIUS: Twee melkemmers zoo je wilt, en een bierpul.--HARPALUS: Kom, je houdt me voor 't lapje: spreek liever in ernst.--NESTORIUS: Ben-je nooit in den krijg geweest?--HARPALUS: 'k Heb er nooit een gezien.--NESTORIUS: Maar, tusschen twee haakjes, je hebt denk ik, wel eens aan ganzen en kapoenen bij de boeren den kop afgeslagen?--HARPALUS: Heel dikwijls, en wàt dapper ook.--NESTORIUS: Nu, neem dan een zilveren mes op je wapenschild en drie gouden ganzenkoppen.--HARPALUS: Op wat voor een veld? NESTORIUS: Op welk veld? Natuurlijk op een bloedrood! Een herinnering aan 't zoo dapper vergoten bloed.[1]--HARPALUS: Wel ja, waarom niet? Ganzenbloed is net zoo rood als menschenbloed. Maar ga dóór als 't je belieft.--NESTORIUS: Dat schild nu, moet je aan de deuren van alle herbergen waar je je intrek neemt, laten vastspijkeren.--HARPALUS: Wat moet er voor een helm op geplaatst worden?--NESTORIUS: 't Is goed dat je daaraan denkt. Dien moet je met opgeslagen vizier nemen.--HARPALUS: Waarom dat?--NESTORIUS: Ten eerste om goed te kunnen ademhalen en verder om hem met je kleedij in overeenstemming te brengen. Wat moet er boven den helm uitsteken?--HARPALUS: Daarnaar ben ik erg verlangend.--NESTORIUS: Een hondenkop met hangooren.--HARPALUS: Dat is zoo algemeen.--NESTORIUS: Voeg er dan een paar horens bij. Dat is zeldzaam en vreemd.--HARPALUS: Dat bevalt me. Maar nu de schilddragers?--NESTORIUS: Herten, honden, draken, grijpen hebben de vorsten en prinsen al ingepalmd: zet jij er nu twee harpijen naast.--HARPALUS: Dat is een uitstekende raad.--NESTORIUS: Nu schiet nog alleen maar over een bijnaam te verzinnen. Hierbij moet je in de allereerste plaats oppassen dat je je niet op heel platte manier "Harpalus den Comenser" laat noemen, maar "Harpalus van Como": dit laatste doen de adellijke heeren, 't eerste doen arme theologen.--HARPALUS: Dat weet ik.--NESTORIUS: Hebt ge ergens een plekje waarvan ge u heer en meester kunt noemen?--HARPALUS: Geen varkenshok zelfs.--NESTORIUS: Ben-je in een bekende stad geboren?--HARPALUS: In een onbekend dorp. Ik moet 't u wel zeggen. Want liegen mogen we niet tegenover een dokter die ons moet genezen.--NESTORIUS: Is er niet de een of andere berg in de buurt van dat dorp?--HARPALUS: Jawel.--NESTORIUS: En heeft die berg ook ergens een in 't oog vallende of bekende rotspunt?--HARPALUS: En een wàt steile ook.--NESTORIUS: Welnu, dan heet je "Harpalus, ridder van de Gulden Rots."--HARPALUS: Ja maar, 't is de gewoonte van groote heeren, dat ieder een mooi klinkende spreuk voegt bij zijn wapen: zooals bijv. Maximiliaan had: "Houd maat"; Philips: "Wie maar wil"; Keizer Karel: "Verder"; en zoo de één dit, de ander dat.--NESTORIUS: Neem jij dan: "Er op of er onder."--HARPALUS: Je raad is probaat en past uitstekend bij mijn toestand.--NESTORIUS: En om de menschen nog meer vertrouwen in uw persoon in te boezemen, moet ge voorgeven dat allerlei groote heeren u brieven geschreven hebben, waarin ge ook als Hoog-Edelgeboren Ridder wordt betiteld: daarin moet gesproken worden van groote bedrijven, van leengoederen, van burchten, van veel duizenden guldens, van gouverneurschappen, van een rijk huwelijk. Dan moet ge zorgen, dat dergelijke brieven u als 't ware bij ongeluk uit den zak vallen of dat ge ze bij toeval vergeet en dat ze zoo in handen van anderen komen.--HARPALUS: O, dat zal me niet veel moeite kosten. Want ik kan niet alleen goed schrijven, maar ook heb ik 't door gestadige oefening zóóver gebracht dat ik ieders hand gemakkelijk kan namaken.