Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus
Part 18
NOTEN:
[1] Minos, koning van Creta, om zijn rechtsgevoel als beoordeelaar over de schimmen in de onderwereld aangesteld.
[2] Volgens het Latijnsch spreekwoord: "Ik heb in plaats van een schat houtskool gevonden: d.i. een pot met houtskool in plaats van een pot met geldstukken.
* * * * *
SCHIPBREUK
ANTOON EN ADOLF.
Een der vlijmendste en scherpste samenspraken van Erasmus, waarin hij de bijgeloovigheden zijner tijden geeselt en striemt. In levendige trekken schildert de schrijver een schipbreuk en bespot daarbij de dwaasheid der menschen, die, in plaats van in de bange ure van den dood op God te vertrouwen, hun toevlucht nemen tot allerlei Heiligen, geloften afleggen, die ze toch niet van plan zijn te houden. Het is een meesterlijk volgehouden ironie; bijkans elke regel is een zweepslag, een striem, een duw tegen de schijnvroomheid en het bijgeloof van Erasmus' tijd: het geheel een eerepalm voor het verlichte genie en den waren godsdienstzin van onzen Erasmus.
ANTOON: Wat je daar vertelt is vreeselijk. Is dàt varen? God verhoede dat mij ooit zóó iets in de gedachte kome.--ADOLF: Neen, maar wat ik je tot hiertoe heb verteld is nog niets vergeleken bij 't geen je nu zult vernemen.--ANTOON: 'k Heb al meer dan genoeg narigheid gehoord. Ik ril bij je verhaal alsof ik er zelf bij ben.--ADOLF: Na gedanen arbeid is het zoet rusten. In dien nacht gebeurde er iets wat bijna alle hoop op redding aan den kapitein benam.--ANTOON: Wat dan?--ADOLF: 't Was een half donkere nacht en hoog in den mast stond een van de matrozen op den uitkijk. Hij keek rond of hij ook land zag. Een soort van vuurbol vormde zich om hem heen. Dat is voor zeelui een heel slecht Voorteeken als 't maar één kring is: zijn het er twee, dan is 't gunstig. In de oudheid hield men die beide vuurkringen voor de verschijning van de halfgoden Castor en Pollux.--ANTOON: Wat hebben die met 't zeevolk te maken, daar de één ruiter en andere vuistvechter was?--ADOLF: Ja, dat is nu zoo'n uitvinding van de dichters. De man aan het roer riep: "Maat," (want met dien naam spreken zeelieden elkander aan), "zie je wel wat voor gezelschap je daar aan je zijde hebt?" "Ik zie 't," zei de ander, "en ik hoop dat 't geluk zal brengen." Dadelijk daarop gleed de vuurbol langs 't touwwerk naar beneden en viel vlak voor de voeten van den stuurman neer.--ANTOON: En die was zeker half dood van den schrik?--ADOLF: Och, zeelui zijn aan buitengewone dingen gewend. Een oogenblik bleef de bal daar liggen en rolde toen langs de gangboorden van 't schip, gleed door één van de openingen heen en verdween. Tegen den middag begon 't hoe langer zoo meer te spoken. Heb je de Alpen wel eens gezien?--ANTOON: Ja.--ADOLF: Nu, die bergen zijn maar wratten, vergeleken bij de golven van de zee. Zoo vaak we omhoog getild werden, hadden we de maan met onzen vinger kunnen aanraken; zoo dikwijls we in de diepte gesleurd werden had 't er veel van, alsof we door de gespleten aarde regelrecht naar de onderwereld gingen.--ANTOON: Wat zijn de menschen toch dwaas die zich aan de gevaren van de zee blootstellen!--ADOLF: Terwijl de matrozen tevergeefs tegen den storm trachten op te tornen, komt de kapitein, bleek als een doode, bij ons.--ANTOON: Die bleekheid voorspelt een groot ongeluk.--ADOLF: "Vrienden," zegt hij, "ik ben 't stuur over mijn schip kwijt: de wind is mij de baas. Er schiet niets over dan dat wij onze hoop op God stellen en dat iedereen zich op 't uiterste voorbereidt."--ANTOON: Dat is krasse taal.--ADOLF: "In de allereerste plaats moet 't schip ontlast worden: 't _moet_; al is 't een hard middel. Maar 't is beter voor ons leven te zorgen door verlies van 't een en ander, dan tegelijk met dit laatste ook zelf om-koud te gaan." Wij begrepen dat hij waarheid sprak en tal van balen en kisten met kostbare koopwaar werden overboord geworpen.