Een Twaalftal Samenspraken Tot Inleiding Cd Busken Huet S Besch

Chapter 10

Chapter 103,665 wordsPublic domain

PHILECOUS: Wat voor nieuws zou er wezen dat Lalus zoo bij zich zelven grinnikt en bijna in lachen uitbarst, terwijl hij zoo nu en dan een kruisje slaat? Ik zal den man in zijn gelukzalige stemming eens aanspreken. Hartelijk gegroet, mijn waarde Lalus. Je lijkt wel in den zevenden hemel van gelukzaligheid te verkeeren.--LALUS: En toch zal ik nog gelukkiger wezen wanneer ik u deelgenoot van mijn vreugd gemaakt heb.--PHILECOUS: Maak mij dan zoo spoedig mogelijk gelukkig!--LALUS: Ken-je Balbinus?--PHILECOUS: Dien geleerden ouden man, van wien iedereen niets dan goed weet te vertellen?--LALUS: Juist, zooals je zegt; maar geen sterveling is ten allen tijde verstandig of niemand is in alle opzichten volmaakt. Bij zijn vele voortreffelijke gaven heeft de man één klein gebrek: hij is reeds lang razend verzot op de kunst die ze Alchemie noemen.--PHILECOUS: Wat je daar noemt is geen klein kwaaltje: 't is een flinke ziekte.--LALUS: Hoe 't ook moge zijn--ofschoon hij door dat slag van menschen zoo dikwijls bedrogen is, heeft hij zich toch eindelijk op een verwonderlijke manier laten beetnemen.--PHILECOUS: Hoe?--LALUS: Daar komt op een goeden dag een zekere priester tot hem. Deze groette hem met den hoogsten eerbied. Daarop begon hij: "Gij zult er u misschien over verwonderen, allergeleerdste Balbinus, dat ik, een u onbekende, u zoo durf aanspreken, terwijl ik toch moet weten dat gij altijd zoo in de heiligste studiën verdiept zijt." Balbinus knikt toestemmend, zooals zijn gewoonte is, want hij is met woorden uiterst spaarzaam.--PHILECOUS: Dat is een bewijs van voorzichtigheid.--LALUS: Maar de ander was nog voorzichtiger en zei: "Ge zult mij toch, hoop ik, wel vergeven dat ik u last veroorzaak, wanneer gij de reden verneemt waarom ik tot u ben gekomen." "Spreek op," zei Balbinus, "maar als gij kunt, maakt het kort." "Nu ik zal het," zei de ander, "zoo beknopt mogelijk vertellen. Ge weet, geleerdste van alle menschen, dat het lot van de stervelingen verschillend is: ik weet niet onder welke helft ik mij moet rangschikken, onder de gelukkigen of onder de ongelukkigen. Immers als ik mijn lot van de ééne zijde beschouw, dan lijk ik me zelf heel gelukkig; van den anderen kant diep rampzalig." En toen Balbinus op bekorting aandrong, zeide hij: "goed, ik zal er een eind aan maken, hooggeleerde Balbinus. En dat zal mij gemakkelijker vallen bij een man, die van de geheele zaak zóó op de hoogte is, dat niemand ze beter kent."--PHILECOUS: Je schildert me daar een redenaar af, geen alchemist.--LALUS: Spoedig zult ge van den goudzoeker hooren. "Van jongs af aan," zei hij, "mocht ik het geluk smaken de meest gezochte kunst van alle kunsten te leeren, het merg van de heele wijsbegeerte: de alchemie." Bij 't hooren van dit woord werd Balbinus recht wakker; hij toonde dit tenminste door zijn gebaren. Al zuchtend vroeg hij hem door te gaan. De ander ging voort: "Rampzalige die ik ben, dat ik niet terechtgekomen ben op den weg dien ik had moeten inslaan." Toen Balbinus hem vroeg, welke wegen hij toch bedoelde, zei hij: "Ge weet opperbest (wat toch weet gij niet, Balbinus, gij, een man op elk gebied zoo hooggeleerd?) dat er twee wegen in die kunst bestaan: de eene die men _verlenging_ noemt; de andere die _verkorting_ heet. En nu heeft 't ongeluk gewild dat ik terecht gekomen ben bij de verlenging." Toen Balbinus vroeg wat voor verschil er was tusschen die twee wegen, zei de ander: "hoe onbedachtzaam