Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 7
"Zes! Zes duiven!" herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: "Kent gij een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef, en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?"
"Mijn God!" roept de schilder uit, "zeker! Hij, dien gij daar beschrijft, is Vasco de Guerra--mijn vijand! Hij--heeft--heeft de brieven!--Wat bracht u op die gedachte?"
"Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond 'de Zes Drinkebroers van Brussel', die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven, die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn kameraden een groot feest te geven."
En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht zag en hoorde bij het drinkgelag van "de Zes Drinkebroers van Brussel" in _Het Geschilderde Huis_.
"Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim bezit,--hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken, want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk, die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger is weggejaagd,--bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier, Wiarda Schwartz, omgekocht."
"Ah, zoo!" merkt Guy op. "Daarom behandelde zij mij zoo beleefd, toen ik naar u vroeg."
"Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen, wij moeten handelen--en dat wel spoedig," antwoordt de schilder, die zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. "Vasco vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich."
"In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen," zegt Guy. "Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen haan naar kraaien."
"Neen," zegt de schilder, "dat zou ons in verdenking brengen. Misschien kan ik iets beters verzinnen," en hij spant zijn vindingrijk brein in, zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit: "Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van 'de Zes Drinkebroers van Brussel' onder de tafel drinken, bewusteloos, levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen."
"Maar als Vasco eens wint?"
"Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen."
"Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet doet," zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij: "Misschien kan ik u helpen, ik heb hier...." hij haalt uit zijn wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.
"Wat is het? Vergift?" vraagt de schilder. "Het vergift van de Borgia's?"
"Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn beker hem voor altijd doen inslapen."
"Dus als Frans Floris niet slaagt,--het vergift van de Antillen," prevelt de schilder. "Het geldt zijn leven of het onze." Na een oogenblik nadenken vervolgt hij: "Neen, ik moet Vasco de Guerra, mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug, zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood, zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion meer in Alva's nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend."
"Dat is flink gesproken," antwoordt Guy kortaf. "Doe een weinig van dit in den wijn van den Spaanschen spion."
Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand, doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: "Maar, bij alle heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker te doen, en niet in de bekers van de anderen?"
HOOFDSTUK VI.
HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.
Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt weifelend: "Hoe?" en zegt dan: "Laat mij even nadenken. Ik ken de gebruiken van dit land," en hij overlegt in zichzelven met gefronste wenkbrauwen.
Na een oogenblik peinzens roept hij uit: "Ik heb het probleem opgelost."
"Hoe?" vraagt de Engelschman levendig.
"Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang zijn. Na het tiende rondje,--het zou niet voorzichtig zijn, het eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot na het vijftiende,--zal ik hem een beker wijn zenden met _dit_ er in, het vergift van de Antillen," hier klopt hij op het fleschje, dat de Engelschman hem gegeven heeft, "met de complimenten van Wilhelmina Bodé Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap, niet weigeren, en daarna--daarna--zouden gij en ik," hij fluistert het laatste, "mijn beste Guido,--in ieder rustig, gelukkig, vredig land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen, gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak."
Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.
"Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk niet, dat De Guerra reeds is opgestaan," zegt Guy, "maar ik zal op hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde."
Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst, terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit verlaat, in het bereik van zijn hand is.
Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag in _Het Geschilderde Huis_ moet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.
Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend: "Verlies Vasco niet uit het oog."
"En gij bezorgt mijn boodschap?" antwoordt de Engelschman.
"Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou doen weten," antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande, waarachter de Citadel ligt.
Chester begeeft zich opnieuw naar _Het Geschilderde Huis_, dat nu het tooneel is van veel leven en beweging.
De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.
Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening, dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen strijd, die hem wacht.
Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers, met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris' leven vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris' dood daarentegen zou hun groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat, om zijn mededingers onder de tafel te werken.
"Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag," merkt een dikke burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als een brouwer doet kennen.
"Ja," antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak en opvoeding. "Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven, om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt, omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden."
"En heeft het hem bekeerd?" spot de ander.
