Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus

Part 6

Chapter 62,751 wordsPublic domain

[84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.

[85] "Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet." Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.

[86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz. 6.

[87] Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer et ses dessins, 1882.

[88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.

[89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.

[90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631 vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523 aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor heelen kon!"

[91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema, 1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.

[92] Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.--Gravure naar dit portret bij Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.

[93] Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II 501 vgg.

[94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.

* * * * *

ERASMUS

SAMENSPRAKEN

* * * * *

CHARON

De veerman van de onderwereld.

PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS.

Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik den oorlog tusschen de Christenen."

CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON: Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen, rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON: De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR: Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen als de Furiën zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen. Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON: Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu, maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet, zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON: Verstandige menschen!--ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip noodig?--CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.--ALASTOR: Door de menigte van dooden?--CHARON: Wel natuurlijk.--ALASTOR: Maar je vaart toch maar alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een onbeteekenend gewicht!--CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een boot.--ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.--CHARON: Ik geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt, die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte, keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de oorlog.--ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel gewicht meebrengen.--CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld en al, omgekomen zijn.--ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne schim en de andere.--CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?--ALASTOR: Wel, als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.--CHARON: Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere zaken.--ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen toch naakt hierheen?--CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen mee.--ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?--CHARON: Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht hebben?--ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld meebrengen.--CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.--ALASTOR: Jij geluksvogel!--CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags schatrijk zult worden.--CHARON: Wegens de menigte van schimmen?--ALASTOR: Ja!--CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen, hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een schuit.--ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te vangen.--CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie jaren rijk worden.--ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw winst is kleiner, maar ook zekerder.--CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de maan.--ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ... 't is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan? Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben toch Vulcanus.--CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig had.--ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen ontbieden.--CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan timmerhout.--ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen bosschen meer?--CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche velden zijn opgebruikt.--ALASTOR: Waarvoor?--CHARON: Voor het verbranden van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.--ALASTOR: Wat? Kunnen die schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?--CHARON: 't Is Rhadamanthus die aldus besloot.--ALASTOR: En als je nu een boot gekocht hebt, hoe kom je dan aan de riemen?--CHARON: Mijn taak is 't het roer te hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over willen.--ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te roeien.--CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of ze 't geleerd hebben al dan niet.--ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!--CHARON: Nu wat is er?--ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de menigte van schimmen overstelpt wordt.--CHARON: Ja, je zult er al meer dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.

NOTEN:

[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning van Frankrijk.

[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer plaatsen in zijn geschriften doet.

[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.

* * * * *

DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK

EULALIE, XANTIPPE.

Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht, o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig zeker in vergelijking met die van onzen tijd.