van mij om daar bij u over te spreken, van wien ik moest weten dat dit alles hem meer dan aan iemand anders bekend is. Daarom ben ik als smeekeling tot u gekomen, dat gij uit medelijden met mij u zoudt verwaardigen, ons dien heilzamen weg der verkorting mee te deelen. Hoe meer ge van die kunst weet, des te minder moeite zal het u kosten ze aan mij mee te deelen. Verberg dus die gave Gods niet voor een broeder die van droefheid dreigt te sterven. Zoo waar moge Jezus Christus u steeds rijker maken met grootere gaven." En toen hij niet ophield met smeeken, moest Balbinus eindelijk wel bekennen, dat hij heelemaal niets wist van verlenging of verkorting. Hij vroeg dus of hij hem de beteekenis van die woorden eens wilde uitleggen. Daarop zei de priester: "Hoewel ik weet dat ik tot iemand spreek die er meer verstand van heeft dan ik, zal ik het toch doen, omdat gij 't mij vraagt. Menschen die hun geheele leven aan deze heilige kunst hebben besteed, doen op tweeërlei wijze de gedaante der stoffen veranderen: de eene is de kortste manier, maar is ook een klein beetje gevaarlijk; de andere is wel de langste, maar is daarentegen veel veiliger. Nu noem ik mij ongelukkig, omdat ik tot nog toe alle moeite heb gedaan op een manier die mij tegen de borst stuit, en ik heb tot nog toe niemand kunnen vinden, die mij den tweeden weg kon wijzen, dien ik zoo zielsgraag zou inslaan. Eindelijk gaf God mij de gedachte in, mij tot u te wenden, een man even geleerd als vroom. Geleerdheid staat u ten dienste om zonder bezwaren te geven wat ik van u vraag: uw vroomheid zal u wel aandrijven om een broeder te helpen wiens redding gij in uw hand hebt." Om kort te gaan: toen de oude slimmerd door dergelijke praatjes elke gedachte aan bedrog van zich had afgewend en bij Balbinus 't vertrouwen had gewekt, dat hij dien éénen weg op zijn duimpje kende, popelde Balbinus' hart reeds geruimen tijd van verlangen. Eindelijk hield hij zich niet in en zei: "Laat die verkorting, waarvan ik zelfs den naam nooit gehoord heb, laat staan dat ik ze ken, naar den drommel loopen! Zeg me, op uw eerewoord: verstaat ge de kunst van die verlenging ten volle?" "Nou," zei de ander, "op mijn duimpje: maar die lange duur verveelt me danig." En toen Balbinus vroeg hoeveel tijd er wel voor noodig was, kreeg hij ten antwoord: "Heel wat: bijkans wel een vol jaar. Maar intusschen is 't de meest veilige manier." "Heb maar geen bezwaar," zei Balbinus; "ook al waren er twee jaren mee gemoeid. Als je maar op je kunst vertrouwt." Om nu de zaak in enkele woorden samen te vatten: ze kwamen overeen dat zij de zaak in het geheim in 't huis van Balbinus zouden aanpakken, op deze voorwaarde: dat de één het werk zou doen, terwijl Balbinus de kosten zou dragen. De winst zou eerlijk verdeeld worden, ofschoon de bedrieger kwanswijs in alle bescheidenheid zeide, al het voordeel aan Balbinus te willen overlaten. Van beide kanten deed men een eed dat men de zaak stil zou houden, zooals zij altijd doen die in geheime plechtigheden worden ingewijd. Nu wordt onmiddellijk 't geld uitbetaald om daarvan de potten, glazen, houtskool en al het andere te koopen, wat moest dienen om de werkplaats in te richten. Dat geld bracht onze goudzoeker lekkertjes zoek met wijntje en Trijntje en dobbelspel.--PHILECOUS: Dat is de rechte manier om de gedaante der dingen te veranderen.--LALUS: Toen Balbinus er op aandrong om het zaakje nu eens flink aan te pakken, zei de ander: "Ken je het spreekwoord niet: een goed begin is 't halve werk? 