--ANTOON: Dat was met recht een _kwade worp_.--ADOLF: Er was ook een Italiaan bij ons gezelschap die een gezantschap had vervuld bij den koning van Schotland. Hij had een kist bij zich vol met zilverwerk, ringen, lakens en zijden stoffen.--ANTOON: En wilde de Italiaan die niet aan de zee afstaan?--ADOLF: Neen, hij wilde met zijn dierbare schatten naar den kelder gaan of mèt hen gered worden. En zoo verweerde hij zich.--ANTOON: Wat deed de kapitein?--ADOLF: Die zei: "Voor mijn part mag je met den heelen rommel verdrinken; maar 't gaat toch niet aan dat wij allen terwille van die kist kans loopen ons leven te verliezen? Weet dus wat je doet: anders werpen wij je mèt je kist in zee."--ANTOON: Dat is flinke zeemanstaal.--ADOLF: De Italiaan moest dus evengoed zijn kostbaarheden missen, al vloekte hij ook tegen hemel en hel dat hij zijn leven aan zoo'n barbaarsch element had toevertrouwd.--ANTOON: Aan dat woord _barbaarsch_ herken ik weer den Italiaan.--ADOLF: Kort daarop scheurden de winden, die door onze geschenken niet in 't minst zachter gestemd waren, het touwwerk, het want en de zeilen aan stukken en flarden.--ANTOON: Genadige hemel!--ADOLF: Daar komt de kapitein wéér aan.--ANTOON: Wéér om een woord te spreken?--ADOLF: Hij nam zijn muts af en sprak: "Vrienden, 't is tijd dat ieder zich aan God aanbeveelt en zich tot den dood voorbereidt." Op de vraag van eenigen die van de zeevaartkunst iets afwisten, hoeveel uren ongeveer hij meende 't schip nog te kunnen houden, zei hij niets te kunnen beloven, maar dat 't zeker niet langer zou kunnen zijn dan drie uren.--ANTOON: Die taal klonk nog harder dan de vorige.--ADOLF: Toen hij dit gezegd had liet hij alle touwen kappen, den mast tot aan den ontvangkoker waarin hij past, afzagen, en vervolgens met ra's en al in zee werpen.--ANTOON: Waarom dat?--ADOLF: Omdat hij toch maar tot last was en niet tot nut als de zeilen waren weggenomen of verscheurd. Alle hoop was nu nog op 't roer gevestigd.--ANTOON: Wat deden intusschen de matrozen?--ADOLF: Daar zou je eens een jammerlijken toestand gezien hebben. Matrozen zongen luidkeels: 't "Wees gegroet, Hemelskoningin" en riepen den bijstand in van de Heilige Maagd, terwijl ze haar allerlei namen gaven van: "Star der zee, Heerscheres der wereld, Haven des heils," en allerlei andere vleiende titels die de Heilige Schrift haar nergens toekent.--ANTOON: Wat ter wereld heeft Zij met de zee te maken die toch nooit op zee gevaren heeft, voor zoover ik weet?--ADOLF: In den ouden tijd waren de zeelieden toevertrouwd aan de zorg van Venus, omdat men geloofde dat deze uit de zee geboren was. Maar sedert zij ophield er zich mee te bemoeien, is de Moedermaagd in de plaats getreden van de moeder die geen maagd was.--ANTOON: Spotter die je bent!--ADOLF: Sommigen lagen geknield op het dek en baden tot de zee, terwijl ze al wat er aan olie aan boord was op de golven uitgoten, evenzoo vriendelijk en vleiend smeekend als men gewoonlijk tot een vertoornden grooten heer spreekt.--ANTOON: Wat zeiden ze dan?--ADOLF: "O allergoedertierenste zee! o grootmoedige zee! o rijke zee! o allerschoonste zee! Word kalm. Red ons." Tal van dergelijke uitingen lieten zij de zee aan haar doove ooren hooren.--ANTOON: Wat een dwaas bijgeloof. En de overigen?--ADOLF: Sommige passagiers waren maar altijd zeeziek: de meeste deden allerlei geloften. Er was een Engelschman bij, die gouden bergen beloofde aan de Heilige Maagd van Walsingham, wanneer hij heelhuids den vasten grond mocht bereiken. Anderen beloofden veel aan 't Heilige Kruishout te zullen geven dat zich op deze of gene plaats bevindt. 