Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 3

Chapter 33,874 wordsPublic domain

Terwijl hij de uitwerking van den vloed aan den oever gadeslaat, bespeurt Chester's vlug zeemansoog het gevaar, waaraan hij zich zou blootstellen, door de muren te naderen, die de gracht begrenzen. Bij zulk een hoogen vloed en hevigen wind, zal hun boot als een eierdop tegen de steenen verpletterd worden. Hij zegt dus haastig: "Is er niet een andere waterpoort? Als ik van deze zijde beproef te landen, zijn wij kinderen des doods. Spreek vlug, om Godswil--antwoord mij!"

"Ja! Een kleine uitvalpoort achter het tweede bastion." De zoetvloeiende stem naast hem is zenuwachtig en gejaagd. De golven van de Schelde schuimen tegen het metselwerk van den Spanjaard.

"Dat zal beter zijn!" roept Chester uit, en de boot met vaste hand in de diepe gracht sturend, die de Citadel omringt, en die thans door den hoogen vloed is herschapen in een bruisenden stroom, snellen zij voorbij het groote, sombere bastion van den Hertog, en een oogenblik later voorbij dat, hetwelk naar Alva zelven is genoemd. Hier landt de boot, geheel beschut voor den wind, achter de hooge muren van deze machtige Spaansche vesting, aan een kleine uitvalpoort, gelegen op een kunstmatig eilandje in het midden van de gracht en verbonden door een lichte, beweegbare brug met het hoofdgebouw tusschen de reusachtige bastions van Alva en Paciotto, het laatste genoemd naar den grooten ingenieur, die dezen omvangrijken, dreigenden vijfhoek met zijn vijf geduchte redoutes ontwierp en bouwde,--de sterkste vesting uit dien tijd.

Als de boot landt, roept de schildwacht haar aan en ontvangt als antwoord van den Engelschman het wachtwoord van dien nacht. Daarop wordt de ophaalbrug neergelaten en worden zij verlicht door een menigte brandende toortsen, die Chester doen ontdekken, hetgeen de duisternis tot nu toe voor hem verborg, dat namelijk de boot, die hij heeft binnengeloodst, blijkbaar een staatsgalei is, welker tent is gedecoreerd met versierselen van Spaansch leder, waar het wapen van den Onderkoning zelven is ingedrukt. Maar hij heeft geen tijd, om hier verder over na te denken.

"Mijn duena," zegt de dame haastig. "Wij moeten haar wekken, ter wille van de etiquette, senor capitan, wij moeten de gravin De Pariza wekken!"

Dit gaat gemakkelijk, want de eeredame is blijkbaar reeds sinds eenigen tijd bijgekomen, en een paar bekers van denzelfden wijn, die den jongen zeeman heeft verkwikt, geven de chaperone aanstonds haar spraak terug. Met verwilderde oogen in het rond ziend, roept zij uit: "Heilige Maagd! Ik leef nog! Santa Maria! De Citadel van Antwerpen! Ik ben gered!"

Vervolgens staat deze hoedster van de etiquette en het decorum op en richt haar trotsche patricische oogen op den Engelschman, terwijl zij haastig uitroept: "Wie is die man?"

"De edelman, die ons gered heeft uit de handen der Watergeuzen," antwoordt de jonge dame van de barge.

Hierop biedt Chester, die een nader onderzoek naar zijn identiteit minder wenschelijk acht, fluks zijn arm aan de schoone, die nog dicht in haar mantel en kap is gehuld en, toen het licht der toortsen op haar viel, den Spaanschen sluier over haar gelaat heeft getrokken. Een oogenblik later voelt Chester een lichte rilling, als zijn aanbod is aangenomen en een fijn handje in zijn arm glijdt.

Nog een oogenblik en hij heeft haar geholpen bij het uitstijgen en gaat met haar de ophaalbrug over, gevolgd door de beide kameniers, die de duena ondersteunen, welke dame nog niet zeer stevig op haar voeten schijnt te staan en in een staat van buitengewone zenuwachtigheid verkeert.