't Heeft heel wat voeten in de aarde om zijn stof goed voor te bereiden." Eindelijk begon hij het fornuis gereed te maken. Maar nu was er weer opnieuw goud noodig, als een lokvink voor 't goud dat komen moest. Immers, evenmin als men visch vangt zonder aas, zoo komt ook geen goud bij de alchemisten voor den dag, zonder dat er eerst een deel goud bij gedaan wordt. Intusschen ging Balbinus geheel op in zijn berekeningen. Hij rekende uit, als één ons goud vijftien onsen opbracht, hoeveel winst er dan wel komen moest van tweeduizend onsen. Zooveel toch had hij besloten in de zaak te steken. Toen de goudmaker ook dit geld er had dóórgelapt en al een paar maanden voor de leus druk bezig was geweest met blaasbalgen en houtskool, hield hij, op een vraag van Balbinus of 't zaakje wat vorderde, eerst zijn mond. Toen de ander aanhield antwoordde hij eindelijk: "Zooals het steeds gaat met gewichtige zaken: 't begin is daarbij altijd moeilijk." Hij voegde er als verklarende reden bij, dat hij zich vergist had in 't koopen van houtskool. Hij had houtskool van eikenblokken gekocht en ze had van dennenhout moeten wezen of van hazelaarshout. Daarmee waren nu honderd goudstukken naar de maan en hij had er des te lustiger op losgedobbeld. Opnieuw werd er geld gegeven: de kolen werden verwisseld. En nu werd de zaak met grooteren ijver aangepakt dan te voren. Het ging onzen goudzoekers als soldaten in den oorlog, die wanneer 't hun tegenloopt, door grootere dapperheid hun tegenspoed trachten te herstellen. Toen nu in de werkplaats eenige maanden achtereen gestookt was, de geboorte van het goud met den dag werd verwacht en er geen greintje goud meer in de retorten te bespeuren was (want dat had onze alchemist alles doorgebracht) moest er weer een andere uitvlucht worden uitgedacht. Het heette nu: de glazen die hij gebruikt had waren niet zóó van pas geweest als ze wezen moesten. Want, zooals niet elk hout timmerhout is, zoo maakt men ook geen goud in 't eerste 't beste glas. Maar, hoe meer men had uitgegeven, des te minder mocht men ophouden.--PHILECOUS: Zoo gaat 't altijd met spelers: alsof 't niet veel verkieslijker ware slechts weinig te verliezen dan alles.--LALUS: Zoo is het. De goudzoeker zwoer bij al wat heilig was, dat hij nooit zóó bedrogen was. Maar nu de fout eenmaal ontdekt was, zou alles nu verder wel goed gaan en hij zou deze uitgaaf met grooten woeker vergoeden. De glazen worden geruild en ten derden male wordt de werkplaats ingericht. De alchemist gaf een aanwijzing dat de zaak beter zou lukken, wanneer men aan de Heilige Moeder die (zooals u bekend is) aan de Zeestad vereerd wordt, eenige goudstukken ten geschenke zond. Dat 't immers een heilige kunst was en dat de zaak niet goed kon afloopen zonder de begunstiging der goden. Dien raad vond Balbinus uitstekend, zoo'n vroom man, die geen dag liet voorbijgaan zonder zijn godsdienstplichten te vervullen. De goudmaker nam de bedevaart op zich, wel te verstaan naar een nabijgelegen stadje waar hij 't geld, als offer bestemd voor 't vrome doel, verbraste in allerlei slechte huizen. Teruggekeerd verklaart hij dat er nu gegronde hoop is om de zaak naar wensch te doen afloopen: zóó duidelijk had de Heilige Maagd hare goedkeuring aan hun plannen te kennen gegeven. Men arbeidde nu een geruimen tijd naarstig in de werkplaats, maar er kwam geen schijntje goud Voor den dag. Balbinus kreeg op zijn vraag hoe 't er toch mee stond, van den alchemist ten antwoord, dat hem in zijn heele leven nog nooit iets dergelijks was overkomen, terwijl hij toch zooveel ondervinding van de kunst