--NESTORIUS: Naai de brieven in je wambuis of laat ze in je zak zitten, zoodat de kleermakers aan wie je je kleeren geeft om ze te lappen, ze vinden. Die zullen hun mond niet houden, en als je 't te weten komt, zet dan je gezicht in een plooi van boosheid of ontstemdheid, alsof je over het geval erg het land hadt.--HARPALUS: Ook daarop heb ik reeds lang gestudeerd, om mijn gezicht te kunnen veranderen als een masker.--NESTORIUS: Dan zal 't gevolg zijn dat men geen lucht krijgt van het bedrog en dat men je zaak met goed vertrouwen aanziet.--HARPALUS: Ik zal er goed mijn best toe doen.--NESTORIUS: Verder moet ge eenige makkers kiezen of je ook eenige bedienden aanschaffen, die voor u buigen en uitwijken en u in tegenwoordigheid van anderen "Jonker" noemen. Je behoeft niet bang te zijn dat je dit iets zal kosten. Er zijn heel veel jongelieden die graag zelfs voor niets die rol willen spelen. Hierbij komt nog dat dit land vol is van half geleerde jonge menschen, bezield met een bijzonderen schrijflust, om niet te zeggen schrijfwoede. Ook ontbreekt 't niet aan hongerige boekdrukkers, die alles aandurven wanneer de hoop op een zoet winstje hun toelacht. Eenigen van dezen moet gij omkoopen, dat ze u in hunne geschriften prijzen als een der Grooten van hun vaderland, en dit zoo nu en dan eens met vette letters te herhalen. Op die manier zullen ze u, tot zelfs in Bohemen toe, als een groot man in uw vaderland ophemelen. Want sneller en over een grooter uitgestrektheid doen die geschriften de rondte, dan praatjes van bedienden, al zijn ze ook nòg zulke babbelaars.--HARPALUS: Die manier bevalt mij wel. Maar, bedienden moet men den kost geven.--NESTORIUS: Dat is waar, maar ge moet er geen bedienden op na houden die geen handen aan hun lijf hebben en daarom onhandig zijn. Ze moeten hier- en daarheen worden uitgestuurd, en dan vinden ze wel wat. Je weet wel dat er allerlei gelegenheden voor zoo iets zijn.--HARPALUS: Houd maar op: ik begrijp het al.--NESTORIUS: Nu moet ik nog spreken van uw bekwaamheden.--HARPALUS: Daar ben ik nieuwsgierig naar.--NESTORIUS: Als je geen goed dobbelaar bent, geen flink kaartspeler, geen schandelijke meisjesgek, geen fameus drinker, geen brutaal verkwister, geen bankroetier en geen schuldenmaker, als je niet behebt bent met de zoogenaamde Gallische schurft[2], zal niemand je voor een man van adel houden.--HARPALUS: In dat alles heb ik me al lang geoefend. Maar waar moet het geld van daan komen?--NESTORIUS: Kalm! daar wilde ik net op komen. Heb-je geld van je vader geërfd?--HARPALUS: Een klein beetje.--NESTORIUS: Wanneer nu bij velen de dunk omtrent je adel gevestigd is, dan zul-je licht gekken vinden die geloof slaan aan je beweringen. Sommigen zullen zich schamen neen te zeggen, sommigen zelfs zullen bang zijn dit te doen. Om je schuldeischers bij den neus te nemen zijn er allerlei kunstjes.--HARPALUS: Daar ben ik al redelijk bedreven in. Maar eindelijk zullen ze 't mij toch te benauwd maken, als ze bemerken dat ik hen alleen maar met mooie woorden paai.--NESTORIUS: Integendeel, daar is geen gemakkelijker weg om te heerschen dan juist aan zooveel mogelijk menschen iets schuldig te wezen.--HARPALUS: Hoe dat zoo?--NESTORIUS: Wel, vooreerst beschouwt de schuldeischer het zóó, alsof hij door een groote verplichting aan u verbonden was en is hij bang een aanleiding te geven tot 't verlies van zijn geld. Iemands dienaren kunnen niet enger aan hem verknocht zijn, dan de schuldeischers aan hunne schuldenaars. Als men hun van tijd tot tijd eens wat terugbetaalt, dan is dat nog meer welkom dan dat men geschenken geeft.--HARPALUS: Dat heb ik wel eens gemerkt.