't Zelfde geschiedde met de Heilige Maagd die op verschillende plaatsen wordt vereerd, en ze houden de gelofte voor ongeldig, als men er niet precies de plaats bij noemt.--ANTOON: Dat is toch belachelijk. Alsof de Heiligen niet in den hemel hun verblijfplaats hebben!--ADOLF: Daar waren er zelfs bij, die beloofden dat ze Karthuizer monnik zouden worden. Eén beloofde een bedevaart te zullen doen naar Sint Jacob van Compostella en wel barrevoets, blootshoofds, 't lichaam slechts bedekt met een stalen harnas, den kost verdienend met bedelen.--ANTOON: Dacht niemand aan Sint Christoffel?--ADOLF: Ik hoorde er een, (en ik deed dat niet zonder lachen) die met luider stemme, om toch vooral goed verhoord te worden, aan Sint Christoffel die te Parijs in de Kathedraal staat, (een beeld zoo groot als een berg) een waskaars beloofde, zoo groot als 't beeld zelf is. Terwijl hij dit met luid geschreeuw zoo hard hij kon uitbulderde, stootte zijn buurman die naast hem stond en een goede kennis van hem was, hem met den elleboog aan en zei waarschuwend tot hem: "Weet wel wat je belooft? Al houd je ook een verkoop van al wat je bezit dan kun-je 't nog niet betalen." Toen zei de ander op gedempten toon (natuurlijk mocht Sint Christoffel dit niet hooren): "Houd je mond, malloot! Denk je dat ik meen wat ik zeg? Als ik maar éénmaal vasten grond onder de voeten heb, dan krijgt hij niet anders dan een vetkaars."--ANTOON: Wat een stommerik! Dat zal wel een Hollander geweest zijn.--ADOLF: Neen, 't was een Zeeuw.--ANTOON: Het verwondert me dat niemand dacht aan den Apostel Paulus, die zelf ook een zeetocht heeft gedaan en zich uit de schipbreuk aan land redde. Paulus kende die rampen bij ondervinding en had geleerd ongelukkige lotgenooten behulpzaam te zijn.--ADOLF: Aan Paulus werd niet gedacht.--ANTOON: Baden ze intusschen ook?--ADOLF: Ja: de één al vuriger dan de ander. De één zong 't "Salve Regina," een ander zei op: "Ik geloof in God den Vader." Er waren ook enkelen die bijzondere schietgebedjes hadden, niet ongelijk aan tooverformules tegen gevaren.--ADOLF: Wat maakt droefheid de menschen toch vroom! Als iemand in voorspoed is dan denkt hij aan God noch Heiligen. Maar wat deed jij intusschen? Deed jij geen geloften aan één der Heiligen?--ADOLF: Ik dacht er niet over.--ANTOON: Waarom niet?--ADOLF: Omdat ik er niet van houd 't met de Heiligen op een accoordje te gooien. Is het eigenlijk wel iets anders dan een echt contract volgens de rechtsformule: "_Ik_ geef, als _gij_ 't óók doet," of: "_Ik_ zal het doen zoo _gij_ het doet." "Ik zal een waskaars geven als ik niet verdrink; ik zal naar Rome een bedevaart doen als gij mij redt."--ANTOON: Maar riep je de hulp in van den een of anderen Heilige?--ADOLF: Zelfs dat niet.--ANTOON: Waarom toch niet?--ADOLF: Omdat de hemel zoo ontzaglijk groot is. Als ik aan den een of anderen Heilige mijn ziel aanbeveel, stel bijv. aan Sint Pieter, die mij misschien 't eerst zou hooren omdat hij aan de deur staat, dan ben ik al dood vóórdat hij nog bij God is gekomen en vóórdat hij dezen de zaak heeft uiteengezet.--ANTOON: Wat deed-jij dan?--ADOLF: Wel, ik wendde mij rechtstreeks tot God zelf, zeggende: "Onze Vader die in den hemel zijt." Geen der Heiligen verhoort sneller dan Hij of geeft met meer bereidwilligheid wat van Hem gevraagd wordt.--ANTOON: Maar had je intusschen niet wat gewetenswroeging? Zag je er niet tegen op Hem "Vader" te noemen, dien je zoo dikwijls aanstoot had gegeven door verkeerde daden?