Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 25
De beul, een van hen, die Alva altijd met zich voert, om parate executie te kunnen houden, komt binnen (een man in een nauwsluitend leeren buis en met een afgrijselijk wreed gelaat) en Alva zegt tot hem: "Hoe nu, kerel, waar is uw strop?"
"Ik dacht, heer," antwoordt de man, "naar hetgeen ik buiten hoorde, dat er iemand verbrand moest worden en ik kwam vragen, waar dat moest geschieden. Er zijn takkenbossen genoeg in den kelder om mijn man te roosteren. Zal ik hem verbranden op het plein voor het huis? Ik kan genoeg talk vinden, om hem in te smeren!"
De uitdrukking op het gelaat van zijn dochter, waarmee zij, zonder een woord te zeggen, op hem afkomt, terwijl zij hem strak aankijkt, doet Alva het hoofd afwenden en mompelen:
"De strop; hij is geen ketter, hang hem buiten aan een boom op."
"Zijt gij daartoe vast besloten?" Hermoine's welluidende stem is nu gebroken en schor.
"Ja! Het is een staatszaak."
"Mijn tranen, mijn gebeden, mijn gebroken hart,"--zij brengt dit met moeite uit,--"kunnen dus geen verandering brengen--in--uw besluit?" En er ligt een uitdrukking van doodsangst in de schoone oogen van het meisje, dat geen tranen meer heeft.
"Neen. Het is een staatszaak." Alva's lippen beven, terwijl hij dit zegt.
"Dan eisch ik voor den man, dien ik bemin, en die geen ketter is, het recht om de laatste genademiddelen van de Kerk te ontvangen. Gij zult zijn ziel niet verdoemen, al veroordeelt gij zijn lichaam. Gij zijt zelf een te goed Katholiek, om een Katholiek te doen sterven zonder den bijstand van de Kerk."
Don Fernando antwoordt hierop: "Er is geen priester hier."
"Gij brengt den beul mede en geen priester!" zegt zij bitter. "Geef hem en mij tenminste den tijd om onze gebeden op te zeggen--want als hij sterft--breekt mijn hart ook."
Maar nu komt er eenige beweging onder de krijgslieden aan de deur, en een man in priestergewaad zegt: "Plaats voor een vader van de Kerk!"
En als de krijgslieden hem doorlaten, ziet Guy tot zijn verbazing, dat het vader Anastasius is, dien hij had laten opsporen, om hem dezen avond te trouwen.
"Nu," roept Hermoine uit, "hertog van Alva, kunt gij niet langer weigeren."
"Dat zal hij ook niet," zegt de priester, "hij zal het mij niet weigeren, mij, vader Anastasius, die zooveel jaren in Zeeland heb geleefd en vervolgd ben ter wille van onzen Heer; hij mag mij de vergunning niet weigeren om de ziel van dezen man te redden."
"En waarom niet?" antwoordt Alva hooghartig.
"Omdat ik u in den ban zou doen. Goed Katholiek als gij zijt, hebt gij geen recht, om een ordonnantie van Rome te schenden."
"Ga uw gang dan. Bindt hem stevig. Bid met hem in die kapel, als gij meent, dat dit plechtiger is, en red zijn ziel. Nu, meisje, ga naar uw kamer."
"Niet voordat ik het laatste oogenblik heb gezien en de laatste woorden heb gehoord van den man, dien ik bemin. Gij hebt mij alles geweigerd, waarom ik u smeekte, gij hebt geweigerd het leven van mijn geliefde te sparen en ik heb er u niet om vervloekt--omdat ik uw dochter ben. Maar ik zal 's hemels wraak over u inroepen, als gij mij van zijn zijde wegzendt, zoolang er nog leven in hem is."
Hierop zegt Alva niets, doch zinkt neer bij de tafel, met het hoofd in de handen, terwijl hij tot den luitenant mompelt: "Met uw leven staat gij ervoor in, dat hij niet ontsnapt."
Als er een wacht is geplaatst voor den ingang van de kapel, wordt Guy er gebonden en hulpeloos heengeleid, en hij zinkt voor den priester neer.
Maar terwijl hij de biecht van den stervenden zondaar aflegt, hoort hij het geruisch van zijde naast zich en de witte kant en de oranjebloesem raken zijn gelaat aan, dat gewond is door geweerkolven, en een schoon wezen, op wier gelaat wanhoop te lezen staat maar tevens goddelijke liefde, knielt naast hem neer en fluistert tot den priester: "Niet het sacrament der stervenden, maar het sacrament _van het huwelijk_!--met dezen man, dien ik liefheb en die mij liefheeft--en die zijn leven keer op keer heeft gewaagd, om mij te komen zien. Nu weet ik, welke gevaren gij hebt getrotseerd om mij te winnen--mijn Guido!--nu weet ik het--mijn Guy, mijn Engelschman!"
"Maar de hertog van Alva!" mompelt de priester ontsteld.
"Gij toondet daareven ook geen vrees voor hem. Wees even barmhartig als gij goed zijt. Kijk naar het altaarstuk, zie, de Madonna smeekt u voor mij!"
En naar het altaarstuk ziende, schrikt vader Anastasius, maakt het teeken des kruises en stamelt: "Een wonder! Het gelaat van de Moeder Gods is het uwe, mijn kind; dezelfde oogen, dezelfde mond--wonderbaar!"
"Gij ziet, dat Moeder Maria mijn gelaat heeft aangenomen, om mijn voorspraak bij u te zijn," fluistert het meisje, een ingeving krijgend. "Spoedig, maak de ceremonie zoo kort mogelijk."
Aldus aangespoord, spreekt de priester, denkende dat het op bevel van de Heilige Maagd zelve geschiedt, over Guy Chester en Hermoine de Alva, ofschoon haastig, het sacrament van de Heilige Kerk uit, die dezen man en deze vrouw samenvoegen tot één vleesch, één lichaam en één naam.
Als hij het antwoord geeft, is het Guy eensklaps alsof alle hoop nog niet behoeft te worden opgegeven; God zal deze edele vrouw, deze teedere engel redden en hem met haar; hij hoort haar nu fluisteren: "Ik ben uw vrouw; _nu zullen wij zien of mijn vader mijn echtgenoot zal durven dooden_!--Heilige man Gods, uw zegen."
En als de priester zijn handen over hen uitbreidt, komen er tranen in zijn oogen en hij zegt: "_Benedicte_! De Heilige Maagd zal den man, dien gij bemint, behoeden."
Daarna voelt Chester de lippen zijner vrouw, die koud zijn als marmer, op de zijne, en zij, opstaande, gaat naar haar vader en zegt met een heesche, onnatuurlijke stem: "Het is geschied!"
Want het vertrek heeft nu veel van een gruwelkamer en alle stemmen klinken hol en onnatuurlijk; zelfs Hermoine's eigen stem is hard en schor geworden.
"Hij is gereed?"
"Neen, hij is _getrouwd_."
"Wat?"
"Ja, hij is met mij _getrouwd_."
"Met u getrouwd! Misericordia! Nu zult gij voortaan uw vader steeds beschouwen als den moordenaar van uw echtgenoot! Haal mij dien vervloekten priester hier!" roept Alva uit; er is woede, vermengd met angst, in zijn stem.
"Wat verlangt gij van mij?" antwoordt vader Anastasius.
"Hoe hebt gij het durven wagen, hen in den echt te vereenigen?"
"Op bevel van de Heilige Maagd! Zie! Moeder Maria heeft de trekken van zijn vrouw aangenomen, om hem te beschermen."
"O! wat een bedriegerij!" roept Alva uit. "Het schilderij van den verrader Oliver zou mij beletten wraak te nemen! Maar dat zal niet gebeuren, het is een staatszaak!" En hij geeft den beul, die naast hem staat met den strop in de hand, een teeken.
Hermoine echter gaat voor haar vader staan en zegt: "Geen onteerende dood voor mijn man, die evengoed een edelman is als gij. Wees tenminste zoo barmhartig en veroordeel hem tot het zwaard."