Juist als zij aan het einde van de ophaalbrug zijn gekomen, hoort Guy een doordringenden kreet achter zich, en hoe hachelijk zijn toestand is, vlak voor de Citadel van Alva, wier open poort gereed staat hem te verzwelgen, kan hij toch een glimlach niet onderdrukken, als hij bemerkt, dat de Spaansche duena op de natte brug is uitgegleden en nu half verdronken uit het water van de gracht wordt opgehaald. Als de kameniers haar een weinig onhandig helpen, vergeet de Gravin, in blinde woede ontstoken, alle etiquette en roept klappertandend, en met den mond vol water, dat de meisjes voor haar onhandigheid zullen boeten.

Maar Chester's lach besterft om zijn mond, als de schildwachten aan de poort hem met gekruiste pieken den weg versperren en hun vaandrig barsch zegt: "Het contrasigne, senor!"

"_Santa Maria de la Cruz_," fluistert Guy.

De pieken zakken, als de officier met zijn zwaard wenkt, en zij gaan hem voorbij door de hooge Gothische poort. Op dit oogenblik valt er een straal van een toorts, die in een nis van het metselwerk is bevestigd, op de dame en doet haar gestalte scherper uitkomen. Nauwelijks heeft hij haar opgemerkt, of de Spaansche officier neemt zijn stalen helm af en zegt, tot op den grond buigend: "Als ik had geweten, dat gij het waart, Excellentissima, zou ik niet zoo barsch zijn opgetreden!"

"Gij deedt slechts uw plicht, senor," zegt de onbekende. Daarna Guy's arm loslatend en den jongen officier terzijde nemend, die in gebogen houding met ongedekten hoofde voor haar staat, fluistert zij hem in het Spaansch iets toe.

Een gedeelte van het antwoord van den vaandrig bereikt Guy's oor. "Neen, Excellentissima, hij is nog niet van Brussel aangekomen."

"Dan zal papa zich niet bezorgd over mij maken," zegt de dame snel. En opnieuw Chester's arm nemend, vervolgt zij tot den jongen officier: "Wees zoo goed en geleid ons naar de woning van de gravin van Mansfeld."

Voorafgegaan door den vaandrig, komen zij thans door de poort op het hoofdplein van de Citadel, en gaan tusschen stapels kanonskogels en allerlei oorlogstuig door, naar dat gedeelte van het plein, waar zich blijkbaar de kwartieren van de officieren bevinden.

Door de vensters van een dezer woningen, die oogenschijnlijk grooter, geriefelijker en weelderiger is dan de overige, schitteren lichten als van een feest en dringt dansmuziek tot hen door. Daar de woning onmiddellijk achter het bastion van Paciotto ligt, hebben ze haar spoedig bereikt en Guy heeft weinig gelegenheid, om met zijn gezellin in gesprek te komen, nog te minder, omdat de storm, die steeds aanhoudt, hen tot spoed aandrijft en de dame noodzaakt, haar mantel zoo dicht mogelijk om zich heen te trekken.

Zij treden door een zijdeur van het huis binnen, waar een lakei in een rijke livrei hen ontvangt, eerbiedig buigend.

"Verwacht de Gravin mij?" vraagt Guy's beschermelinge haastig.

"Ja, Excellentissima, het feest van hedenavond is te uwer eer. U is zeker opgehouden? Het is reeds middernacht," antwoordt de bediende opnieuw buigend.

Het antwoord wordt de dame bespaard door de komst van de druipnatte duena, die op bitsen toon zegt: "Wat beteekent het, dat gij hier staat, Dona Hermoine? Gij laat de gravin van Mansfeld boven wachten en mij, druipnat en verstijfd tot op mijn beenderen hier beneden." Vervolgens roept zij uit: "Vooruit, meiden, en helpt mij, mij verkleeden!" Het klapperen van haar tanden en een dreigend gebaar aan het adres van haar kameniers zet klem aan haar woorden bij; de kameniers snellen dan ook den jongen Engelschman en zijn beschermelinge voorbij.

Bij de lichten in de vestibule merkt Guy op, dat de vrouwelijke bedienden jonge meisjes zijn met lenige figuurtjes en een bleeke, olijfkleurige tint, zeker Moorsche slavinnen, welke toentertijd in Spanje veel gehouden werden. Zij verdwijnen langs een trap met de gravin De Pariza, bij wie de slaafsche gehechtheid aan de etiquette gansch en al schijnt weggespoeld door het zoute water van de Schelde, want zij verlaat Guy met zijn dame zonder een enkel woord meer te spreken.