--ADOLF: Nu, om je de waarheid te zeggen, mijn geweten maakte mij wel ietwat bang. Maar ik vatte weldra moed, terwijl ik zóó bij mij zelf redeneerde: "Er is geen vader zoo vertoornd op zijn zoon of hij zou hem, wanneer hij hem in een maalstroom of in een meer in gevaar ziet, bij de haren grijpen en hem op den oever trekken. Onder allen die aan boord waren hield zich niemand kalmer dan een vrouw met een kindje aan de borst dat zij zoogde.--ANTOON: Wat deed die vrouw dan?--ADOLF: Zij was de eenige die niet schreeuwde, die niet schreide, die geen geloften deed, terwijl ze haar kindje in de armen gekneld hield, bad zij in stilte. Intusschen stiet 't schip op een bank en de kapitein liet er, uit vrees dat 't geheele schip uit elkander zou stooten, aan den voorsteven en aan den achtersteven kabels om heen slaan.--ANTOON: Een treurig hulpmiddel!--ADOLF: In dien tusschentijd komt een oude priester, een zestiger ongeveer, in ons midden. Hij heette Adam. Hij deed zijn kappen van zijn beenen, trok zijn schoenen uit, ontkleedde zich tot op zijn hemd en zei dat we allen 't zelfde moesten doen, om ons gereed te maken door zwemmen ons leven te redden. En zoo stond hij daar midden op 't schip, terwijl hij ons uit den een of anderen ouden theologischen schrijver over de vijf waarheden van het nut van de biecht een preek hield. Zoo spoorde hij ons allen aan om ons op leven en dood vóór te bereiden. Ook was er een Dominikaner bij. Wie wilde kon bij hen te biecht gaan.--ANTOON: En jij?--ADOLF: Toen ik alles zoo in 't ongereede zag biechtte ik God in stilte, terwijl ik bij hem mijn slechtheid bekende en van hem erbarming inriep.--ANTOON: Waarheen zou je gegaan zijn als je eens zóó verongelukt waart?--ADOLF: Dat liet ik aan God, mijn Rechter, over om te beslissen. Immers ik wilde mijn eigen rechter niet wezen. Maar ik voedde intusschen in mijn hart nog wel eenige hoop. Onderwijl keerde de kapitein met tranen in de oogen tot ons terug. "Ieder houde zich bereid. Het schip houdt 't geen kwartier meer uit." Op sommige plaatsen had 't reeds zware lekken, waardoor het veel water binnen kreeg. Even daarna komt de kapitein ons zeggen, dat hij in de verte een kerktoren zag en dat ieder de hulp moest inroepen van den Heilige, wie 't dan ook was, aan wien die kerk gewijd was. Ze vallen allen op hun knieën en roepen den onbekenden Heilige aan.--ANTOON: Als je hem bij zijn naam hadt aangeroepen had hij je misschien wel verhoord.--ADOLF: Maar den naam wisten wij juist niet. Onderwijl stuurde de kapitein in de richting van dien kerktoren zoo goed als 't ging, het gehavende schip, dat veel water in kreeg en zeker uit elkander zou gevallen zijn als 't niet door de kabels omwonden was geweest.--ANTOON: Wat een toestand!--ADOLF: Daar dreven wij dan heen zoodat de bewoners van die plaats ons uit de verte in 't oog kregen en zagen in welk een gevaar wij verkeerden. Zij liepen te hoop naar den zoom van het strand, wuifden met hun kleedingstukken, wenkten ons met hoeden, op stokken gestoken, naar zich toe en gaven ons met omhoog geheven armen te kennen dat zij ons lot bejammerden.--ANTOON: Ik ben nieuwsgierig te vernemen hoe dat afliep.--ADOLF: Het water stond reeds overal in het schip, zoodat we aan boord even groot gevaar liepen te verdrinken als in zee.--ANTOON: Nu had men zijn toevlucht moeten nemen tot 't gewijde anker.--ADOLF: 't Mocht wat! Neen! De matrozen hoozen 't water uit de sloep en laten deze te water. Allen wilden zich tegelijk daarin werpen, terwijl de matrozen riepen, dat de sloep zooveel menschen niet kon bevatten en dat ieder maar moest grijpen wat hij grijpen kon en zoo naar land moest zwemmen. Lange bedenktijd was er niet. De een greep een roeiriem, de ander een boomstok, een derde een trog, weer een ander een waterkuip, een ander een plank en zoo gaf men zich, vol goed vertrouwen op 't geen men gegrepen had, aan de golven over.