"Hem bekeeren!" roept Dirk Coornhert uit. "Neen, hij zwoer, vandaag te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer's geest en hij lachte mij in mijn gezicht uit: 'Als ik dronken ben, dan ben ik gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben, zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.'"
"Vervloekt! En ik ben er ook een," bromt de brouwer. "Twee duizend Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand, en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was."
"Ja, zij heeft hem geruïneerd," mompelt de drukker. "Het is juist iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel, wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt, dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren, en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge gillende tonen als zoo'n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem op meer dan een millioen kronen taxeert."
"Alle duivels!" valt de brouwer uit, "wat beteekent een millioen of zelfs twee millioen kronen in dezen tijd--het is enkel maar zooveel meer voor dien vervloekten tienden penning!"
"Ja, God sta ons bij," stemt de drukker toe. "De tiende penning zal alles verslinden, wat wij nog bezitten."
En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt, dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in Brabant, Vlaanderen en Holland.
Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij de burgers op de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen; want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,--edelman zoowel als boer, koopman zoowel als visscher.
Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder kloppend, roept hij uit: "Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op de Drinkebroers van Brussel."
"Dat is niet heel ridderlijk," zegt Guy, "zes drinkebroers tegen één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een beker met mij te drinken."
"Gracios, senor capitan," antwoordt de jonge officier, en weldra zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.
"Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen," merkt de Spanjaard op, "voor de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning, mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als hij het niet doet,"--hij kijkt woest in het rond,--"zijn wij van plan, ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen en hun goederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!"
"God zij hun genadig," denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke "Spaansche furie", die een paar jaar later in Antwerpen zal uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek, zeggende: "Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik heb nog een paar goudstukken in mijn zak!" en hij roept: "Jongen, nog een kan wijn!"
Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft, dat "de Zes Drinkebroers van Brussel" een list hebben bedacht om hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder moet zetten.
"Zij zullen winnen, mijn jongen," lacht de vaandrig. "Ik heb zelf gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven," hij wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer, "en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden, behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit, dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik denk, dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik," en vaandrig De Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.
Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist, die bij hem komt en fluistert: "Ik heb uw boodschap gedaan."
"Zij komt natuurlijk?"
"Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele boodschap durfde overbrengen."
"En toen?" vraagt Guy ongeduldig.
"Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt."
"En vervolgens?"
"Toen zeide zij op onverschilligen toon: 'Ik zal vandaag om drie uur bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza, heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den koopman nog eens te zien dansen.'"
"Niets anders?" vraagt Guy teleurgesteld.
"O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en de zijden en fluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita Wilhelmina. 'Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?' lachte zij, 'en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?'" Hierop, zegt Oliver met een glimlach, had ik de stoutmoedigheid te antwoorden: "Misschien blijf ik dan toch in de familie," en verliet ik haar, zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.
Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer, die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.
En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: "Ik zag Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man, of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan, behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te scheiden," valt hij zichzelf in de rede, "of men zal u nog houden voor een van 'de Zes Drinkebroers van Brussel', en wij hebben gewichtiger dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen heeft." En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.
Als de Guerra's oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een glimlach van wreeden triomf in, en met een vlugge, misschien onbewuste beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.
"Ziet gij die beweging?" fluistert Guy tot Antony. "Die brieven zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet te krijgen!"
"Dat zal ik," zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het vergift der Antillen nog in zijn bezit is.
En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote, geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.
Een oogenblik later klinkt luide de kreet: "Hij is gekomen!" en de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt, den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes zijner leerlingen.
Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd met schilderstukken en fresco's, waarvan sommige door den aan het drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.
In het midden staat een groote eikenhouten tafel, met stoelen voor zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om den dorst op te wekken,--zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie gedoopt,--alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en barbaarsche losbandigheid.
Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door "de Drinkebroers van Brussel". Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt, zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.
De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man, die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen; het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;--ja zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meester te komen, terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.
"Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver," roept hij. "Dat wil zeggen, een gedeelte van mij--een van de officieren heeft mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik--ik kon niet eerder komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei."