Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 22
Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline heerscht als onder Alva's veteranen. En met een verruimd hart zeilt Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: "Nu ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen, om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!"
HOOFDSTUK XX.
"PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!"
"Het is al over tienen--maar beter laat dan nooit," denkt Guy, als hij uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het smalle pad naar Sandvliet opsnelt. "Drommels! Zij is nog niet naar bed gegaan," lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den koperen klopper op de deur vallen.
Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te wachten. Zij fluistert haastig: "Excellentissima wacht u."
"Is zij alleen?"
"Ja, senor coronel."
Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.
De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie, en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden van die pracht staat met een pruilend mondje de godin van dit feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk, waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn komen--blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk, die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.
Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen, staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. "Ik dacht, dat gij nooit zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!"
"Ik werd opgehouden door zaken."
"Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?" en Dona Hermoine steekt haar neusje in de lucht.
"Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader, als ik hem om uw hand vraag," antwoordt Guy, voor een enkelen keer de waarheid sprekend.
"O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken," roept het meisje uit, "ik heb geld genoeg voor ons beiden. Denkt gij misschien, dat ik u om uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb, die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?" En zij maakt een buiging voor hem en vleit: "Gij hebt mij nog maar eens gekust!"
"Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?"
"Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe," lacht zij.
Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.
"Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest," fluistert hij in het rose oortje, dat dicht bij hem is.
"Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt bevolen, geen gasten uit te noodigen."
"En gij hebt mij gehoorzaamd?"
"Ja--wordt gij dan niet mijn heer?"
"Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?" lacht Chester.
"O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der Nederlanden, doch dat is niet waar," zegt het meisje met overtuiging; daarna zucht zij: "Als dat zoo was, was dit land een ander,"--en daarna roept zij op haar ouden toon uit: "Maar laten wij daarvan niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen heeft veroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar zijn--gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig te maken, mijn Guido."
"Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben," fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.
"En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar, mijn Guido?"
"Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen," fluistert de verrukte Chester.
"Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes zullen later voor u spelen en dansen--voor het oogenblik wil ikzelve trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!" En ondanks Guy's protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En daarna zingt de stem, waarvan de Hollandsche Watergeus zeide, dat zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de muziekgeschiedenis onbekend is.
"Madre mia!" lacht het meisje, "men zou denken dat gij de componist van het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord."
"Laat mij haar vervolgen!" Dit komt van een ruwe, snerpende stem achter hen.
En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine's duena voor zich, de gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor de beleedigde etiquette, uitbarst:
"Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd, dat iemand, die door mij is opgevoed, _alleen_ een cavalier ontvangt."
"Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij--"
Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:
"Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige Maagd, bewaar mij voor den geest!" en zij zinkt neer, Latijnsche gebeden prevelend.
Hermoine begint echter te lachen: "Neen, niet dood! Gij behoeft hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens aanraken met zijn lippen!"
Waarop Chester protesteert: "Neen, neen!"
"Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch zijn, Guido mio."
En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn opgeheven tot een gebed.
Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena, terwijl zij op hoogen toon zegt: "Als kolonel Guido Amati dan geen geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn bedoelingen."
"De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!" antwoordt Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.
"Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!"
"Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!"
"Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader."
"Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal hem alles vertellen op mijn eigen manier en als ik den tijd daartoe gekomen acht."
"Zal ik niet!" krijt de duena. "Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw vaders toorn op mij wil laden?"
"Laad dan den mijne op u!" roept het meisje uit, en terwijl zij vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen: "Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan, gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd, zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling te ontgaan!"
"Welke bewijzen hebt gij daarvoor?" stamelt de gravin.
"Geen andere dan Brederode's brief, waarin hij u dankzegt voor uw waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?" spot Hermoine.
"Ik--ik was in zulk een groote geldverlegenheid," stamelt La Pariza.
"Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een ontvluchting--eerst de pijnbank--en daarna de brandstapel!" Deze vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje alsof zij een ijsberg ware, en als Chester haar aankijkt, behoeft hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva's dochter is.
"Neen--neen! Genade!" snikt de gravin.
"Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus, dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het--op uw knieën en zweer het!" roept Hermoine dreigend uit.
"Ik--ik zweer het," stamelt de duena.
"Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten, bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide--zweer!"
En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza den eed, haar voorgezegd door Alva's dochter, die haar het crucifix tegen de lippen drukt.
"Waartoe dat heele relaas?" vraagt Guy, die in verbazing het tooneel heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar karakter geeft.