Guy kijkt nu zijn gezellin opmerkzaam aan, in de hoop, dat haar gelaat eindelijk zichtbaar zal zijn, maar de dichte sluier verbergt het nog altijd en de mantel eveneens haar figuur, maar toch doet de laatste een buitengewoon schoone gestalte vermoeden. Terwijl hij dit opmerkt, bespeurt de Engelschman tevens, dat de mantel der dame gemaakt is van het fijnste koninklijke sabelbont, en dat hij wordt vastgehouden door juweelen versierselen van groote waarde.

"Als Dirk Duyvel dit geweten had," denkt Guy glimlachend, "zouden er meer dan driehonderd Carolusguldens noodig zijn geweest, om alleen dien mantel van hem te koopen!"

Maar aan zijn overpeinzingen wordt weldra een eind gemaakt; de welluidende stem naast hem, nu nog liefelijker door de begeleiding van luiten en strijkinstrumenten uit de aangrenzende vertrekken, zegt: "Mijn duena heeft blijkbaar de plichten der gastvrijheid vergeten, ik echter niet." En zij beveelt den lakei: "Geleid kapitein Guido terstond naar een eetkamer. Niet naar een van die, welke voor de gasten is ingericht, daar hij niet gekleed is voor het feest."

Zij lacht even, en Chester kan, als zij een blik werpt op zijn langen mantel, een schelmsche flikkering in haar oogen bespeuren, die te sterk schitteren, om geheel beschaduwd te worden door den sluier, en daarbij zegt zij op halfluiden toon: "Neem mijn gastvrijheid aan, ik heb u een boodschap mee te geven."

Dan gaat zij met lichten, zwevenden tred de trap op en is verdwenen, terwijl Guy zich verkneutert bij de gedachte: "Zij heeft volstrekt geen vermoeden van mijn zwierig costuum; ik heb nog een verrassing voor haar in petto."

"Hierheen, senor capitan," zegt de lakei op zachten toon en de Engelschman wordt geleid naar een afzonderlijk salon, welks vorstelijke weelde hem in verbazing brengt, want de met gobelins bekleede muren en ingelegde Vlaamsche meubels overtreffen in pracht zelfs die van zijn koningin te Hampton Court en Westminster. Hier wordt hem binnen enkele minuten zulk een uitgezochte maaltijd voorgezet, als waaraan ooit een hongerige zeeman zich te goed deed. De tafel is gedekt met sneeuwwit linnen en prijkt met massief zilver en het fijnste Venetiaansche glaswerk, en de vleeschgerechten bestaan uit oesters uit de Schelde, koude patrijzen, een delicieuse salade van versche latuw met een bewijsje knoflook; voorts is er een flesch koninklijke Xereswijn.

"Mij dunkt, dat mijn dame groote oogen zal opzetten over mijn costuum à la Leicester," denkt Guy, terwijl hij zijn langen mantel afwerpt en zich vertoont in de smaakvolle kleeding, waarin hij zich heeft gestoken, voordat hij zijn schip verliet. Ofschoon zijn marokijnen laarzen een weinig hebben geleden van het zeewater, is de rest van zijn costuum vrij wel onbeschadigd gebleven.

Guy Stanhope Chester is dan ook zeer met zichzelven ingenomen, als hij gaat zitten en een aanval doet op het maal, dat voor hem staat, en den zilveren beker met Xeres telkens aan de lippen brengt, om zijn verkleumd lichaam te verwarmen, zwijgend en vlug bediend door den lakei. In de hoop, iets naders te vernemen omtrent de dame, die hij heeft bevrijd, merkt Chester op: "Een luisterrijk feest, dat uw meesteres vanavond geeft!"

"Ja!" antwoordt de bediende, trotsch op de voornaamheid van zijn huis. "Om onze gasten te amuseeren, hebben wij rederijkers uit Gent, die voordrachten houden en kluchten vertoonen, twee Zigeunermeisjes uit Andalusië, onzen eigen hofnar, om ons te laten lachen, en dan nog de dochter van den oud-burgemeester, die voor ons zal dansen, gekleed in de duurste zijde van haar vader. Ik zal trachten in de zaal te komen, om haar te zien pronken; de kleine Vlaamsche heks heeft mooi gevormde enkels en de allures van een gravin," grinnikt de jongen.

