Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 23

Chapter 233,945 wordsPublic domain

"Groote God, mijn pruik!" krijscht La Pariza en zij laten haar staan, heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van duivelschen haat te lezen.

Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: "Hebt gij opgemerkt, hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin."

"Daar geef ik niets om!" lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt zacht: "Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van de Moederkerk, gebruik dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden te verdragen."

Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.

Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.

Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En afscheid van haar nemend, zegt hij: "Morgenavond precies om negen uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water maken, mijn lieveling?"

"Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd," lacht het meisje. Daarna zegt zij peinzend: "Was Papa maar hier, dan konden wij hem meenemen."

"Ik--ik smeek den hemel van niet," antwoordt haar beminde ontsteld.

"O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!"

Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit denkbeeld, naar huis terug.

Dit vertrouwen in haar macht over Philips' onderkoning, brengt onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.

Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine's landhuis, om daar door zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.

Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: "Ik dacht niet, dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over vier dagen, hertog van Alva!" En zij maakt een dienaresse voor hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: "Dus, mijn Hermoine, zijt gij teleurgesteld?"

"Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel--verrukt!"

"Gij moet weten," merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis is binnengetreden, "dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D'Avila, den commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar dagen terugkeer naar de Citadel."

Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant en Vlaanderen, heeft Sancho d'Avila bij wijze van postscriptum geschreven: "Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, vier dagen geleden stierf."

Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te 's-Hertogen-bosch, Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.

"Ik kan niet lang blijven," merkt hij haastig op; "ik moet nog vanavond in Antwerpen zijn."

"Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt." Bij deze woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft gemaakt. "Gij moet met mij soupeeren!"

"Onmogelijk, ik moet verder gaan."

"Gij moogt niet, papa, _gij moogt niet_! Gij zijt zoo lang onder mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd zijt geworden."

Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn langen zilveren baard, uitroepend: "Nu zijt gij mijn gevangene! Tien kussen als losgeld!"

"Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden," lacht de Hertog.

"Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen."

Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd is, en hij zegt: "Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, de stad is geheel afgesneden--zij moet de mijne worden. En als ik dan met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, dat er ooit oorlog was."

"Ja," roept het meisje uit, "en wij nemen hem met ons."

"Hem? Wien?"

"Mijn toekomstigen echtgenoot."

"_Uw toekomstigen echtgenoot_! Van wien spreekt gij, kind?" vraagt Alva, ten hoogste verbaasd. "Nooit zag ik een vrouw, die zoo ontoegankelijk was voor aardsche liefde!" Dan lacht hij: "Dat is een zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der Moederkerk te worden."

"Maar dat is alles voorbij."

"Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn."

"Ja, zij zal een betere bruid zijn," lacht het meisje, tot haar onderwerp terugkeerend. "Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!"

"Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar uitstellen tot morgen."

"Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag aankomen." Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is aan den Hertog zal overbrengen.

Doch tot Hermoine's groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en hertog van Huesca, gedreven door nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: "Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand," en hij doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche etiquette. "Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij daareven zeidet van een minnaar, kind?"

"Geen aardigheid."

"Vertel het mij dan."

"Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter heeft gestemd. Het is verhard in Holland."

"Niet te uwen opzichte," zegt de Hertog. "Vertel het mij, mijn schat."

"Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten."

Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.

Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: "Uw Guido Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht op het ijs."

"Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen," zij wijst de richting aan met haar hand.

"Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig," zegt Alva, die boven alles strateeg is.

"Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner waardig!" En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.

"Nu moet gij vooral niet heengaan," smeekt zij. "Hij komt vanavond hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu."

"Oho!--Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk gehaat hebben."

"Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En daar gij nooit 'neen' tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven."

"Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet," mompelt de Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, "moet ik eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho d'Avila te zenden."

"Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult terugkomen--beloof het, zweer het!"

"Ik beloof het bij dezen kus!"

"Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid," juicht Hermoine met van geluk stralende oogen.

Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij mompelt: "Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat zal dat een heerlijke avond worden!"

Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, terstond een brief te verzenden naar Sancho d'Avila, commandant van de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: "Mondragon, kent gij een zekeren Guido Amati, kolonel in Romero's legioen?"

"Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland ging."

"Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet."

"Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit ontmoet, en ik ben een oud soldaat."

"Bandeloos, een lichtmis en een speler," herhaalt Zijne Hoogheid langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. "Zijt gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?"

"Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido Amati is dood."

"Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is."

"Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero's afdeeling."

"Is dat werkelijk zoo?"

"Ja, inderdaad."

"Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van zijn regiment?"

"Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen mannen zijn, die hem zagen vallen."

"Ah! in het gevecht op het ijs?"

"Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant Gomez."

"Laat hen terstond hier komen," zegt Alva, verbaasd en geschokt door die onbegrijpelijke mededeelingen.

En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.

"Luitenant De Busaco, nietwaar?" zegt Don Fernando.

"Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd."

"Waart gij bij het gevecht op het ijs?"

"Ja, Uwe Hoogheid."

"Wie voerde daar het bevel?"

"Kolonel Guido Amati."

"Werd hij gedood?"

"Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen."

"Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!" mompelt de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco zetten groote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.

"Gij zaagt hem vallen?" vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn ooren niet kan gelooven.

"Ja, Uwe Hoogheid."

"En gij denkt, dat hij dood is?"

"Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af."

"Zooals zij altijd doen," antwoordt Alva. "Ik vrees, dat ik hun dat kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?"