had. En evenmin kon hij met eenige zekerheid gissen, wat de reden toch wel kon zijn. Toen zij lang hadden geraden, schoot aan Balbinus eindelijk _dit_ in de gedachte, of de ander soms op dien dag de mis had verzuimd, of de zoogenaamde uren-gebeden had vergeten te bidden: want als men deze overslaat, dan kan niets gelukken. De bedrieger riep toen uit: "daar heb-je het al! Je hebt gelijk! Ik domoor, heb een paar malen uit onachtzaamheid dat verzuim begaan, en nog kort geleden ben ik van een diner dat wat lang geduurd had, opgestaan, zonder 't Ave Maria te bidden." Balbinus zei 't dan ook heel natuurlijk te vinden dat de zaak geen succes had. De goudmaker nam nu op zich, voor de twee verzuimde missen, er twaalf te gaan hooren en voor 't nagelaten Ave Maria er tien op te zeggen. Maar, onze alchemist, die heel wat geld aan kon, was weer eens platzak. Redenen om van Balbinus een voorschot te vragen waren er niet. Nu nam hij het volgende kunstje te baat. Geheel buiten adem komt hij het huis van Balbinus binnen loopen en roept met jammerende stem: "Balbinus ik ben een verloren man! Geheel verloren! 't Is gedaan met mij!" Balbinus stond verstomd en verlangde de oorzaak van zoo'n groot ongeluk te weten. "De heeren van het hof hebben er lucht van gekregen wat we gedaan hebben en ik verwacht niet anders dan dat ik spoedig naar de gevangenis zal worden gebracht." Ook Balbinus werd nu in ernst bleek van schrik. Want gij weet dat 't bij ons een halsmisdaad is, als iemand zich afgeeft met alchemie zonder uitdrukkelijke toestemming van den vorst. De ander gaat voort en zegt: "Ik vrees nu wel niet den dood; ik wilde zelfs dat mij die trof! Maar ik ben bang voor iets ergers." Op de vraag: wat dat dan wel was, antwoordde hij: "Ik zal ergens naar een vesting gesleept worden. Daar zal ik mijn geheele leven dwangarbeid moeten verrichten voor menschen, voor wie ik dat niet doen wil. Is niet elke dood boven zulk een leven te verkiezen?" Nu werd er over de zaak gesproken en gepraat en beraadslaagd en ze werd van alle kanten bekeken. Balbinus die in de loopjes van de rhetorica doorkneed was, ging alle zoogenaamde geschilstaten door, om te zien of hij 't gevaar kon ontkomen. "Kunt ge," zoo vroeg hij, 't misdrijf niet loochenen?" "Volstrekt niet. De zaak is bekend onder de hovelingen van den koning en ze hebben bewijzen die niet ontzenuwd kunnen worden." 't Feit kon zelfs niet verdedigd worden omdat de wet op dit punt klaar en duidelijk was. Toen er veel in 't midden was gebracht en nergens eenig hoû-vast te vinden was, zei eindelijk de alchemist die onmiddellijk geld noodig had: "Balbinus, wij zitten hier nu plannen te beramen en maken geen voortgang. En toch eischt de zaak een oogenblikkelijke afdoening. Over enkele minuten zullen de gerechtsdienaren hier zijn om mij weg te sleepen." Toen Balbinus geen uitredding kon verzinnen, zei eindelijk de alchemist: "Er wil mij ook niets te binnen schieten. Ik geloof niet dat mij iets rest dan dat ik manmoedig sneef. Of we moesten bijgeval besluiten tot 't eenige redmiddel dat ik nog zie, meer afdoende dan eervol, waarvoor de eenige verontschuldiging is dat nood wet breekt. Ge weet: dat slag van menschen is tuk op geld en laat zich vrij gemakkelijk omkoopen om te zwijgen. Al is het ook nog zoo hard aan zulk gespuis geld te geven om dat weer gauw te verbrassen, zoo zie ik toch voor het oogenblik geen betere uitkomst." Balbinus was van dezelfde gedachte en hij telde dertig goudstukken neer om daarvoor het verlangde stilzwijgen te koopen.