"Goed! ik zal hem denzelfden dood toestaan als Egmont en Hoorne. Onthoofd dien Engelschman op deze tafel!"
"Voor mijn oogen?" vraagt zijn dochter huiverend.
"Gij hebt het verlangd. Het is een staatszaak."
"Vader!" gilt het meisje, want de beul heeft het zwaard getrokken. "Vader, daar gij zelf op genade hoopt, betoon ze ook mij. Wenscht gij, dat iedereen op aarde u een vervloekten en wreeden moordenaar zal noemen? Er was slechts één, die u nooit zoo noemde, tot nu toe. Dat was uw dochter. Zoudt gij wenschen, dat zij zeide: 'Mijn vader heeft mijn echtgenoot gedood?'"
Hij antwoordt echter heesch: "Vlug, maak er een einde aan!"
Eenige mannen willen Guy nu naar de tafel sleepen, maar vader Anastasius gaat voor het altaar staan, breidt zijn armen over Chester uit en roept: "_Dit is een heilige plaats_! Vervloekt zij iedereen, die haar betreedt met getrokken zwaard en een bloot wapen! De Madonna beveelt het mij! Terug, of ik slinger den banvloek van de Moederkerk naar uw hoofd!" Want de priester is in de vaste overtuiging, dat de Heilige Maagd hem beveelt, den bruidegom te redden.
Maar Alva, zich baan brekend door de krijgslieden, roept uit: "Gij gaat te ver, verwenschte priester!" en hij wil zelf de hand slaan aan den gebonden man, want zijn manschappen deinzen achteruit, als de priester met verheffing van stem uitroept: "Vervloekt zijt gij!" en de huiveringwekkende formule der excommunicatie begint uit te spreken.
Fernando tracht te lachen. "Monniken jagen mij geen vrees aan--ik, die een leger heb aangevoerd tegen den paus!" en het schijnt, alsof hij voornemens is, zelf het vonnis aan den echtgenoot van zijn dochter te voltrekken.
Op dit oogenblik vliegt een donker, vlugvoetig meisje het venster binnen, uitroepend: "Hierheen! Gezwind!"
Alva roept zijn manschappen toe, tegen de aanvallers front te maken--maar het is te laat--al hun aandacht is door de executie in beslag genomen en zij hebben niets gemerkt van de nadering der mannen, die hen nu overvallen onder aanvoering van Corker.
Het duurt slechts een oogenblik en de ontstelde lijfgarde is neergesabeld of op de vlucht gedreven om daar buiten te worden ingehaald en afgemaakt, terwijl hun heer alleen staat te midden van zijn vijanden, ofschoon ongewond; want zijn wapenrusting is bestand tegen kogels van pistolen en haakbussen. Zijn hoofd is onbedekt en zijn laatste uur was bijna gekomen, want Chester, die nu een zwaard in de hand heeft, stormt op hem af, uitroepend: "Nu is het mijn beurt, hertog van Alva!" Maar Hermoine, zich aan haars vaders borst werpende en hem met haar armen beschermend, smeekt: "Spaar hem, als gij barmhartig jegens mij wilt zijn! Spaar hem, Guy, mijn echtgenoot, als gij dezen nacht een gelukkige vrouw met u wilt voeren,--want hoe zou ik het, zelfs in uw armen, kunnen vergeten, dat gij de moordenaar mijns vaders zijt?"
"Spaar hem, jonge man, ik gelast het u nu, zooals ik u zooeven redde," roept de priester uit.
"Ja, dat deedt gij, goede vader Anastasius," zoo laat nu Hermoine zich hooren, als Guy zijn arm laat zakken.
Don Fernando vraagt thans op somberen toon: "Welk losgeld?"
En voor Guy's oogen verrijst het beeld van de belegerde stad, de uitgeputte mannen, de verhongerende vrouwen, de stervende kinderen en hij antwoordt: "De vrijheid van Haarlem!" want hij gevoelt dat hij het lot van een volk in zijn hand heeft.