Hij zegt echter niets van de dame van de barge, en als Chester zijn maal heeft geëindigd, wordt de tafel afgenomen door verscheidene lakeien in prachtige livrei; het schijnt, dat de familie, in welker huis Chester zich bevindt, een vorstelijken staat voert.

"Wel deksels," zegt de jonge man tot zichzelven, terwijl hij de lakeien naoogt, als zij het vertrek verlaten, "de gastvrijheid van de gravin van Mansfeld is niet te versmaden!"

Maar nu voelt hij weer een koude rilling, ondanks den verwarmenden wijn, als hij er aan denkt, dat hij het zout van den Spanjaard eet in de Citadel van Antwerpen.

Doch eensklaps heeft hij alle besef van zijn hachelijken toestand weer verloren; hij springt overhaast op, zijn oogen nemen eerst een uitdrukking van verwondering aan en daarna van verrukking, en zijn hand tast in zijn borst, om te voelen, of een zeker iets nog wel goed onder zijn satijnen wambuis geborgen is. Want een meisjesgestalte van verwonderlijke schoonheid en bevalligheid, met een fluweelachtige huid en groote, kwijnende maar toch levendig tintelende oogen, de kenmerken van het zuiverste Castiliaansche bloed en de hoogste Castiliaansche bevalligheid, staat vóór hem, gekleed in een avondtoilet, met een fluweelen sleep en een keurs van glanzige zijde en kant, dat de blanke schouders en armen zichtbaar laat, en de welluidende stem, die hem op hun tocht over de Schelde reeds zoozeer heeft bekoord, zegt met een mengeling van coquetterie en schuchterheid: "Ik dacht, dat gij wel het gelaat zoudt wenschen te zien van haar, die gij uit de handen der Hollandsche vrijbuiters hebt gered!" Daarna lacht zij even en zegt: "Als zij geweten hadden, wie ik was, zouden de Vlaamsche oproerlingen mij zeker een hoofd kleiner hebben gemaakt," daarbij een beweging makend langs haar albasten hals, "eer gij mijn barge terug hadt kunnen nemen."

"Wie, voor den drommel, kan zij zijn?" vraagt Guy zichzelven, opnieuw naar het miniatuur-portret tastend. "Zij is het origineel van het portret, maar _wie_--_wie_?"

Doch verbazing en bewondering zijn niet alleen aan zijn kant.

Als hij opstaat, ziet de dame vóór zich een flinke, welgebouwde gestalte van zes voet lang, met breede schouders, sterke armen en een vlug, lenig lichaam; mannelijke vastberadenheid spreekt uit het gelaat, dat gebronsd is door weer en wind, hetgeen bijna een zuidelijke tint geeft aan zijn blanke Saksische huid, en waarmede zijn licht kastanjebruin haar, zijn blauwe oogen en zijn blonde neerhangende knevel een vreemd contrast vormen. Alles te zamen genomen het type van een echten man,--in staat om een vrouwelijk hart duizend slagen in de minuut te laten doen, iemand, die in staat is om te beminnen als een troubadour, en te vechten als een paladijn voor wat hem in deze wereld begeerlijk toeschijnt, en die veel kans heeft, dat ook te verkrijgen; iemand, die in elk geval het bloed van de dame, die vóór hem staat, sneller door de aderen doet vloeien en den glans van haar oogen nog verhoogt.

Niet, dat zij nog geen knappe mannen zou hebben gezien, want de bloem van de Spaansche ridderschap heeft voor haar gebogen. Maar dit vreemde type, deze kloeke Angelsaks, met zijn ijzeren spieren, zijn groote trouwe oogen, zijn jongensachtig voorhoofd en echt mannelijk gelaat, doen haar hart geheel anders kloppen, dan het ooit voor een donkeroogigen Spaanschen grande, een Italiaanschen cavalier met zijn zijdeachtigen knevel, een Franschen ridder of een Nederlandschen edelman heeft gedaan.

Beiden schijnen te gehoorzamen aan dezelfde opwelling--want onwillekeurig zoeken en vinden hun handen elkander.