--PHILECOUS: Nu wat ge me daar vertelt geeft mij wel een groot denkbeeld van de scheutigheid van Balbinus.--LALUS: Daarentegen zou je hem, wanneer 't een fatsoenlijke zaak gold, eerder een tand uit zijn mond geslagen hebben dan geld uit zijn beurs. Zoo werd er voor den goudzoeker gezorgd, die geen ander gevaar had geloopen dan dat hij geen geld had voor zijn liefje.--PHILECOUS: Ik vind 't verwonderlijk dat Balbinus 't niet in de gaten kreeg.--LALUS: Ja op dit punt mist hij, als men 't goed beschouwt, elk waarnemingsvermogen, hij die anders zoo'n scherpen neus heeft. Weer wordt met een nieuwe bijdrage de oven gestookt, maar eerst een schietgebedje tot de Heilige Maagd opgezonden dat Zij hun pogingen zou willen begunstigen. Bijkans een heel jaar was reeds voorbijgegaan en nu eens onder dit, dan eens onder dat voorwendsel werd de moeite verspeeld en gingen de kosten verloren. Intusschen viel er iets kluchtigs voor.--PHILECOUS: Wat dan?--LALUS: De goudmaker had verboden omgang met de vrouw van één der heeren van het hof. Haar echtgenoot, die argwaan had gekregen, begon onzen vriend na te gaan. Toen hem eindelijk eens werd bericht dat de priester zich in de slaapkamer van zijn vrouw bevond, keert hij onverwacht naar huis terug en klopt aan de deur.--PHILECOUS: Wat wilde hij den kerel doen?--LALUS: Nou, niet veel vriendelijks! Hem dooden of hem voor goed onschadelijk maken en de gelegenheid benemen ooit weer zijn streken uit te halen. Toen de echtgenoot nadrukkelijk dreigde dat hij de deur zou intrappen als zijn vrouw niet opendeed, liep de priester angstig heen en weer, en keek rond naar een redmiddel dat hem voor 't oogenblik zou kunnen helpen. Maar er was niets te doen, dan hetgeen de gelegenheid op dat pas aanbood. Hij trok zijn kleeren uit en sprong door een nauw venster naar beneden, wat nog al gevaarlijk was en hem lichaamsletsel bezorgde: maar hij wist te ontkomen. Nu, ge weet zulke histories gaan onmiddellijk als een loopend vuurtje rond. En zoo komt 't dan ook Balbinus ter oore. Onze kunstenaar was daarop ook wel voorbereid.--PHILECOUS: Ha, nu zit onze slimmerd toch in de klem.--LALUS: Mis! Hij komt hier nog beter vandaan dan uit 't slaapvertrek van de dame. Hoor eens naar de streken van den guit. Balbinus vroeg hem nergens naar, maar zijn strak gezicht toonde genoegzaam aan, dat hij wist wat er onder de menschen werd verteld. De ander wist dat Balbinus een vroom man was, in sommige opzichten zelfs bijgeloovig. En menschen van dien aard schenken licht aan een schuldige die om vergiffenis vraagt, vergeving, al is hun zonde ook nog zoo groot. Met opzet begon hij er dus over te spreken hoe 't met de goudmakerij ging, terwijl hij er over klaagde dat de zaak niet zóóveel succes had als hij wel gewoon was of als hij wel wilde. Hij voegde er tevens aan toe dat hij er verwonderd over was, wat er toch eigenlijk aan haperde. Nu wordt Balbinus die anders 't stilzwijgen had willen bewaren, boos--en dat werd hij nog al licht--: "'t Ligt volstrekt niet in het duister wat er in den weg staat: de zonden werken ons tegen en verhinderen dat we een goeden uitslag krijgen bij dat, wat alleen door reinen rein mag worden ter hand genomen." Bij dezen uitval viel de goudmaker op zijn knieën, terwijl hij zich op de borst sloeg. Met tranen op 't gelaat en tranen in zijn stem sprak hij: "Balbinus: 't is alles waarheid wat je daar zegt: 't zijn zonden die een belemmering zijn, maar niet uwe zonden, maar de mijnen. Ik schaam er mij niet voor bij u schuld te belijden, als bij een heilig priester. De zwakheid des vleezes had