"_Nooit_! Ik heb goud om mijn leven te betalen, doch eer ik toesta, dat één vendel het legerkamp voor Haarlem verlaat, kunt gij mij neerstooten!" is het vastbesloten antwoord van Alva. "Vermoord mij, als gij wilt, doch niemand zal zeggen, dat Don Fernando de Toledo, om zijn leven te redden, de trouw aan zijn vorst heeft geschonden."
"Laat men hun dan wat proviand mogen toevoeren!" smeekt Guy nu.
"Neen!"
"Laat de vrouwen en de kinderen tenminste de stad mogen verlaten, opdat er minder monden te voeden zijn!" smeekte Hermoine op haar beurt.
"Neen!"
Ware hij op dit oogenblik omringd geweest door Hollanders, dan zou het laatste uur voor den Hertog geslagen zijn; maar gelukkig voor hem, zijn het Engelschen, die om hem heen staan; toch werpen ook dezen blikken vol haat en woede op hem en slaan de handen aan hun zwaarden.
Chester roept echter uit: "De wapens neer! Geen van mijn manschappen zal den vader van mijn vrouw letsel doen. Kom mee, Hermoine."
En het meisje gaat naar hem toe.
Dit ziende, stamelt de hertog van Alva: "Gij--gij neemt haar mede?"
"Waarom niet? Gij hebt haar niet lief!"
"Of ik haar liefheb!--Het was een staatszaak.--Beloof mij dan tenminste, als gij niet langer bij mij wilt blijven, Hermoine--dat gij mij nu en dan eens zult komen bezoeken--wanneer gij dit alles zult vergeten zijn."
Doch het meisje antwoordt: "Neen. Ik zou niet zonder mijn man willen komen, en ik vertrouw niet genoeg op uw liefde voor mij, dat gij zijn leven zoudt sparen, als het in uw macht stond hem te dooden.--Het zou--_een staatszaak_ zijn! Wat beteekenden mijn leven, mijn geluk, al wat mij op aarde dierbaar is, toen ik u pas vijf minuten geleden om erbarming smeekte, vergeleken bij die _staatszaak_! Vader, blijf uw staatkunde getrouw, zij heeft u het eenige hart in de wereld gekost--dat u beminde!" Hier is het haar onmogelijk, verder te spreken, en naar den man toegaande, die tot heden zooveel voor haar is geweest, fluistert zij: "Gij waart altijd teeder en goed voor mij--vroeger!" en kust hem herhaaldelijk.
En nu begint de Hertog te smeeken, dat zij zal denken aan zijn grijze haren--zij, die de troost is van zijn ouderdom--en barst eindelijk los tegen Guy: "Uw liefde is een zelfzuchtige--gij veroordeelt dit meisje, dat in een vorstelijke omgeving is grootgebracht, om met u het leven van een zeeroover te leiden."
"Maar tegelijk met haar heb ik mij een aanzienlijken bruidsschat toegeëigend--een koningsdochter waardig, _uw geheelen onzaligen tienden penning_, hertog van Alva!" antwoordt Guy, die dezen Parthischen pijl niet kan terughouden.
"Hoezoo? Vanwaar?"
"Uit uw schatkamer onder het bastion van den Hertog."
"Groote God! Onmogelijk!"
"Het was het geheim van den stervenden Paciotto!"
"Ik--ik kan het niet gelooven," stamelt Fernando bleek, bevend, gebroken.
"Gelooft gij het dan, als ik u zeg: _het standbeeld heeft zijn hand bewogen_?" spot Chester.
"En Roderigo, mijn schatbewaarder, _stierf_ zes dagen geleden! Het is het noodlot--de fortuin heeft mij den rug toegekeerd," kreunt Alva en laat het hoofd op de borst zinken, alsof alle hoop hem heeft verlaten.
Guy leidt zijn vrouw weg van dit wanhoopstooneel; doch als zij zich bij de deur nog eenmaal omwendt om haar vader, die nu geheel alleen is, een laatsten blik toe te werpen, begint Hermoine te huiveren en te snikken in de armen van haar echtgenoot.
De ijzeren Hertog knielt voor het altaarstuk, waaruit de oogen zijner dochter op hem neerzien en hij snikt--hij, die nooit te voren geweend heeft.
Het is het eenige wat Alva in deze wereld van zijn dochter rest. Nadat het schoone wezen, dat de vreugde van zijn ouderdom was, van hem is heengegaan, wendt ook de fortuin haar aangezicht van hem af. Ofschoon hij Haarlem inneemt en zijn beulen, vijf in getal, er dag en nacht aan het werk zijn, om de burgers van die ongelukkige stad te vermoorden en de dapperste verdedigers van haar wallen te onthalzen, Ripperda, Hasselaer en haar andere helden en heldinnen, stoot Don Fernando voor Alkmaar het hoofd.
Hij is niet meer de Alva van vroeger, en als hij eenige maanden later naar Spanje vertrekt, gaat hij heen, gebroken naar ziel en naar lichaam; hij heeft het vertrouwen van zijn koning verloren, en de onsterfelijke beruchtheid verworven, de wreedste man der wreedste eeuw te zijn. Al zijn schuldeischers in Holland en Brabant zenden hem verwenschingen na, als hij het land verlaat,--zij kennen de ware geschiedenis van zijn standbeeld niet.
Zelfs Requesens, zijn opvolger, geloof slaande aan de praatjes van de soldaten, haalt het groote standbeeld van Alva omver en laat naar den schat graven--om niets te vinden dan het onderaardsche gewelf, dat eens de bergplaats er van was. De Hertog neemt naar Spanje één ding mee, dat hem voortaan het dierbaarst op aarde is--het altaarstuk, geschilderd door den genialen kunstenaar Oliver, en het wordt geplaatst op het altaar in de kathedraal te Vittoria, waar de hertog van Alva zich vestigt. De boeren vertellen, dat de man met het hart van steen iederen dag weent voor de Madonna om de duizenden menschenlevens, die hij in de Nederlanden heeft doen verloren gaan. En nu, na driehonderd jaren, houdt men het schilderij voor een der eerste werken van Murillo en strekt het om den roem van dezen meester te verhoogen--aan toeristen vertelt men, dat de waarde er van niet te bepalen is.
Zoo heeft de doode Oliver zelfs zijn beroemdheid verloren. Zijn genie heeft den naam van een ander helpen vestigen; zijn lichaam werd geworpen in zijn geliefd IJ, zijn hoofd binnen Haarlem's wallen als aas voor de roofvogels. Hij stierf om Nederland te bevrijden, om de komst voor te bereiden van een nieuwen tijd, waarin de menschen zichzelf zouden kunnen zijn en vrijheid van denken zouden hebben en God zouden kunnen aanbidden, ieder op zijn eigen wijze. Hij heeft enkel den roem behouden, een patriot te zijn geweest--en is dat niet genoeg?
Guy voert zijn vrouw naar de landingsplaats, ver van haar vaders wanhoop en vernedering. Hier wachten al zijn booten op hem, terwijl de matrozen inderhaast, onder toezicht van Alida, het voornaamste van Hermoine's bezittingen meevoeren. Het Moorsche meisje neemt zelve het kistje met juweelen in de hand en gaat naast haar meesteres in de sloep zitten.
Chester geeft eindelijk het bevel, om van wal te steken, en de sloepen begeven zich op weg naar de _Dover Lass_.
"Herinnert gij u onzen vorigen boottocht op deze rivier?" fluistert Guy in het oor van zijn vrouw. "De onbekende dame, die mij tot kolonel wilde bevorderen, hè?"
"En heb ik niet meer voor u gedaan?" antwoordt Lady Chester--née Hermoine d'Alva--in zijn oor.
De blik, waarmee Guy haar aanziet, is welsprekend genoeg; er zijn geen woorden noodig.
Als zij de _Dover Lass_ langszij zijn gekomen, neemt Chester zijn vrouw in zijn armen en draagt haar naar zijn hut, waar Hermoine verwonderd rondkijkt en uitroept: "Uw schip is zoo fraai als een staatsgalei of vorstelijk pleiziervaartuig, mijn heer," want Achille heeft met zijn Franschen smaak de hut herschapen in een dames-boudoir, met frissche bloemen, op den oever geplukt.
"Ja, het was voor de wittebroodsweken, dat ik de hutten liet versieren. Het was voor u."
"Dus gij waart er zóó zeker van, mij te winnen--met de macht van geheel Spanje tegenover u? Wat bezit gij Engelschen een volharding en een vermetelheid!" Dit zegt zij lachend, maar daarna neemt haar gelaat een ernstige uitdrukking aan en stamelt zij: "Wat hebt gij niet gewaagd voor mij, mijn Guy--mijn Engelschman!"
Maar Chester moet zich van haar losrukken en op het dek gaan om zijn zeemansplicht te vervullen. De Engelsche vlag wappert van de _Dover Lass_, en het schip snelt naar den mond der Schelde, Vlissingen voorbij, want Guy wil hier niet stilhouden, uit vrees voor Spaansche oorlogsschepen.
Den volgenden avond werpen zij het anker uit te Harwich, waar de klokken vroolijk luiden.
"Welkom in Engeland!" roept Guy uit en brengt zijn vrouw aan land. Hier doet het gerucht weldra de ronde, dat Chester een galjoen met enorme schatten heeft buitgemaakt en hij betaalt dan ook tien percent, zooals gebruikelijk is, aan de Engelsche kroon, evenals in dergelijke gevallen Drake, Hawkins en andere zeeschuimers deden.
De rest van den schat is volgens de wet van het land de zijne, en hij keert aan Bodé Volckers zijn aandeel uit. De Vlaming gaat met dit geld naar Holland en vestigt zich eenige jaren later, als Amsterdam zich voor Oranje heeft verklaard, in die stad om een van haar voornaamste kooplieden te worden.
En als de matrozen hun gage en hun belooning hebben ontvangen, zijn er geen gelukkiger zeelieden in alle havens van Engeland; en nog weken later, als eenige van de pikbroeken in Plymouth of Portsmouth worden gezien met twee groote horloges op zak, roepen de menschen: "Dat is een van Chester's matrozen, niemand behalve een matroos van de _Dover Lass_ kan zich zulk een buitensporige weelde veroorloven!"
Als dit alles ter oore komt van koningin Elizabeth, zegt Hare Majesteit tot haar eersten minister: "Burleigh, deze Sir Guy Chester is de grootste dief van ons allen. Hij heeft de dochter van Alva gestolen en hij en het meisje hebben samen haar vader bestolen, den armen ouden Hertog."
"Zij namen een voorbeeld aan Uwe Majesteit," antwoordt Burleigh. "Gij herinnert u de achthonderd duizend kronen immers nog wel?"
"Dat zou ik denken! Maar mijn ridder Chester is voor mij verloren als krijgsman wanneer zijn fortuin slechts een vijfde bedraagt van het kapitaal, waarop men het schat, en de lieftalligheid van zijn vrouw slechts een tiende is, van hetgeen er van verluidt. Breng die kleine heks bij mij. Ik wil die Spaansche schoonheid zien."
"Inderdaad," antwoordt Cecil, die Hermoine heeft gezien en verrukt is over haar schoonheid, "Lady Chester is de schoonste vrouw op aarde--op Uwe Majesteit na."
"Uit mijn oogen met uw laffe vleierij--dat 'op Uwe Majesteit na' komt hinkend achteraan," lacht Elizabeth. "Maar breng haar hier, ik geloof, dat gij zelf op haar verliefd zijt, gij oude zondaar! Laat mij dat Spaansche wonder aanschouwen."
En als Sir Guy Chester met zijn vrouw aan het hof komt, wekt Hermoine door haar geest en haar lieftalligheid de algemeene bewondering op.
