Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 8
Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich, dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt, zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend: "Welkom, broeders slampampers van Brussel!" en neemt plaats aan het hoofd van de tafel.
Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die zegt: "Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen." Een middeleeuwsche geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt--doch slechts voor een oogenblik.
Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij de achting van zijn vrienden en stadgenooten verspeelt. Opstaande van zijn stoel, roept hij uit: "Laat ons beginnen, Drinkebroers van Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink u allen onder de tafel en laat u daar liggen."
"Dat zijn de bepalingen, senor Floris," antwoordt De Guerra met een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.
"Nu, daar gaat hij dan!" schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.
Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: "Nogmaals!"
Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen zij zich weer op de spijzen,--want met dronkenschap gaat gulzigheid gepaard.
Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van Bacchus, als dit tweetal.
Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend naar binnen,--zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes en kruimels,--en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwen op de groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten; en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen aan de verschillende deelnemers.
Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde oogenblik--ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.
Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen, de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen van de dronkaards.
"Bij de vijftiende bokaal," fluistert Oliver.
"Waarom nu niet?" zegt Guy vlak aan zijn oor.
"Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende," antwoordt de schilder. "Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden kunnen doen."
Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa, als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.
"Doe het nu," fluistert Guy.
"Ik durf niet--nog niet," antwoordt Oliver.
Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver's gelaat krijtwit en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man, dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje, nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.
"Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt," stamelt Antony.
"Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit is," fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.
"Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco's achterdocht is gaande gemaakt,--de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer kunnen arbeiden." Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn witte lippen.
Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte; bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet zoo heel vast meer op zijn beenen.
Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer van de hoofdstad. Guy,--die het hoofd heeft afgewend en enkel op de gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal winnen,--voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend, het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.
"Hij komt weer bij!" fluistert deze.
"Wie?"
"Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende eenige bekers bij Floris ten achteren te komen."
Dat is ook het gevoelen van Floris' vrienden; en als De Guerra nog wankelend uitroept: "Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van Brussel," komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.
Maar De Vriendt zegt: "Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers voor en speel het toch wel met hem klaar."
Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk wordt,--woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.
Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.
"Nu is het uw laatste kans," fluistert Guy.
Een bediende roepend, zegt Antony: "Een beker van uw zwaarsten Rijnwijn, maar spoedig."
Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is het oogenblik om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.
Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten, gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder, die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt een gedeelte van het sterke vergift in den beker.
"Geef hem vooral genoeg," fluistert Guy, die voor zijn vriend is gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,--daar er weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,--dat het niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen niet genomen.
Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: "Breng dit aan den Spanjaard Vasco de Guerra."
"Ja."
"Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze vlok er in!"
"Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!"
"Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!"
Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor een nieuw rondje, de Spanjaard steviger op zijn voeten dan de andere, want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.
Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco de Guerra uit: "Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!"
En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer op zijn beenen staan.
"Vervl ...," fluistert Oliver. "Het vergift werkt niet."
"Wacht maar," antwoordt Guy.
Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.
Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.
Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op, Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.
"Drink!" zegt De Guerra, en de schilder werkt met moeite zijn portie naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.
"Let nu op, hoe ik het doe!" en Vasco neemt vlug, bedaard en zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der omstanders, die op hem gewed hebben.
Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering, zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen, terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris hebben gehouden.
Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend, zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij uit: "Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard van _Het Geschilderde Huis_!" en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend, naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte, dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken, en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.
De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht meer aan "de Zes Drinkebroers van Brussel", behalve misschien een enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost, een paar schoppen geeft.
Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.
Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.
Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het bekijkt: "Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!"
Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer en prevelt: "De spion is dood!" En de Vlaming haalt verruimd adem,--een van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood van De Guerra afgewend.
De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: "Uw komst ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,--tenminste voor een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!"
Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn gekomen, neemt Oliver's gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan en hij fluistert: "Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen gebracht?"
Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas wappert. Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange, magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt; de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek, forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek en aschkleurig,--het geheel vormt een gezicht, koud als de dood, waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen; en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy's hart den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: "Alva!"
De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto, zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.
Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn scherpe oogen uit de hoogte op de menigte neer, die hem met den hoed in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept: "Oliver! Antonius Oliver!" en de schilder, naar voren tredend, buigt voor het strijdros van den Hertog.
"Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono's regiment musketiers, voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen, ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever dadelijk zelf naar de Citadel," beveelt de landvoogd.
"Met verlof,--Uwe Hoogheid," antwoordt Oliver, "de man--de man, naar wien gij vraagt--"
"Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?" zegt de Onderkoning, want de onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders ook is.
"Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort tot 'de Zes Drinkebroers van Brussel', nu smoordronken in de herberg ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt."
"Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!" zegt Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er van siddert: "En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling doen,--waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,--wat mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstond in arrest neemt. Ik wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,--dien zot, dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij heeft te zeggen.--Voorwaarts, heeren!"
En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos latende staan, als het lijk in _Het Geschilderde Huis_; want Oliver weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer, en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: "Brr! De beul heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!"
HOOFDSTUK VII.
ALVA'S DOCHTER.
"Ja, het was juist op tijd," fluistert de Engelschman, eveneens een zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt.
Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. "Het zien van den vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten, tot ik verzadigd ben. Neem deel--aan mijn diner."
Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt, nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd toeschijnt.
Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld.
Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de levendigheid van het tooneel.
Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen; want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde, heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen, die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven; en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard, zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang.
De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen.
De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische type opmerkt.
"Nu moet ik Alva's bevel aan den provoost-geweldige overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij, ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar de klok te kijken," zegt Oliver lachend.
Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een belooning uitlooft voor het hoofd van den "Eerste der Engelschen". Als de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem meer heeft gezien.
Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op, dat deze van zijn kant hetzelfde doet.
"Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige," fluistert hij Oliver toe.
"Gij--wilt _daar_ heengaan?" brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen wijd openend.
"Ja," antwoordt Guy. "Er is hier een man, die mij herkent en ook bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt, zal ik hem een poets bakken."
Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat, ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven.
"Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati," zegt de kleine vaandrig. "Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris van den Hertog."
En als dit gedaan is, vraagt de jonge Spanjaard: "Waar gaat gij heen?"
"Naar den provoost-geweldige."
"Dan ga ik mee," herneemt De Busaco. "Ik moet daar toevallig ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!" en hij strijkt zijn knevel krijgshaftig in de hoogte.
Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren, welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt, enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd.
Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk, dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn ingeslagen, de herberg _De Roode Leeuw_ voorbij zijn en de nauwe steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden, waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den man dicht achter zich.
Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den Spaanschen officier, het bureau van Alva's provoost-geweldige ziet binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend Carolus-guldens is aangeplakt.
"De Busaco," merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft stilstaan, "ziet gij ginds dien Zeeuw?"
"Ja."
"Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor uw achterstallige soldij?"
"_Santos_! Wat graag!"
"Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van Beroerten op hem loert."
"Een belooning!" roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen, schreeuwt hij: "Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,--er is wat te verdienen!"
Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den Zeeuwschen koopman, schreeuwend: "_Heretico fugitivo!_" en andere woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging.
"Ik kon hem niet inhalen," klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later buiten adem terugkomt, aan Guy, "maar ik zal hem in het oog houden."
"Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten," merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra.