Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus

Part 14

Chapter 142,819 wordsPublic domain

MENEDEMUS: Wat is dàt voor vreemds? Zie ik daar niet mijn buurman Ogygius, die al zes maanden lang voor iedereen onzichtbaar was? Men vertelde dat hij dood was. Ja waarachtig, hij is 't in eigen persoon of ik lijd aan hallucinaties. 'k Zal naar hem toegaan en hem aanspreken. Goeden dag, Ogygius.--OGYGIUS: 't Zelfde, Menedemus.--MENEDEMUS: Uit welke streek ben je nu heelhuids teruggekeerd? Want de droeve mare had zich hier verbreid dat je naar de onderwereld verzeild geraakt waart.--OGYGIUS: Neen, God zij dank! in dien tusschentijd was ik zóó gezond als ik vroeger zelden of nooit geweest ben.--MENEDEMUS: Nu ik hoop dat je steeds dergelijke praatjes op dezelfde manier kunt weerleggen. Maar wat zie je er vreemd versierd uit? Bekranst ben je met aaneengeregen schelpjes, aan alle kanten zit je vol met tinnen en looden beeldjes en je bent omhangen met halsketens van gevlochten stroo en aan je pols bungelt een rozenkrans, net een sliert slangeneieren.--OGYGIUS: Ik ben bij Sint Jacob van Compostella geweest. Toen ik van daar was teruggekeerd, ging ik naar de Heilige Maagd aan zee, die zoo in eere is bij de Engelschen. Of liever: ik heb haar weer opnieuw bezocht, want voor drie jaren was ik er ook al geweest.--MENEDEMUS: Zeker terwille van je zieleheil?--OGYGIUS: Neen, met godsdienstige oogmerken.--MENEDEMUS: Dan heeft zeker de Grieksche litteratuur die godsdienstige ideeën bij je gewekt?--OGYGIUS: Neen, mijn schoonmoeder had een gelofte gedaan dat als haar dochter een zoon ter wereld bracht, ik in eigen persoon aan Sint Jacob van Compostella onzen dank zou gaan betuigen, een bewijs van onze dankbaarheid zou gaan geven.--MENEDEMUS: En toen ben je den Heilige gaan begroeten alleen maar uit je eigen naam en dien van je schoonmoeder?--OGYGIUS: Neen, uit naam van onze gansche familie.--MENEDEMUS: Nu, ik denk dat je familie even welvarend zou geweest zijn als je den Heiligen Jacob van Compostella _niet_ was gaan begroeten. Maar zeg eens op, wat antwoordde hij toen je hem kwaamt danken?--OGYGIUS: Niets. Alleen verbeeldde ik me dat hij me toelachte en eventjes met 't hoofd knikte, toen ik hem mijn gave bracht en tegelijk liet hij me dit snoer van schelpen overreiken.--MENEDEMUS: Waarom geeft hij je dat bij voorkeur?--OGYGIUS: Wel, daarvan heeft hij een grooten voorraad, omdat de zee in de buurt hem die aan de hand doet.--MENEDEMUS: Wat een vriendelijke Heilige, die kraamvrouwen bijstaat en voor zijn bezoekers ook nog wat over heeft! Maar wat is dat voor een vreemde manier van geloften doen, dat men zelf rustig thuis blijft en door een ander de moeite laat doen, zooals uw schoonmoeder deed? Als _jij_ nu een gelofte gedaan hadt, dat _ik_ (als 't een of ander wat je ondernomen hadt, gelukkig zou uitkomen) tweemaal in een week zou vasten, denk je dan dat _ik_ zou doen wat _jij_ beloofd hadt?--OGYGIUS: Neen, ik denk van niet, zelfs al had-je uit je eigen naam die gelofte gedaan. Want jij maakt er een spelletje van om de Heiligen te bedotten. Maar in _mijn_ geval was 't mijn schoonmoeder; ik moest haar zin wel doen. Je weet hoe 't met vrouwen gesteld is als ze zich eens iets in het hoofd gehaald hebben. En bovendien--'t ging _mij_ toch óók aan.--MENEDEMUS: Wat voor gevaar liep je, wanneer je nu de gelofte eens niet hadt vervuld?