mij overwonnen, en de Duivel had mij in zijn netten verstrikt. Wee mij, van priester ben ik een overspeler geworden! Maar de gave die wij aan de Heilige Maagd gezonden hebben is toch niet geheel te vergeefs geweest. Ik zou zeker geheel verloren zijn, als Zij mij niet te hulp was gekomen. De door mij bedrogen echtgenoot bonsde al op de deur, en 't venster was te nauw dan dat ik daardoor kon ontsnappen. In dat oogenblik van dreigend gevaar dacht ik aan de Heilige Maagd. Ik viel op mijn knieën, ik smeekte Haar mij te helpen, als onze gave Haar welgevallig was geweest. Na enkele oogenblikken ga ik weer naar 't venster (de nood drong; ik _moest_ wel) en ... ik vond het venster ruim genoeg om mij door te laten."--PHILECOUS: En geloofde Balbinus dat alles?--LALUS: Of hij het geloofde? Ja zelfs schonk hij hem vergiffenis en drukte hem op 't hart dat hij zich vroom moest gedragen en zich niet ondankbaar moest betoonen tegenover de Heilige Maagd. En wéér is hem geld uitbetaald, toen hij beloofd had, dat hij voortaan het heilige werk op reine wijze zou volbrengen.--PHILECOUS: Nu, en 't slot?--LALUS: O, 't verhaaltje is nog lang niet uit; maar ik zal 't kort maken. Toen hij met dergelijke verzinsels den man lang om den tuin had geleid en een aardige som gelds van hem had losgekregen, kwam eindelijk iemand op de proppen die den praatjesmaker van jongs af had gekend. Hij kon gemakkelijk gissen dat de kerel bij Balbinus 't zelfde spelletje speelde dat hij ook elders had gespeeld. Hij gaat dus in stilte naar Balbinus en licht hem in wat voor snaak hij in zijn huis koesterde. Hij raadt hem aan den kerel zoo spoedig mogelijk de deur te wijzen, wanneer hij soms niet wilde dat hij hem eens zou zien verdwijnen, na zijn kas geplunderd te hebben.--PHILECOUS: En wat deed Balbinus? Hij liet toch natuurlijk den spitsboef in de gevangenis opsluiten?--LALUS: In de gevangenis? Ja, dat kun-je begrijpen! Hij betaalde hem nog een reisgeld uit en bezwoer hem bij al wat heilig is, dat hij niet zou vertellen wat er gebeurd was. En mijns inziens deed hij daaraan verstandig, liever dan dat hij een onderwerp werd van praatjes in kroegen en op straat en misschien nog groot gevaar zou loopen zwaar beboet te worden. Want de bedrieger liep in het geheel geen gevaar. Hij wist niets meer van de goudmakerskunst dan iedere ezel. De bedriegerij is daarbij nogal in een voordeelige positie. Als Balbinus hem van diefstal had willen beschuldigen, dan zou zijn priesterzalving hem tegen doodstraf door ophanging hebben beschermd en niemand wil graag zoo'n doodvreter langen tijd in de gevangenis den kost geven.--PHILECOUS: Ik zou medelijden met Balbinus hebben, wanneer hij niet zelf gewild had bedrogen te worden.--LALUS: Maar nu moet ik naar het Hof. Bij een andere gelegenheid zal ik je wel eens geschiedenisjes vertellen die nog zotter zijn dan deze.--PHILECOUS: Heb ik tijd, dan zal ik er graag naar luisteren en je er een historie voor in ruil vertellen.

NOOT:

[1] Namen, zooals Erasmus ze gaarne bezigt, beteekenend: Hoorgraag en Praatgraag.

* * * * *

DE PAARDENKOOPER

AULUS EN PHAEDRUS.

Dat paardenkoopers, óók in Erasmus' tijd, reeds in niet al te goeden naam van eerlijkheid stonden, bewijst de volgende samenspraak. Nadere verklaring heeft de inhoud niet noodig: de zaak is oud en hoog-modern.

Naar Erasmus' eigen woorden heeft hij deze samenspraak geschreven, om de jongelieden van zijn tijd te laten zien, dat men een modern onderwerp, van alledaagschen aard ook in het deftige latijn, los, luchtig en opgewekt kan behandelen.