Een twaalftal samenspraken Tot inleiding: Cd. Busken Huet's beschouwing over Erasmus

Part 11

Chapter 111,766 wordsPublic domain

AULUS: Heere bewaar me! wat kijkt onze Phaedrus ernstig. Zoo nu en dan slaat hij zijn oogen hemelwaarts. 'k Zal hem eens aanklampen. Wat voor nieuws is er, Phaedrus?--PHAEDRUS: Waarom vraag je mij dat zoo, Aulus?--AULUS: Omdat het er veel van heeft of je van een vroolijken Phaedrus tot een strengen Cato bent geworden. Zóó strak staat je gelaat.--PHAEDRUS: Nu, daar is reden voor: ik heb juist mijn zonden gebiecht.--AULUS: O! dan verwonder ik mij niet meer. Maar vertel me eens: heb je alles te goeder trouw gebiecht?--PHAEDRUS: Ten minste alles wat me in den zin kwam. Eén ding slechts uitgezonderd.--AULUS: En waarom verzweeg je dat ééne?--PHAEDRUS: Omdat ik 't toch eigenlijk zelf nog niet zoo héél slecht kan vinden.--AULUS: Dan moet dat wel een prettige zonde zijn geweest. PHAEDRUS: Of het een zonde is, weet ik niet: maar als je een poosje tijd hebt, mag je het wel hooren.--AULUS: Ik wil heel graag luisteren.--PHAEDRUS: Je weet hoeveel er onder paardenhandelaars, koopers en verkoopers, bedrogen wordt.--AULUS: Ja, meer dan me lief is, want ik ben er zelf dikwijls de dupe van geweest.--PHAEDRUS: Onlangs moest ik een tamelijk lange reis doen, maar die ook vrij veel spoed vereischte. Ik ga naar één van de paardenverhuurders, lang niet één van de slechtsten van dat soort; zelfs was ik met dien man eenigermate bevriend. Ik vertel hem dat ik een gewichtige opdracht heb, dat ik een flink en stevig paard noodig heb. Als hij zich ooit jegens mij verdienstelijk had gemaakt, dat hij 't dan _nu_ moest doen. Hij beloofde dat hij met mij zou handelen zooals hij dat met zijn liefsten broer zou doen.--AULUS: Misschien was hij ook wel van plan zijn broer te bedriegen.--PHAEDRUS: Hij brengt me in zijn stal en zegt dat ik maar uit al zijn paarden moet kiezen welk ik wil. Eindelijk was er één dat mij meer dan alle andere beviel. Hij prijst mijn keuze, terwijl hij er een eed op doet, dat juist dàt paard dikwijls door velen gevraagd is: dat hij 't liever had willen bewaren voor een particulieren vriend, dan 't aan onbekenden af te staan. We werden het eens over den prijs. De betaling geschiedt tegen contant geld. Ik stijg te paard. Bij 't naar buiten rijden was 't paard opgewekt en buitengewoon geanimeerd. Men zou haast zeggen dat 't een beetje wild was: 't zag er vet en rond en welgedaan uit. Maar toen ik zoowat een anderhalf uur gereden had, begon ik te bemerken dat 't reeds geheel en al moe was en dat ik er zelfs met de sporen geen voortgang in kon krijgen. Nu had ik wel eens gehoord dat door paardenkoopers dikwijls zulke dieren om te bedriegen op stal gehouden worden, paarden die men op 't oog voor uitstekend zou houden, maar die tegen vermoeienis volstrekt niet bestand zijn. Dadelijk dacht ik bij mij zelf: "je bent beet genomen! Komaan, zoodra je thuis komt, betaal je hem met gelijke munt."--AULUS: En wat ving je nu onderweg aan, jij ruiter zonder paard?--PHAEDRUS: Wat de loop der dingen mij aan de hand deed. Ik sloeg den weg in naar 't naaste dorp. Daar stalde ik stilletjes bij een bekende van me het paard en ik huurde een ander. Ik reed naar de plaats van mijn bestemming, keerde terug, lever mijn huurpaard in, tref mijn koopje aan, vetjes en wel, en flink uitgerust van de eerste vermoeienis. Ik rijd daarop naar mijn bedrieger en vraag hem of hij 't in zijn stal eenige dagen wil bewaren en voederen tot ik het weer kom opeischen. Hij vraagt me hoe het beestje 't gemaakt heeft. Ik zweer hem nu bij al wat heilig is, dat ik nooit van mijn leven een voortreffelijker dier bestegen had, dat 't eerder vloog dan liep, dat 't heelemaal geen vermoeienis had gekend niettegenstaande den langen tocht en dat het geen haartje magerder was geworden van 't zware werk. Toen ik hem wijs gemaakt had dat dit werkelijk zoo was, dacht hij zoo stilletjes bij zich zelven, dat 't paard dan toch wel anders moest zijn dan hij gedacht had. Vóór ik dus wegging, vroeg hij me of 't paard ook te koop was. Ik zei eerst van neen. Als ik weer eens een reis moest doen, dat 't dan niet gemakkelijk zou wezen een dergelijk paard te krijgen. Maar dat aan den anderen kant niets mij zóó dierbaar was of 't was wel voor een flinken prijs van mij te koop, ook al zou iemand mij zelven in levenden lijve willen koopen.--AULUS: Je speelde daar mooi de rol van bedrieger tegenover den bedrieger.--PHAEDRUS: Om kort te gaan, hij liet me niet vertrekken zonder dat ik een prijs voor het paard had vastgesteld. Ik gaf dien heel wat hooger op dan waarvoor ik 't beest van hem gekocht had. Toen ik van den man weggegaan was, neem ik dadelijk iemand in den arm om mee een rol te spelen in deze komedie. Ik zeg hem duidelijk wat er aan de hand is en breng hem goed op de hoogte. Hij gaat naar 't huis van den stalhouder en vraagt dezen te spreken. Hij zegt hem dat hij een mooi paard noodig heeft, dat goed tegen veel vermoeienissen bestand is. De koopman laat hem verschillende paarden zien en prijst de slechtste 't meest aan. Alleen 't paard dat hij mij had verkocht, biedt hij niet aan, omdat hij dacht dat 't werkelijk zoo uitstekend was als ik had gezegd. Maar de ander vraagt hem onmiddellijk of dat paard ook soms te koop is, want ik had hem beschreven hoe 't paard er uit zag en hem de plaats aangeduid waar het stond. Eerst hield de paardenkooper zijn mond en prees al de andere paarden uitbundig. Maar omdat de kooper steeds op dat ééne paard terugkwam, terwijl hij de overige paarden voor de leus nog wel wat prees, zei eindelijk de paardenkooper bij zich zelven: "ik moet mij dan toch wel in dat paard vergist hebben, als ten minste deze vreemdeling het zoo dadelijk onder alle paarden uitpikt." Toen de kooper aandrong, zeide hij eindelijk: "'t Is te koop, maar misschien zult ge u wel door den prijs laten afschrikken." "Geen prijs is te hoog," zei hij, "wanneer die overeenkomt met de waarde van de zaak. Zeg maar op." Hij gaf nu een prijs op vrij wat hooger, dan ik hem had genoemd, ook nog naar _die_ winst begeerig. Eindelijk werden ze het over de koopsom eens. Er werd een tamelijk groot handgeld gegeven, n.l. een goudstuk, om geen vermoeden te wekken dat 't maar een schijnkoop was. De kooper liet 't paard goed haver geven en zei dat hij gauw zou terugkomen om 't paard mee te nemen. De stalknecht krijgt een halven gulden fooi. Zoodra ik hoorde dat de koop goed en wel gesloten was, zóó dat hij niet meer kon worden verbroken, keer ik gelaarsd en gespoord naar den paardenverhuurder terug: buiten adem roep ik