--OGYGIUS: 't Is waar, de Heilige kon me niet voor 't gerecht dagen, maar hij zou in 't vervolg doof kunnen zijn voor mijn gebeden of stil een ongeluk over mijn familie kunnen brengen. Je weet: hoe 't met groote heeren gaat!--MENEDEMUS: Zeg me eens, hoe gaat 't met de zaken daar bij dien goeden Jacob?--OGYGIUS: Vrij wat minder florissant dan vroeger.--MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Wordt hij oud?--OGYGIUS: Och, jij grappenmaker. Je weet wel dat Heiligen niet oud worden. Maar die nieuwe leer, die zich zoo over de wereld, verspreidt, maakt dat men hem niet meer zoo druk komt begroeten als vroeger wel de gewoonte was. En áls de menschen nog komen, dan komen ze alleen maar met een begroeting. Geschenken brengen ze niet mee, of 't zijn heel geringe, omdat ze beweren dat men het geld beter kan besteden voor de armen.--MENEDEMUS: Wat een goddelooze leer!--OGYGIUS: En zoo staat daar nu die machtige Apostel die altijd placht te blinken en schitteren van edelsteenen en goud, als een houten pop, ternauwernood met een enkel vetkaarsje.--MENEDEMUS: Nu, wanneer 't waar is wat ik hoor vertellen, dan loopen ook de andere Heiligen groot gevaar dat hun 't zelfde gebeurt.--OGYGIUS: Er is zelfs een brief in omloop die eigenhandig daarover door de Heilige Maagd Maria geschreven is.--MENEDEMUS: Welke Maria?--OGYGIUS: Maria bijgenaamd "Van Steen."--MENEDEMUS: Je bedoelt Maria uit 't land bij Bazel?--OGYGIUS: Juist, die.--MENEDEMUS: Je spreekt me daar dus van een steenen Heilige. Maar aan wien heeft ze geschreven?--OGYGIUS: De naam staat in den brief zelf.--MENEDEMUS: Door wien is de brief bezorgd?--OGYGIUS: Zeker door een engel, die den brief had neergelegd op den preekstoel van den prediker aan wien de brief geadresseerd is. En opdat je niet 't minste bedrog zoudt kunnen vermoeden, zul-je den eigenhandig geschreven brief zelf zien.--MENEDEMUS: Kent ge dan de hand van den engel die particulier secretaris van de Heilige Maagd is?--OGYGIUS: Zeer zeker.--MENEDEMUS: En op welken grond wel?--OGYGIUS: 'k Heb het grafschrift van Beda gelezen, waarvan men zegt dat 't ook door engelen is ingebeiteld. De vorm van de letters in dat grafschrift komen geheel met die van den brief overeen. Ik heb ook het briefje gelezen dat aan den Heiligen Egidius gezonden was. Ook die gelijken precies op de anderen. Is dat alles geen duidelijk bewijs?--MENEDEMUS: Zou ik den brief eens mogen inzien?--OGYGIUS: 't Mag wanneer je er een eed op doet dat je er over zult zwijgen.--MENEDEMUS: 'k Zal zwijgen als een mof.--OGYGIUS: Ja, maar er zijn ook wel moffen, ja zelfs in de geschiedenis zijn zelfs steenen bekend, die op dit punt in kwaden naam staan, omdat ze niets kunnen stilhouden.--MENEDEMUS: Beschouw me dan maar als een stomme, als je een mof zoo weinig vertrouwt.--OGYGIUS: Nu, op die voorwaarde wil ik je den brief voorlezen: spits je beide ooren!--MENEDEMUS: Ze zijn gespitst.