--ANTOON: En wat gebeurde er intusschen met die vrouw, de eenige die niet jammerde?--ADOLF: Zij landde 't eerst van allen aan de kust.--ANTOON: Hoe kwam dat zoo?--ADOLF: Wij hadden haar op een breede plank geplaatst en zóó vastgebonden dat ze er niet licht kon afglijden. We gaven haar een plank in de hand om die bij wijze van roeiriem te gebruiken en onder onze beste wenschen stieten wij haar in de golven, haar een zetje gevende met een boomstok; want ze mocht niet dicht bij 't schip blijven: dat was gevaarlijk. In haar linkerarm hield zij haar kindje gekneld, met haar rechterhand roeide zij.--ANTOON: Dat was een manhaftige vrouw!--ADOLF: Toen er niets meer te grijpen viel, rukte nog iemand ten laatste 't houten beeld der Heilige Maagd los, dat vermolmd en uitgehold was door muizen. Met dit beeld in zijn arm begon hij te zwemmen.--ANTOON: Kwam de boot goed en wel aan land?--ADOLF: Niets van dat alles ging eerder naar den kelder. Er hadden zich wel dertig menschen ingeworpen.--ANTOON: Hoe kwam 't dat ze zoo jammerlijk verging?--ADOLF: Nog vóórdat men de boot van 't schip had kunnen losmaken sloeg ze door 't slingeren om.--ANTOON: Hoe vreeslijk! En verder?--ADOLF: Nu, terwijl ik anderen hielp, had ik er bijkans 't loodje bij gelegd.--ANTOON: Hoe zoo?--ADOLF: Omdat er niets meer over was waaraan ik mij onder 't zwemmen kon vasthouden.--ANTOON: Daar zou een kurken zwemgordel goed geholpen hebben.--ADOLF: Nu, 'k wil je wel verzekeren dat ik op dat oogenblik meer om een zwemgordel zou gegeven hebben dan om een zwaren, gouden luchter. Toen ik overal rondkeek viel mijn aandacht eindelijk op 't onderste gedeelte van den mast. Maar ik kon dat niet alleen loskrijgen en ik roep dus de hulp van een ander in. Ons vastklampend aan dat stuk mast werpen we ons in de golven, _ik_ aan den rechter kant, hij links. Terwijl we zoo ronddobberen werpt zich die priester, die aan boord de preek gehouden had, midden tusschen ons in. 't Was iemand groot van stuk. Wij riepen: "wie is die derde man? Die zal ons allen te zamen doen verdrinken." Bedaard gaf hij ten antwoord: "Houdt maar goeden moed: daar is ruimte genoeg: God zal ons wel helpen."--ANTOON: Hoe kwam hij er toe pas zoo laat te water te gaan?--ADOLF: Wel, hij zou mee in de boot zijn gegaan tegelijk met den Dominikaner: want allen gunden hem de eer. Maar ofschoon zij over en weer elkaar in de biecht hadden genomen, gingen zij, naar 't schijnt iets vergeten hebbende, opnieuw bij elkander te biecht en legde de een den ander de hand op 't hoofd. De boot sloeg intusschen om, zoo vertelde mij priester Adam.--ANTOON: En hoe ging 't met den Dominikaner?--ADOLF: Onder aanroeping van de hulp der Heiligen ging hij na al zijn kleeren te hebben uitgetrokken naakt te water.--ANTOON: Welke Heiligen riep hij aan?--ADOLF: Dominicus, Thomas, Vincentius en den een of anderen Petrus, maar voornamelijk had hij zijn hoop gebouwd op Sinte Katrijn van Siëna.--ANTOON: Dacht hij niet aan Christus?--ADOLF: Ik vertel wat de priester mij verteld heeft.--ANTOON: Hij zou eerder uit 't water gered zijn als hij zijn monnikspij had aangehouden. Hoe kon Sinte Katrijn van Siëna hem nu herkennen, daar hij die had afgelegd? Maar vertel nu verder over je zelven.--ADOLF: Terwijl wij nog in de buurt van 't schip dobberen, dat als een speelbal van de golven heen en weer slingert, verplettert het roer waar we tegen aan slaan het dijbeen van mijn kameraad, die aan den linkerkant op den mastbalk zat. Zoo werd hij er afgesleurd: de priester bad hem een eeuwige rust toe en kroop op zijn plaats. Hij drukte mij op het hart moedig mijn hoek vast te houden en flink met mijn voeten te trappen. We kregen intusschen heel wat zout water in. Zoo had Neptunus ons niet alleen een zout bad maar ook een zouten drank bereid. De priester bedacht daartegen een middeltje.