"Ja, Uwe Hoogheid,"

En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva en geeft hem de volgende inlichtingen:

"Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp."

"Gij weet dus, dat hij dood is."

"Ja,--tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden."

"Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?"

"Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken."

"Dat is voldoende," mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de zaak begrijpt. "Gij kunt gaan, Gomez."

"En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden," merkt Mondragon op; doch als de sergeant is heengegaan, vraagt de commandant plotseling: "Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte berichten van Haarlem ontvangen?"

"O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu meester van. Het is niet over Haarlem." En plotseling beveelt hij: "Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?"

"Ja, Uwe Excellentie."

"Laat hij mij dan vergezellen."

En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: "Hoe zag die Guido Amati er uit?"

"Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken Morisco."

"Hij had natuurlijk de manieren van een edelman," vervolgt de Onderkoning.

"Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver Castiliaansch sprak als een priester."

"Het is goed, ik weet genoeg, sergeant," zegt de Onderkoning. En zij zijn weldra het landhuis genaderd.

Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoine binnentredend: "Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben."

"Hoezoo?" vraagt het meisje.

"Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs."

"Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn vreeselijk!" Dit laatste huiverend.

"_Gezien_ de wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben gemaakt?"

"Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het leven zou hebben beroofd, behalve een Paladijn."

"Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is."

"Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers," vervolgt Hermoine, "die leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, lief gezicht staat zoo donker als de nacht." En het meisje kust hem.

"Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt."

Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, maar die hij heel belangrijk vindt.

"Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den springvloed in 1572?"

"Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde uit de handen der Geuzen."

"A--ah--ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en donkere oogen, nietwaar?"

"Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel blond.--Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?"

"O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn gang niet die van een zeeman?"

"Die van een ruiter."

"O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?"

"Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk."

"Ja, dat herinner ik mij," zegt Zijne Hoogheid langzaam. "De dag, dat De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, dien gij zegt, dat gij bemint," de hertog van Alva doet moeite, om den ongedwongen toon vol te houden, "spreekt het patois van Hispaniola?"

"Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch als muziek in de ooren."

"Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen." En als hij het vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, die het bevel voert over zijn escorte.

Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.

En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost nu als een roos.

Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met liefderijke handen van alles bedient.

"Gij--gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet missen?" fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.

"Neen, dat--dat is het niet." Zijn gelaat heeft een uitdrukking, die Hermoine niet begrijpt.

"Maar à propos," zegt zij, "aangebeden papa, nog een belofte."

"Welke?"

"Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido."

"Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn," mompelt Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de oogen op zijn beker gericht houdt.

"Dank u, lieve, beste papa," antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij plotseling: "Maar nu moet ik gaan."

"Waarom?"

"Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot."

"Hm!"

"Ik zal mij kleeden als een bruid."

"Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?" En er klinkt weemoed in zijn stem.

"Met mijn gansche hart," antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: "Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, papaatje!--gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig wilt maken."

En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan niet juist zullen blijken te zijn.

Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds verlustigt, en hij mompelt: "Als hij het is, die mijn goud stal voor die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit Engeland verdreven werden met: 'Geen proviand, geen water, maar slechts kogels en kruit,' om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger."

HOOFDSTUK XXII.

"HAHA! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"

Terwijl zijn beminde haar best heeft gedaan om Papa's toestemming te verkrijgen, heeft Chester gewerkt als een bever, die voor zijn wintervoorraad moet zorgen. De matrozen hebben onder leiding van Bodé Volckers al het zilver, waarvan een gedeelte in staven en de rest in Spaansche dollars, in den kelder gedragen, en terstond bij het openen van de stadspoorten, brengen zij de eerste vracht in het ruim van het schip, want het zilver neemt veel meer plaats in dan het goud, al is de waarde er van ook niet zoo groot.

Daar zij, zooals begrijpelijk is, zich hiermee zooveel mogelijk haasten, gelukt het hun, reeds op den middag alles in het ruim van de _Esperanza_ onder dek te brengen.

Martin Corker, die in het huis van moeder Sebastian is gebleven, om toezicht te houden sinds Chester de wacht op de _Esperanza_ heeft betrokken, zegt, met de laatste vracht aan boord komend, tot zijn commandant: "Bodé Volckers wenscht, dat gij, zoo gauw als ge kunt, in het huis van 'de Stomme Duivelin' bij hem komt."

"Waarom?"

"Hij heeft de kist met juweelen nog laten staan. Hij was bang, dat eenige van de matrozen haar zouden wegmoffelen, zij is zoo gemakkelijk te hanteeren en houdt waarschijnlijk een groote waarde in."

Met een onderdrukte verwensching aan het adres van den koopman, want Chester verlangt hoe eerder hoe liever uit te zeilen, loopt hij zoo vlug als hij kan naar het huis van moeder Sebastian en vindt daar Niklaas met vier matrozen, de laatste die er zijn achtergebleven.

"Heb ik u niet gezegd, dat ik overdag liever niet in de schatkamer ging?"

"Ja, maar ik wilde niet gaarne de juweelen verliezen," antwoordt de koopman.

"Het geval ligt er toe," zucht Chester, "ik zal er dus nog eens in moeten gaan." Hij doet dit en vindt alles zooals vroeger. Als hij terugkomt van zijn tocht onder de gracht door naar het gewelf onder het groote bastion, lacht hij: "Alles is in orde, dit is het laatste van Alva's nesteieren."

"Hebt gij al de ijzeren deuren weer gesloten?"

"Ja."