--NESTORIUS: Maar pas hierop, dat ge u onderwijl niet met arme drommels inlaat. Want deze maken dikwijls om een onbeduidend sommetje geld een groot kabaal. Meer handelbaar zijn menschen die goed geld om handen hebben. Hen weerhoudt hun schaamtegevoel, de hoop doet hen leven, de vrees schrikt hen af: zij weten wat adellijke heeren soms vermogen. Ten slotte, wanneer de schuldenlast u overstelpt, dan moet ge onder allerlei voorwendsels elders heen verhuizen en dan vervolgens wéér ergens anders heen. Er is geen reden om je daarvoor te schamen. Niemand is meer met schulden beladen dan juist de vorsten. Als een boer u het vuur wat na aan de schenen legt, doe 't dan voorkomen alsof je door zijn onbeschaamdheid diep beleedigd bent. Geef evenwel zoo nu en dan eens wat terug, maar niet de geheele som en ook niet aan allen. Daarvoor moet gij overal en altijd zorgen dat niemand 't in den neus krijgt, dat je kas geheel leeg is. Je moet altijd grootdoen.--HARPALUS: Hoe kan iemand groot-doen die niets heeft?--NESTORIUS: Als een vriend je tijdelijk iets van waarde heeft toevertrouwd, dan moet je 't doen voorkomen alsof 't van je zelf is. Maar je moet alle gekunsteldheid vermijden: 't moet alles als bij toeval gaan. Neem daartoe soms eens wat geld op, met 't plan om 't heel spoedig terug te geven. Bewaar in je beurs, die uitpuilt van kopergeld, twee goudstukken en haal er die zoo nu en dan eens uit. En meer dergelijke verzinsels moet je zelf maar bedenken.--HARPALUS: Dat snap ik. Maar ik moet dan toch eindelijk wel tot over de ooren in de schuld zitten.--NESTORIUS: Houd daarom geen luie, onverschillige, onhandige bedienden of neem anders bloedverwanten bij je, die je tòch den kost zoudt moeten geven. Ze zullen wel eens een koopman tegenkomen dien ze kunnen berooven. Ze zullen wel eens wat vinden in herbergen, of in een huis, of in een schip, iets dat onbewaakt ligt. Vat-je? Ze moeten er aan denken dat de mensch niet te vergeefs vingers gekregen heeft.--HARPALUS: Als 't ten minste op een veilige manier kan gebeuren.--NESTORIUS: Je moet je bedienden netjes gekleed doen gaan, vooral met onderscheidingsteekens. Geef hun valsche brieven aan hooge personages in handen. Als ze dan eens iets hebben weggenomen en betrapt worden, zal niemand hen durven beschuldigen. Ook al vermoedt men iets, dan zal men toch bang zijn voor hun meester die van adel is. En wanneer ze gewelddadig een buit hebben veroverd dan heet dat: oorlogsrecht. Zulke vóór-oefeningen vormen het voorspel van den oorlog.--HARPALUS: Dat is een goede raad!--NESTORIUS: Verder moet ge steeds dezen stelregel van den adel handhaven: het is zijn recht den reiziger van burger-afkomst van zijn geld te ontlasten. Wat toch moet grooter verontwaardiging wekken, dan dat een koopman niet van adel, overvloed van geld heeft, terwijl intusschen een ridder geen cent heeft om aan de vrouwen en het spel uit te geven? Voeg je steeds bij de grooten of liever dring u bij hen in. Met een stalen gezicht, zonder blikken of blozen. Maar vooral bij vreemden. En daarom is 't ook verkieslijk dat ge u ophoudt in een nog al drukke stad, bijv. in badplaatsen, in druk bezochte herbergen.--HARPALUS: Dat was ik juist van plan.--NESTORIUS: In zulke plaatsen biedt 't geluk nog al eens vaak een kansje.--HARPALUS: Hoe, bijvoorbeeld?--NESTORIUS: Wel, de een of ander heeft zijn beurs laten liggen, of heeft bij vergissing den sleutel in 't slot van zijn lâ laten steken. Nu, de rest vat je wel.--HARPALUS: Maar...?--NESTORIUS: Waarvoor ben je bang? Wie zou eenig kwaad vermoeden durven koesteren tegen zoo'n beschaafd man, tegen iemand die altijd den mond vol heeft van zulke groote dingen, tegen den "Ridder van de Gulden Rots?" En zoo er al zoo'n onbeschaamde rekel gevonden werd, wie zou dan nog zoo driest zijn om u voor 't gerecht te dagen? Intusschen wordt de verdenking afgeleid op één van de gasten die gisteren zijn vertrokken. De bedienden en de herbergier zullen in rep en roer gebracht worden. Doch ga gij maar rustig uw gang. Als zoo iets aan een bescheiden en flink man overkomt, zal hij zijn mond houden, om niet tegelijk met zijn geldelijk verlies ook nog tot zijn schande bekend te doen worden, dat hij zóó nalatig op zijn zaken is.