--"Maria de Moeder van Jezus groet den priester Donkerschat. Dat gij, in navolging van Luther, de menschen tracht te overtuigen dat het overbodig is de Heiligen aan te roepen, daarvoor ben ik u in zeker opzicht grooten dank verschuldigd. Want vroeger werd ik door de onbeschaamde gebeden der menschen tot vervelens toe gekweld. Zij vroegen van mij alleen alles, alsof mijn Zoon nog eeuwig een kind bleef, omdat hij altijd zoo wordt afgebeeld en afgeschilderd op mijn schoot, alsof hij nog van de genade van zijn moeder afhing en niets aan iemand die hem wat vroeg zou kunnen weigeren, natuurlijk uit vrees, dat ik hem dan wederkeerig de borst zou weigeren als hij zou willen zuigen. Somtijds vraagt men mij, die toch een maagd ben, dingen welke een ingetogen jongman ternauwernood van een gemeene koppelaarster zou durven vragen en welke ik niet waag neer te schrijven. Soms komt een koopman die voor handelszaken naar Spanje op reis gaat, mij de kuischheid van zijn bijzit aanbevelen. Dan weer komt een nonnetje, die vluchten wil uit 't klooster en den sluier wil afwerpen mij vragen, of ik haar ongerepten naam wil beschermen dien ze zelve te grabbelen gaat gooien. Een brutaal soldaat die gehuurd is ter slachting, roept uit: "Heilige Maagd geef me een rijken buit." Een dobbelaar roept: "Begunstig mij, Heilige Maagd: gij zult de winst met mij deelen." En wanneer de dobbelsteen dan geen gunstigen uitslag geeft, dan overladen ze mij met scheldwoorden en moet ik allerlei verwenschingen hooren omdat ik geen schurken wil helpen. De lichtekooi, die met haar lichaam den kost wint, roept mij aan en zegt: "Geef mij een ruime verdienste." En als ik iets weiger, dan moet ik dadelijk hooren: "Dan ben je ook geen Moeder der barmhartigheid!" De beden van anderen weer zijn niet zoo zeer slecht dan wel laf. Een ongehuwde juffrouw bidt: "Maria geef me een rijken en mooien bruigom." Een getrouwde vrouw: "Schenk mij mooie kinderen." Een zwangere vrouw: "Maak mij mijn bevalling licht." Een oude vrouw: "Maak dat ik lang mag leven zonder hoest en zonder dorst." Een oude malle gek: "Geef dat ik weer jong mag worden." Een wijsgeer roept uit: "Maak dat ik onontwarbare wetenschappelijke knoopen kan leggen." Een priester vraagt: "Geef mij een mooie priesterplaats." Een Bisschop vraagt: "Bescherm mijn Kerk." De zeeman: "Verleen mij een veilige vaart." Een gouverneur zegt: "Laat mij uw Zoon zien vóór ik sterf." Een hoveling: "Doe mij in mijn stervensuur eerlijk en naar waarheid mijn zonden biechten." Een boer bidt: "Geef mij regen op tijd." Een boerin: "Bewaar ons klein en groot vee in gezondheid."--Weiger ik iets, dan heet ik dadelijk onbarmhartig. Zoo ik hen naar mijn Zoon verwijs, dan moet ik hooren: "_Hij_ wil alles wat _gij_ wilt." Moet _ik_ in mijn eentje, die maar een vrouw en nog al een maagd ben, hulp verleenen aan varenslieden, krijgers, handelaars, spelers, trouwende paren, zwangere vrouwen, gouverneurs, vorsten en boeren? Maar alles wat ik daar gezegd heb, is nog maar een klein deel van 't geen ik te doorstaan heb. Van dat alles heb ik tegenwoordig veel minder last dan vroeger, en daarom zou ik u van harte dank zeggen, ware het niet dat dit voordeel een veel grooter nadeel met zich meesleepte. Ik heb nu wel veel meer vrijen tijd, maar minder eerbewijzen en minder inkomsten. Vroeger werd ik begroet als "Hemelskoningin," "Meesteres der Wereld," nu hoor ik ternauwernood uit den mond van enkelen een "Ave Maria." Vroeger behing men mij met kostbare steenen en goud, kreeg ik fraaie kleedingstukken in overvloed, werden mij giften in goud en edelsteenen gebracht, tegenwoordig krijg ik ternauwernood een klein manteltje en dat nog wel een waaraan de muizen geknabbeld hebben. De jaarlijksche inkomsten zijn zóó gering geworden, dat ik er ternauwernood een armzaligen