Maar Chester is al te zeer verbijsterd--hij vergeet de Spaansche begroeting, en de dame trekt lachend haar hand terug, terwijl zij halfluid vraagt: "_Geen kus_? Gij--gij beleedigt mij!"

"U beleedigen! Is _dat_ een beleediging?" En in het volgend oogenblik geeft de dame een kleinen gil van verbazing, misschien wel van schrik, want Guy Chester, zich niet bekreunende om de Spaansche wijze van begroeting, heeft haar een fermen, welgemeenden Engelschen zoen gegeven, zooals de zoon van den squire gewoon was, met Kerstmis op de roode lippen van de meisjes te drukken, als zij onder den mistletoe stonden.

"Madre de Dios!" roept het meisje uit, met een purperen blos. "Ik bedoelde mijn hand. Heilige Maagd! Welk een vergissing! Als de Gravin dat eens had gezien,"--daarna moet zij lachen, ondanks zichzelve, zij slaat de oogen neer en keert zich om.

Guy trekt hiervan partij,--want zij bezit die eigenaardige schoonheid, welke mannen waanzinnig kan maken. Snel heeft hij de zachte, slanke, aristocratische vingers in de zijne genomen en de fout, een gevolg van zijn Angelsaksische onstuimigheid, hersteld.

Niettemin heeft de kus op die lippen bij hem zijn uitwerking gedaan, en eveneens bij de jonge dame, al weet zij het nu zelve nog niet. Zij zegt haastig en gejaagd: "Ik heb de gravin van Mansfeld verteld van den dienst, dien gij mij hebt bewezen. Zij had u willen verzoeken, haar feest met uw tegenwoordigheid te vereeren, maar ik meende, dat uw kleeding daarvoor niet geschikt was. Ik zie nu, dat ik mij vergiste. Gij hebt groot toilet gemaakt. Wilt gij u nu niet bij de gasten voegen?"

"Liever niet," haast Guy zich te antwoorden, want hij begrijpt, dat hij onder de menigte gasten niet zooveel kans op een vertrouwelijk gesprek zal hebben als nu.

"Ah, gij vreest u te vertoonen, omdat gij u zonder verlof hebt verwijderd uit uw garnizoen. Romero's Sicilianen liggen in Middelburg, als ik mij niet vergis. Dat verklaart ook uw komst per schip. Maar," vervolgt de dame ernstig, "ik heb daarover nagedacht. Als men er u in Antwerpen naar vraagt, zeg dan dat gij door de officieren zijt gezonden als hun eletto, om te vragen, wanneer hun achterstallige soldij zal worden uitbetaald. Want gij weet, dat sinds de koningin van Engeland ons achthonderd duizend kronen ontstal, geen soldaat in Brabant, Vlaanderen of Friesland zijn soldij heeft gekregen. Geef dit als reden op en het zal waarschijnlijk uitwerken, dat er geen verder onderzoek wordt ingesteld, of gij in het bezit zijt van een geschreven verlofpas van Romero."

"Drommels," denkt Guy, "zij zou zeker raar opkijken, als zij wist, dat ik meer dan iemand anders de hand heb gehad in het stelen van die achthonderd duizend kronen." Hij vervolgt echter zeer ernstig, want de dame heeft haar verlegenheid blijkbaar overwonnen en haar oogen ontmoeten onbeschroomd de zijne: "Hartelijk dank voor uw vriendelijken raad, Dona Hermoine. Ik zal er aan denken, als ik door den provoost-generaal ondervraagd mocht worden.--Maar," en hier dwingen zijn oogen het meisje de hare neer te slaan, "die raadgeving heeft voor mij nog veel meer waarde, dan gij u kunt voorstellen--niet alleen toch, dat zij mij voor arrest kan bewaren, maar zij is mij tevens een bewijs, dat gij nog aan mij gedacht hebt, nadat gij mij reeds verlaten hadt."

"Als dat zoo is, veroorloof mij dan u te toonen, dat ik zelfs nog meer aan u dacht, dan gij kondt vermoeden," antwoordt het jonge meisje, blozend over de bewonderende blikken waarmee de jonge man haar aanziet. "Ik heb ook eenige regelen in uw belang geschreven--hier is de brief. Nadat gij u weer bij uw regiment hebt gevoegd, moet ge dien bij de eerste geschikte gelegenheid aan het hoofdkwartier overgeven, en ik twijfel niet, of hij zal u spoedig een kolonelsplaats verschaffen." Dit zeggende, overhandigt zij hem een brief, die hem groote oogen doet opzetten, want hij is geadresseerd aan: "Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, onderkoning van Spanje".