--HARPALUS: Wat je daar zegt is nog zoo gek niet. Je kent denk ik wel den Graaf van den Witten Gier?--NESTORIUS: Zou ik hem niet kennen?--HARPALUS: Bij hem had eens zijn intrek genomen, naar ik me heb laten vertellen, een zekere Spanjaard, een man van een net uiterlijk en echt fijne beschaving. Deze kaapte zeshonderd gulden; maar de graaf heeft nooit durven klagen. Zóó respectabel zag de man er uit.--NESTORIUS: Nu, daar heb-je een voorbeeld. Tusschen-beiden moet je eens één van je bedienden de wijde wereld inzenden; ten oorlog natuurlijk. Deze zal terugkeeren, beladen met buit in den krijg gemaakt, na kerken geplunderd en kloosters beroofd te hebben.--HARPALUS: Dat is zeker een hoogst veilige manier.--NESTORIUS: Daar is nog een andere manier om geld bij elkaar te krijgen.--HARPALUS: Zeg op, alsjeblieft.--NESTORIUS: Verzin voorwendsels om boos te worden tegen menschen die goed in hun contanten zitten, vooral tegen monniken of priesters, die nu zoowat bij iedereen in een kwaden naam staan. Deze heeft om uw wapenschild gelachen of er op gespuwd: gene heeft iets geschreven wat wel tot laster kan worden verdraaid. Aan zulke menschen moet ge een oorlog op leven en dood verklaren. Laat gruwelijke bedreigingen hooren, uitroeiing, moord en doodslag, louter algeheele verdelging. Vol schrik en angst zullen ze dan tot u komen om den strijd bij te leggen. Houd dan uw waardigheid hoog, dat wil zeggen: overvraag goed, dan krijgt ge wat ge hebben wilt. Als je drieduizend goudstukken vraagt, dan schamen ze er zich voor om minder dan tweehonderd aan te bieden.--HARPALUS: Anders zal ik dreigen hen gerechtelijk te vervolgen.--NESTORIUS: Dat gaat al weer wat meer op chantage gelijken; doch 't kan ook soms te pas komen. Maar zeg eens Harpalus, daar was me bijna ontgaan wat ik eigenlijk wel in de allereerste plaats had mogen zeggen; je moet 't een of ander meisje dat een aardigen spaarpot heeft in 't huwelijksnet zien te verstrikken. Je hebt een toovermiddel in je bezit, je bent jong, je ziet er niet onknap uit, je bent een aardige grappenmaker, je kunt aanstekelijk lachen. Strooi 't gerucht rond, dat je onder mooie beloften naar 't hof van den keizer bent geroepen. Meisjes houden er wel van heeren van het hof te trouwen.--HARPALUS: Ik ken er, aan wie dat voortreflijk gelukt is. Maar als 't bedrog nu eindelijk eens uitlekt en van alle kanten de schuldeischers op me afspringen? Dan zal iedereen den ontmaskerden ridder uitlachen. Want zoo'n komedie vinden ze erger dan wanneer men tempelroof pleegt.--NESTORIUS: Dan is juist 't oogenblik gekomen om te denken aan 't stalen gezicht. En dat te meer omdat nooit ter wereld brutaliteit meer in de plaats van wijs beleid is getreden, dan tegenwoordig. Dan moet je maar de een of andere uitvlucht verzinnen. Verder zullen er altijd eenvoudige zielen gevonden worden die uw historietje gelooven; anderen zullen uit burgerlijke beleefdheid doen net alsof zij 't bedrog dat ze doorzien hebben, niet hebben bemerkt. En ten slotte, als er geen ander redmiddel is, dan maar naar elders toevlucht genomen, in een oorlog, in 't krijgsgewoel. Zooals Euripides zegt dat de zee alle ongerechtigheden der menschen afwascht, zoo bedekt ook de oorlog al het grondsop en uitvaagsel van alle schurkerijen. Niemand wordt tegenwoordig voor een goed officier in