kerkdienaar van kan onderhouden om een lampje of een vetkaars voor mij aan te steken. En dat alles zou nog te dragen zijn, wanneer men niet vertelde dat gij nog grooter plannen koestert. Men zegt dat gij 't daarop aanstuurt: alle Heiligen uit de kerken te jagen. Bedenk echter wèl wat gij gaat doen. Den anderen Heiligen ontbreekt 't niet aan de macht om zich te wreken over 't onrecht hun aangedaan. Wanneer ge Petrus uit de kerk werpt, dan kan hij voor u op zijn beurt de deur van den hemel sluiten. Paulus heeft zijn zwaard. Bartholomeus is met een mes gewapend. Wilhelmus heeft onder zijn monnikspij een volledig harnas en draagt daarbij een flinke lans. En wat wilt ge tegen den Heiligen Joris uitrichten, die te paard zit en geheel geharnast is, schrikwekkend door speer en zwaard? Antonius is ook niet ongewapend: hij heeft zijn heilig vuur. En ook de overigen hebben hun wapens of hun kwalen, die ze toezenden aan wien ze willen. Maar mij, ongewapend als ik ben, zul je er niet uitwerpen of 't moest wezen tegelijk met mijn Zoon, dien ik op mijn arm draag. Van hem laat ik me niet scheiden. Ge moet hem met mij uitstooten, of ge moet ons beiden met rust laten, of ge moest soms liever een kerk hebben zonder Christus. Dat wilde ik u even doen weten. Bedenk wat ge mij meent te moeten antwoorden. Want de zaak ligt mij na aan 't harte.--Geschreven uit onze Kerk van Steen den 1en Augustus van het jaar van 't lijden mijns Zoons 1524. Door mij, maagd van Steen eigenhandig onderteekend."--MENEDEMUS: Wel, die brief klinkt dreigend en schrikaanjagend. Pastoor Donkerschat zal dunkt me wel oppassen.--OGYGIUS: Als hij ten minste verstandig is.--MENEDEMUS: Waarom heeft die goede Sint Jacob hem óók niet over dezelfde aangelegenheid geschreven?--OGYGIUS: Dat weet ik niet; misschien omdat hij wat ver af woont en tegenwoordig alle brieven onderschept worden.--MENEDEMUS: Welke goede hoogere Macht heeft je naar Engeland gebracht?--OGYGIUS: Een bijzonder gunstige wind lokte mij er heen en ik had ook zoowat half beloofd aan de Heilige Moedermaagd aan de Zee dat ik haar na twee jaren wéér zou komen bezoeken.--MENEDEMUS: Wat was je van plan haar te vragen?--OGYGIUS: Och, niets bijzonders. Alleen maar die gewone dingen: dat mijn familie gezond mocht blijven, vermeerdering van mijn vermogen, een lang en gelukkig leven hier op aarde en altijddurende gelukzaligheid in 't toekomende.--MENEDEMUS: Kon de Heilige Moeder Gods bij ons u dat dan niet geven? Zij heeft te Antwerpen een vrij wat mooier kerk dan die in Engeland is, aan de zee.--OGYGIUS: 'k Zal niet zeggen dat ik 't niet kàn, maar de Heilige Maagd schenkt hier dit en daar dàt, hetzij dat 't haar nu eens zoo in den zin komt, hetzij dat ze zich naar onze neigingen en verlangens schikt, welwillend als ze is. Van Sint Jacob van Compostella heb ik dikwijls gehoord: maar vertel me eens iets, als je wilt, van 't rijk van die Heilige Maagd aan de Zee.--OGYGIUS: Goed, ik zal 't zoo beknopt doen als ik kan. Het is een Heilige die in geheel Engeland geëerd wordt en men zal op dat eiland niet licht iemand vinden die hoopt dat 't hem goed zal gaan of hij komt haar jaarlijks met een kleine gave naar gelang van zijn fortuin begiftigen.--MENEDEMUS: Waar huist ze?