--ANTOON: Welk?--ADOLF: Zoo vaak een golf tegen ons opkwam draaide hij er 't achterhoofd tegen in terwijl hij zijn mond gesloten hield.--ANTOON: Die bejaarde man was toch per slot van rekening een flinke kerel.--ADOLF: Toen we een poos zoo rondgedreven hadden en al een eindje gevorderd waren zei de priester, die nog al flink uit de kluiten gewassen was: "Vat moed: ik voel grond." Ik durfde op zooveel geluk niet hopen en zei: "We zijn nog veel te ver van de kust dan dat we al grond kunnen verwachten." "Neen," zei hij, "ik voel grond met mijn voeten." "'t Is misschien," zei ik weer, "één van de kisten die de zee hier heen heeft gewenteld." "Neen, aan 't schuren van mijn teenen voel ik duidelijk den zandbodem." Toen we nòg een poosje hadden rondgedobberd en hij weer grond voelde zei hij: "Doe jij wat je 't beste toeschijnt: ik laat je den mast geheel over en waag me in 't ondiepe water." Hij wachtte even tot de golven weer afstroomden en liep op zijn voeten zoo hard hij kon in 't water voort. En toen de branding weer kwam aanrollen zette hij zijn beide handen op de knieën en zette zich schrap tegen de golven in, terwijl hij onder 't water dook zooals duikervogels en eenden dat doen: toen de golfslag weer terugzoog, stak hij 't hoofd omhoog en liep opnieuw hard vooruit. Daar ik zag dat hem dit goed gelukte volgde ik zijn voorbeeld. Op het strand stonden mannen die, met zeer lange stokken op een rij elkander steunend, zich tegen 't geweld der golven staande hielden. 't Waren pootige kerels, gewend aan 't water. De voorste van hen reikte aan den naastbijzijnden zwemmer een stok toe. Als de schipbreukeling dien maar éénmaal beet had, werd hij veilig op 't droge getrokken, wanneer de mannen achteruit gingen op 't strand. Zoo werden er verscheidene passagiers van 't schip gered: wel zeven; maar twee zijn toen ze bij 't vuur gelegd werden, bezweken.--ANTOON: En met je hoevelen was je op het schip?--ADOLF: Achtenvijftig koppen.--ANTOON: Wat is die zee toch wreed! Was ze ten minste maar tevreden met een tiende--daarmee is de geestelijkheid zelfs tevreden. Om van zulk een aantal maar zóó weinig in 't leven te laten, dat is hard.--ADOLF: Toen hebben wij de haast ongelooflijke menschlievendheid ondervonden van dat volkje aan zee, dat ons alles met de grootste bereidwilligheid verschafte: huisvesting, verwarming, eten, kleeren, reisgeld.--ANTOON: Wat voor landslui waren 't?--ADOLF: Hollanders.--ANTOON: Ja, die zijn de gepersonifiëerde menschlievendheid, al zijn ze ook omringd door halve barbaren. Maar 'k denk dat je nu wel genoeg hebt van de zee en Neptunus niet weer zult gaan opzoeken?--ADOLF: Neen, waarlijk niet, als God mij ten minste mijn gezond verstand laat behouden.--ANTOON: Nu, ik hoor ook liever van dergelijke ongevallen _vertellen_ dan dat ik ze _beleef_.
* * * * *
VREKKIGE RIJKDOM
JACOB EN GILBERT.
Waar de onmogelijke vrek woonde (ergens in Italië wellicht?) bij wien onze vriend Gilbert in den kost was--wie zal 't zeggen? Maar dat hij 't er slecht had, is zeker. Nòg zekerder, dat Gilbert een dwaas was, dat hij het er zóó lang uithield. Hoe het zij: Erasmus geeft in deze samenspraak uiting aan zijn afkeer van schraapzucht en schrielheid op spottende wijze. De aartsgierigaard wordt belachelijk gemaakt--maar tevens toch ook aan de menschen de matigheid aangeprezen; want al is Erasmus 't niet eens met hen, die beweren dat men nooit te weinig kan eten, hij geeft toch wèl den raad: eet niet te veel; men kan 't over het algemeen met minder voedsel af, dan wij doorgaans tot ons nemen.
In zoover is zijn raad zeker zeer verstandig, al is de schilderij van den vrek niet van overdrijving vrij te pleiten.