"Omdat ik haar niet vertrouw," antwoordt het meisje. "Het moet een sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze hellepijn, gravin De Pariza."
"Ik--ik meende altijd, dat gij van mij hieldt," stamelt de duena opstaande.
"Van _u_ houden?" herhaalt het meisje met een vreemde flikkering in haar oogen. "Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen ik twaalf jaar was, om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij, ik haat wreedheid! _Ik ben Alva's dochter_!"
Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach hooren.
Het meisje gaat op haar af en roept uit: "Waag het niet, den schijn aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet, hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren--noch van _iemands_ lippen!" want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige uitdrukking op haar gelaat, zeggende: "Vergeet niet, dat ik de dochter van den Viceroy ben."
"Boete!" lacht Chester.
"O ja--o--o--ik vergat het! Ja, mijn heer!" zegt zij, een buiging voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: "O santos! wat zijt gij een kwelgeest--gij kust mij, zoo vaak als gij er de kans schoon toe ziet."
Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in zichzelve mompelt: "God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar naar zijn pijpen doen dansen, daarvoor sta ik borg!" en daarna gaat zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,--waarom het volstrekt niet rouwig is.
Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt, dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.
Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is; want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om dit meisje te veroveren--namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft, dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.
Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept eensklaps plagend uit: "Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den Viceroy!" en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes, totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter hij nog geen blik heeft mogen werpen.
Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer ernstig en fluistert: "Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld, maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien Ave Maria's voor u bidden." En de gordijnen ter zijde trekkend, toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk van Oliver, en zij fluistert: "Hier op deze plaats bid ik voor u!"
"Ja," antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, "ik offer zelf aan dat altaar."
"St, niet spotten," antwoordt het meisje plechtig. "Dit is de kapel, waarin wij getrouwd zullen worden."
Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben, want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor den dag.
Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: "Buiten weten van mijn vader, zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!" en vier of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.
Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig, hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig werk voor zich heeft--om de jonge dame te schaken en toch haar liefde te behouden.
Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen en misschien ook voor zijn leven.
Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als er den volgenden morgen een koerier met brieven uit Holland komt, klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven: "Papa komt, nu--nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!"
HOOFDSTUK XXI.
"DE HERTOG VAN ALVA!"
Onbekend met Dona de Alva's plannen voor zijn welzijn, gaat haar verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.
Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle aan boord gebracht door Chester's eigen matrozen, en hoe zwaarder de zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.
Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.
"Bodé Volckers is een zeeroover van beroep," fluistert de zeeman als hij Chester verslag geeft. "Hij zou vechten voor het goud, totdat hij geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij is onschadelijk gemaakt."
Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van de hut van de _Esperanza_ honderd negen en zeventig zakken met goud heeft, verzegeld met Alva's wapen; en als hij ze schat op twintig duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave van Corker.
En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, brandend van verlangen om zijn beminde te zien.
In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de landingsplaats te gemoet, opgewonden uitroepend: "Goed nieuws! Goed nieuws!"
"Welk nieuws?" vraagt Chester angstig--daar bijna elk nieuws nu voor hem gelijkstaat met slecht nieuws.
"Papa komt--hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen."
"Wanneer zal de Hertog hier zijn?"
"Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief."
"A--ah!" laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.
Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, zij hem toch liefheeft.
Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.
"Waarom?" pruilt zij.
"Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader."
"O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertog van Alva is jegens mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij."
De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op de lippen heeft gehad: "God helpe mij, als zij slechts mijn naam liefheeft en niet mij!" denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.
Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, dan zij vermoeden.
Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.
"Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft in haar eigen vertrekken," antwoordt de jonge dame. "Die vrouw zou mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar tyran, want dat is mijn duena--gij behoeft mij met uw kussen niet telkens in de rede te vallen, Guido mio--ben ik er in geslaagd, Zora tegen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te koelen op het arme meisje?" vervolgt zij levendig. "Als dat zoo is, als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine de Alva."
Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy's armen, op en fluistert: "Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!"
Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. "Het is Alida! Die laffe vrouw heeft haar geslagen!" roept zij uit.
En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont zich een zonderling schouwspel.
Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.
"Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?" schreeuwt deze.
"Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?"
"Pardon, Dona de Alva," zegt de gravin op snijdenden toon. "Het meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, opdat ik haar een bestraffing kan toedienen."
"Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd? _Gij zult ze hebben_!" En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.
Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.
"Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!" zegt Hermoine op woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: "Ga naar mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig," en weer in den vorigen toon vervallend: "Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!"