--OGYGIUS: Aan den uithoek van Engeland, in het Noordwesten, niet ver van de zee, ongeveer drie mijlen. Het is een dorpje dat nauwelijks van iets anders bestaat dan van de talrijke pelgrims. Er is een college van Kanunniken, die den latijnschen bijnaam van Regulieren dragen. 't Is een midden-slag geestelijken tusschen monniken en kanunniken die men "wereldlijke" noemt.--MENEDEMUS: Zoo'n soort van amphibieën dus, zooiets als de bevers.--OGYGIUS: Ja, en ook de krokodillen. Maar, alle gekheid ter zijde. In drie woorden kan ik zeggen wat ge wilt weten. Kanunniken zijn gehaat, monniken staan in de gunst.--MENEDEMUS: Je spreekt nòg in orakeltaal.--OGYGIUS: Laat ik er dan een wiskundige verklaring bijvoegen. Als de Paus te Rome eens alle monniken met zijn banbliksem trof, dan zouden dezen hier zich als Kanunniken beschouwen en niet als monniken. En als diezelfde Paus alle monniken toestond een vrouw te nemen, dan zouden ze verklaren monniken te zijn.--MENEDEMUS: 'k Wou dat ze bij die gelegenheid mijn vrouw meenamen!--OGYGIUS: Maar, om op ons onderwerp terug te komen: dit college heeft eigenlijk geen andere inkomsten dan die welke de goedgunstige beschikking van de Heilige Maagd hun toestaat. De grootere kerkgeschenken worden bewaard. Maar wat er aan geld binnenkomt of aan zaken van minder waarde, dat wordt gestort in de kas om er de Orde en haar hoofd van te onderhouden. Deze heet bij hen Prior.--MENEDEMUS: Zijn 't menschen van goeden levenswandel?--OGYGIUS: Daar hoort men niet over praten. Ze zijn rijker in vroomheid dan in jaarlijksche inkomsten. Het is een aardige en smaakvolle kerk. Maar de Heilige Maagd woont daarin niet, eershalve heeft ze die aan haar Zoon afgestaan. De Heilige Maagd heeft haar eigen kerk, om rechts van haar Zoon te verblijven.--MENEDEMUS: Rechts? Waar ziet haar Zoon dan heen?--OGYGIUS: Goed opgemerkt! Als hij naar 't westen ziet, dan heeft hij zijn moeder rechts; wendt hij zich naar 't oosten, dan bevindt zij zich links. Maar zij woont daar niet. Haar kerk is nog niet gereed: de wind kan er nog overal doorheen spelen omdat deuren en vensters nog openstaan: en de zee waarop alle winden ontstaan, ligt vlak bij.--MENEDEMUS: Dat is hard. Waar woont ze dan?--OGYGIUS: Wel in de kerk, waarvan ik vertelde dat ze nog niet af is, bevindt zich een kapelletje, van planken in elkaar gezet, waarin aan weerskanten door een nauw deurtje de bezoekers worden toegelaten. Er is slechts weinig licht en alleen maar van waskaarsen en het riekt er heerlijk.--MENEDEMUS: Dat behoort alles zoowat bij de uitoefening van den godsdienst.--OGYGIUS: Ja, wanneer je naar binnen ziet, Menedemus, dan zou je zeggen: dat is een verblijfplaats voor Heiligen, zoo schittert alles van edelsteenen, goud en zilver.--MENEDEMUS: Je doet me van verlangen branden om er ook eens heen te gaan.--OGYGIUS: Nu, je zult geen berouw hebben van de genomen moeite.--MENEDEMUS: Is daar ook niet de een of andere heilige olie te krijgen?--OGYGIUS: Dommerik! Die wordt immers alleen maar door de graven van enkele Heiligen uitgezweet, bijv. van Andreas en Catharina. Maria is immers niet begraven.--MENEDEMUS: Je hebt gelijk, ik vergiste me. Maar maak je verhaal af.--OGYGIUS: Om de vereering meer en meer te bevorderen wordt op de eene plaats dit, op de andere dat getoond.--MENEDEMUS: En misschien ook wel om de goedgeefschheid te bevorderen, volgens 't zeggen van den latijnschen dichter Ovidius:

"Veel handen geven rijken buit, Strekt veler hand zich beedlend uit."