"Wie, voor den duivel, kan zij zijn?" denkt Guy, maar hij heeft geen tijd, om vragen te doen; de eene verbazing volgt bij hem op de andere. Het meisje zegt nu haastig: "De gravin van Mansfeld en haar gasten wachten mij. Dit feest is te mijner eere;" dan voegt zij er op een bevangen toon, die Guy een vleugje van hoop geeft, aan toe: "Als ik langer wegbleef, zou men willen weten, wat er de reden van is." En zij raakt een zilveren schel, die op de tafel staat, aan.

En als hij die schel hoort, die voor hem als het ware de doodsklok is van zijn kortstondig geluk,--wetende dat het hem het leven kan kosten, haar weer te zien, en aangegrepen door dien wilden hartstocht, die een man slechts eens in zijn leven overmeestert en die hem doet gevoelen, dat de vrouw daar vóór hem van alle wezens op aarde, diegene is, voor wie hij, ware het noodig, zou willen sterven, zegt hij gejaagd: "Dan rest mij nog slechts den tijd, om u van ganscher harte te danken voor de vriendelijkheid, aan een onbekende bewezen; om u te zeggen"--maar zijn oogen zeggen veel meer dan zijn lippen en met een verschrikt: "Madre mia!" treedt zij haastig achteruit, als hij, door naderende voetstappen tot vertwijfeling gebracht, de woorden fluistert: "_Ik heb u lief_!"

Waarop zij met moeite uitbrengt: "Neen! Neen! Gij weet niet, wie ik ben!"

En hij, een knie voor haar buigend, fluistert: "Al waart gij de koningin van Spanje, dan zou ik u nog zeggen, dat ik u bemin!" en drukt op haar met juweelen versierde hand den kus van trouw en altijddurende toewijding.

Doch de lakei treedt binnen, en zij zegt, hoog en bevelend, alsof zij de koningin van Spanje was: "Gelast een vaandrig, kapitein Guido met alle verschuldigde eer buiten de Citadel te geleiden."

Haar zijden kleed ruischt en het volgend oogenblik is zij bij de deur van de kamer, doch daar keert zij zich nog eens om, alsof zij slechts noode heengaat.

En hij, haar naoogend, met zijn geheele hart in zijn oogen, ziet een tafereel, dat hij nooit zal vergeten; want het meisje staat daar in de bevalligste houding, stralend van jeugd en schoonheid, getooid met kanten, zijde en fonkelende juweelen, met ontblooten, sneeuwwitten hals en albasten schouders; een van haar Andalusische voetjes, in een ragfijn Brusselsch weefsel en een klein fluweelen schoentje, komt uitkijken onder haar rok van kant en zijde; met haar eene hand houdt zij de draperie boven de deur omhoog, en met de andere wuift zij hem een vaarwel toe.

Hij snelt op haar toe en fluistert: "Is het voor eeuwig?"

"Eeuwig? Hoe plechtig!" en zij tracht te lachen. "Neem dit als een herinnering!" en van haar vinger een ring trekkende, waarin één vlammende robijn is gevat, laat zij dien vallen in zijn hand en verdwijnt.

En als hij zich omkeert, ademt hij zwaar en diep, als werd zijn borst verruimd door een flikkering van hoop. Want in haar oogen heeft iets geblonken, dat antwoord gaf op zijn woorden: "Al waart gij ook de koningin van Spanje, toch zou ik u beminnen!"

HOOFDSTUK III.

DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL.

Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift, komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform, met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman zegt op levendigen toon: "Ik ben de officier, die is aangewezen, om u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon's busschutters."

"En ik," antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande, zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, "en ik neem wederkeerig de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero's musketiers."

"Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg," merkt de vaandrig op, als zij samen het huis verlaten. "Gij zijt zeker naar Antwerpen gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is een onmogelijk doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden," voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.

"Diablo! Gij zijt een vechtersbaas," meesmuilt Guy.

"'t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen," antwoordt de vaandrig. "Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te danken aan Alva's veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het," zegt het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan, op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.