den oorlog gehouden, als hij er niet toe gekomen is na een voorbereiding in zulk een recrutenschool. Dat is dus uw uiterste redmiddel wanneer alles verkeerd loopt. Maar ge moet den ondersten steen boven keeren dat 't niet zoo ver komt. Laat je vooral niet door zorgeloosheid foppen. Ontwijk kleine stadjes, waar je geen vinger in de asch kunt steken of de wereld weet 't. In groote en drukke steden heb je meer vrijheid of--ze moesten soms zijn als Marseille, waar alles zoo uiterst stijf en eerbaar toegaat. Tracht dus ongemerkt uittevisschen wat men van u zegt. Wanneer je merkt dat men zoo in dezen zin over je praat: "Wat doet hij toch; waarom blijft hij zoo lang hier; waarom gaat hij niet terug naar zijn land? Waarom laat hij zijn kasteel in den steek? Uit welke familie stamt hij toch? Waar haalt hij toch 't geld vandaan voor zijn groote verteringen?"--wanneer dergelijke praatjes langzamerhand beginnen te loopen, dan moet je er intijds op bedacht zijn om de plaat te poetsen: maar 't moet de retraite van een leeuw zijn, niet een hazenvlucht. Wend vóór: dat je voor groote dingen geroepen wordt naar 't keizerlijk hof, dat je binnenkort met een compagnie soldaten zult terugkomen. In je afwezigheid zullen ze niet tegen je durven kikken, omdat ze bang zijn te verliezen wat ze van je te eischen hebben. Maar vooral geloof ik, dat je op je hoede moet zijn tegen dat slag van menschen dat 't hoofd vol heeft van dichterlijke plannen, lichtgeraakt volkje. Als iets hun niet bevalt, smeren ze dadelijk papier vol en wat ze hebben opgeklad gaat terstond de wereld door.--HARPALUS: 'k Mag doodvallen zoo je raad mij niet bij uitstek aannemelijk voorkomt. 'k Beloof je: ik zal maken dat je in mij een leerzaam scholier en een niet ondankbaar jongmensch vindt. Het eerste het beste paard dat ik in mijn weiden vind en dat waard is je te dragen, zal ik je ten geschenke zenden.--NESTORIUS: Nu moet je op _jouw_ beurt ook doen wat je begonnen bent _mij_ te beloven. Waarom heb je zoo'n bijzonderen trek om den edelman te spelen als je 't niet bent?--HARPALUS: Om geen andere reden dan omdat adellijke heeren alles ongestraft mogen doen wat ze maar willen. Vind-je dat zoo'n kleinigheid?--NESTORIUS: Al loopt 't verkeerd uit, we zijn allen onzen tol aan de natuur door den dood verschuldigd, al leefde men ook in een Karthuizerklooster. En men sterft gemakkelijker op 't rad, dan aan 't graveel, aan jicht of aan een beroerte. Een goed soldaat moet gelooven dat er van den mensch na den dood niets overblijft, behalve zijn lijk.--HARPALUS: Daar ben ik het ook mee eens.
NOTEN:
[1] Dwaze raad, van onkunde getuigend in de heraldiek, die metaal op metaal verbiedt.
[2] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der overheidspersonen, verboden werden.
* * * * *
DE VROUWENRAAD
CORNELIA, MARGARETHA, PEROTTA, JULIA, CATMARINA.
"Emancipatie," wie zou ze in Erasmus' tijd reeds gezocht hebben? Of ja--vinden we niet reeds in de komedies der oude Grieken sporen van den wil der vrouwen om zich tegenover de mannen meer te doen gelden? Zoo ook in den "Vrouwenraad," waarin de draak wordt gestoken met de onmondigheid van het vrouwelijk geslacht en eenige dames maatregelen beramen om zich aan den dwang en de heerschappij der mannen te ontworstelen. De dwaasheden, de onrechtmatigheden, de heerschzucht der mannen worden op de kaak gesteld; maar ook weet Erasmus den vrouwen menigen steek te geven over hare praatzucht, haar gebrek aan schaamtegevoel, haar pronkzucht.
De dialoog, ook voor de geschiedenis der cultuur van belang, doet zien dat Erasmus zijn tijd ver vooruit was, dat hij op de wondeplekken zijner maatschappij zeer juist den vinger wist te leggen.