Haar ziende, zegt Queen Bess op weemoedigen toon: "De fortuin heeft van Chester een saletjonker gemaakt; hij eet nu zelfs met dat afschuwelijke Italiaansche ding, vork genaamd. Toch heeft hij oog voor kostbaarheden; de diamanten van zijn vrouw zijn schooner dan de mijne. Misschien zou hij een goede Lord van de Schatkist zijn, want hij zal nu wel niet meer gaan vechten--tenzij het hem in het hoofd mankeert."
Elizabeth heeft goed gezien. Chester koopt groote bezittingen rondom Londen en richt zich met zijn vrouw in op een vorstelijken voet, en beiden smaken een volkomen geluk. Tien jaren later gordt hij echter zijn zwaard nog eens aan, zooals iedere echte Engelschman, en op zijn eigen kosten zes schepen uitrustende, waarvan het kleinste de oude _Dover Lass_ is, onder bevel van Dalton, vat hij post in het kanaal onder Lord Howard van Effingham, om te strijden tegen de groote Armada, door Philips van Spanje uitgezonden teneinde de vrijheid van zijn land te bedreigen.
Die roemrijke overwinning is het laatste zeegevecht van den "Eerste der Engelschen". Van dien tijd af aan woont hij het grootste gedeelte van het jaar in het milde klimaat op de kust van Kent, waar zijn vrouw zich het best thuis gevoelt, waar het zoele windje haar herinnert aan haar Spaansch geboorteland. Hier regeert zij tot aan het einde van haar lang, gelukkig leven als koningin in het hart van haar man.
Hun eenig verdriet is, dat hun geen zoon wordt geboren, om hun groote bezittingen te erven, maar zij hebben een dochter, het evenbeeld van Hermoine, en deze huwt in een voorname Engelsche familie, als bruidsschat het uitgestrekte grondbezit meebrengend, dat nu een der hertogelijke geslachten tot een van de rijkste en aanzienlijkste van Engeland maakt.
Nu en dan heeft een dochter van dat huis Hermoine's prachtige oogen, blanke teint en weelderig haar en haar bevalligheid is niet die van een dochter van het Noorden, maar van een dochter van het Zuiden. Dan lachen haar broeders en zusters en zeggen dat de Spaansche schoonheid nog eens hier opdoemt, ofschoon zij zijn vergeten, van wie zij afkomstig is.
Zij kennen nog slechts als legende de geschiedenis van den stoutmoedigen zeeman, den onverwinnelijken krijgsman, en den alles trotseerenden minnaar, die Alva's schat en het hart van Alva's dochter won, om haar te maken tot de de bruid van den "Eerste der Engelschen"!
_Bij den Uitgever dezes verscheen mede:_
VOOR KONING EN VADERLAND
NAAR HET DUITSCH VAN
HANS VON ZOBELTITZ
DOOR
H. BERTRAND.
Rijk geïllustreerd. Prijs ingenaaid f _2.40_, in prachtband f _2.90_.
Het _Nieuws van den Dag_ van 27/11 '95 zegt o.a.:
Het is de aan avonturen zoo rijke geschiedenis van twee jongens, het zoontje van een sergeant-majoor en het zoontje van een edelman, die met nog andere knapen door Koning Frederik Wilhelm worden uitverkoren om deel uit te maken van het kadettenkorps dat door den Koning was opgericht. Frederik Wilhelm had namelijk besloten tot de oprichting van een compagnie jongens, juist zoo oud als de Kroonprins was. Deze jongens kregen echte soldatenpakken aan, ze werden als soldaten gewapend en de Kroonprins zelf werd hun bevelhebber.
De lotgevallen van deze ferme jongens worden in het boek op boeiende en spannende wijze verteld, en 't zijn werkelijk lotgevallen die de moeite waard zijn. Zoo worden bij voorbeeld de twee genoemde jongens de ontdekkers van een complot dat tegen het leven van den Koning gesmeed is. Zij gaan zelf heel parmantig hun gewichtige ontdekking aan den Koning mededeelen en door hun toedoen wordt de hoofd-samenzweerder, een Franschman, gevangen genomen.