om hem. Hij komt te voorschijn en vraagt wat ik verlang. "Laat dadelijk mijn paard optuigen," zei ik, "want ik moet onmiddellijk voor een gewichtige zending op reis." "En onlangs," antwoordde hij, "droeg-je me op het paard eenige dagen te stallen en te voederen." "Ja, dat is waar," zei ik, "maar daar is me nu plotseling, zonder dat ik er op gerekend had, een taak opgedragen en dat nog wel van koningswege, die geen uitstel gedoogt." Toen hij weer: "Kies maar uit alle paarden welke je wilt: 't uwe kunt ge evenwel niet krijgen." Ik vraag natuurlijk: "waarom niet?" "Omdat het verkocht is," ontvang ik ten antwoord. Met geveinsden schrik riep ik uit: "De hemel verhoede dat 't waar is, wat gij zegt. Nu mij die opdracht wordt gegeven, zou ik mijn paard niet willen verkoopen al was het ook voor viermaal den prijs." Ik begin te schelden en te kijven en noem me een verloren man. Eindelijk wordt hij ook boos. "Wat hebben we met dat getwist te maken? _Gij_ hebt een prijs bepaald voor 't paard, _ik_ heb 't verkocht. Als ik u den prijs uitbetaal dan hebt ge met mij niets meer te maken. Er zijn nog rechters hier in de stad. Ge kunt me niet dwingen u het paard te leveren." Terwijl ik er nog lang op aandrong dat hij mij 't paard zou afgeven of mij den kooper zou aanwijzen, betaalde hij me eindelijk den prijs uit. Ik had 't voor vijftien goudstukken gekocht en het later geschat op zes-en-twintig. Hij had 't op twee-en-dertig gesteld. Hij redeneerde zóó bij zich zelf: 't is voordeeliger dit zoete winstje te maken dan 't paard terug te geven. Ik ga heen, voorgevend erg boos te zijn en slechts noode gekalmeerd door 't ontvangen geld. De paardenkooper vroeg of ik 't hem niet kwalijk wilde nemen: dat hij mijn schade wel op andere manieren zou trachten te vergoeden. En zoo werd de bedrieger bedrogen. Hij zit nu met een paard dat niets waard is, en wacht maar steeds dat de man die hem 't handgeld heeft gegeven zal komen om hem den bedongen prijs uit te betalen. Maar er komt niemand en er zal ook nooit iemand komen.--AULUS: En heeft hij er u intusschen nooit over gesproken?--PHAEDRUS: Wat zou dat voor een brutaliteit zijn en met welk recht zou hij dat doen? Hij heeft me nog wel eens een paar malen ontmoet en mij zijn beklag gemaakt over de kwade trouw van den kooper. Maar ik heb hem van mijn kant dadelijk den mantel uitgeveegd en gezegd dat hij die leelijke behandeling waard was, omdat hij mij door een overhaasten verkoop van zoo'n goed paard had beroofd. Dat is nu een zonde zóó juist van pas begaan, naar mijn idee, dat ik 't niet over mij kon verkrijgen om ze te biechten.--AULUS: Ik zou voor mij zelven een standbeeld vragen als ik zoo iets had verzonnen: zóó ver is het er van af dat ik 't als zonde zou biechten.--PHAEDRUS: Of ge dit van harte meent, weet ik niet, maar bij mij wekt ge den lust en den moed op, om zulke menschen bij gelegenheid óók eens zoo'n poets te bakken.

* * * * *

DE PAARDLOOZE RIDDER OF DE VERDICHTE ADEL

HARPALUS. NESTORIUS.

Erasmus zegt in zijn "Nut der Samenspraken" over den onderstaanden dialoog het volgende:

"In den verdichten adel schilder ik dat slag van menschen, die, onder het bedriegelijk voorwendsel van edellieden te zijn, alles meenen te mogen doen en die één der voornaamste rampen zijn waaronder Duitschland lijdt."