Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 21

Chapter 214,040 wordsPublic domain

Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.

Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet te gaan en zegt: "Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!" waarop zij, in de handen klappend, uitroept: "Terstond opdienen!"

Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden koorden voor twee van de deuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.

"Kolonel Amati," fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.

Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij Guy lacht en op treurigen toon uitroept: "Ik smeek u, Dona Hermoine, laat mij niet meer bloed verliezen!"

Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: "Uw wonden, o ja--uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille." En zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs--een nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.

Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan hetgeen haar oogen zien.

"Gij--gij eet niets, mijn Hermoine," fluistert haar ridder, die nu van zijn kant ook bezorgd wordt.

"O, ik ben er aan gewend, te vasten," zegt zij, "gij weet, dat ik mij voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn geweest?" en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan de non in den dop.

"Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?"

"Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid--waarvan ik abdis zou worden--ik zou het rijk begiftigd hebben--"

"Gij abdis?"

"Ja. Zie ik er niet gestreng uit?" schertst de gelukkige Hermoine. "Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over middernachtelijk waken--o, Guido mio--zeg mij, dat het geen droom is."

"Ik wil meer doen--ik wil het bewijzen!" fluistert Guy en staat van de tafel op.

Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.

"Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht," zegt de jonge dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoet waait door het geopend venster. "Zal ik wat muziek voor u maken?" vraagt het meisje.

"Uw stem is voor mij de schoonste muziek."

"O," roept Hermoine uit, "ik speel op de mandoline; ik bezit daar eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco inviteeren."

"Inviteer, als 't u belieft, niemand."

"Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij dood waart?"

"Neen."

"Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?"

"Waarom?"

"Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: 'Ik denk, dat zij wel eenige waarde voor u zullen hebben.' 'Gij hebt ze niet goed bewaard, mijn Guido.'" Er is een verwijt in haar oogen te lezen.

"Ik droeg uw brief altijd bij mij," antwoordt Guy met veel tegenwoordigheid van geest.

"Mijn _brieven_," verbetert hem het meisje; "ik zond er u drie."

"O, ja, maar ik--ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van den Engelschen kapitein," en Chester haalt het epistel voor den dag, gevonden op het lijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.

"Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen," roept Hermoine uit, "de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,--ik wil hem nu niet meer _wreed_ noemen,--te dooden." En er komen tranen in haar oogen, en snikkend zegt zij: "Vertel mij al uw avonturen van het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart."

Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal doen bevorderen.

Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: "Zijt gij niet bevreesd voor de Watergeuzen?"

"Neen," antwoordt Hermoine, "zij zijn allen naar Holland gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den hoek." Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide richting. "Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn Guido."

En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door de maan: "Veilig, behalve voor mij." Want hij ziet in het Kromvliet, vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van de _Dover Lass_ en in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.

HOOFDSTUK XIX.

DE BRUIDSSCHAT VAN DE DOCHTER.

Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen te treffen. Het rooven van Alva's schat moet zoo vlug mogelijk in zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.

Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op, om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is vast besloten, om haar te verlaten.

"O, ga nog niet," vleit Hermoine. "Gij zijt--gij zijt zoolang weg geweest."

"Maar ik kom morgen terug."

"Hoe laat?"

"'s Avonds."

"'s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden."

"Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn."

"Waar houdt gij verblijf?"

"Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden, de _Esperanza_."

"De _Esperanza_? Het fort Lillo is hier dichter bij."

"Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil."

"Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend, om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en Spanje weerklonken van den roem van dien marsch." En het meisje slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe, die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn besluit volhardt, voegt zij er aan toe: "Als gij dan toch moet gaan, wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren."

"Op welke manier?"

"Door u naar uw boot te brengen."

En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken, staan zij stil om afscheid te nemen--en hoe meer zij de boot naderen, hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en luisteren naar de stemmen der matrozen, die hun tegenklinken van de landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden: "O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!"

"Die tijd is zeer nabij."

"Nabij? En Papa weet nog van niets!"

"Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bij _dit_!" En Chester springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid te maken.

Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij tegen is, de _Dover Lass_, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.

Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine's landhuis, om den slaap van Alva's dochter te bewaken. Want Chester heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn schat zal wegvoeren.

Geholpen door het tij, stevent Guy's schip de Schelde op, en hij bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den ochtend is hij weer op.

Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen, geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.

"Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen," moppert de bootsman.

"Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!"

"Dertig gisteren--maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen."

"Het is goed," antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn handelwijze te vragen.

Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij, dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een echte koopmansmanier.

"Wij hebben al een begin gemaakt," zegt Niklaas. "Laat nu alles maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan de dokken, dat de oude senora Sebastian, die 'de Stomme Duivelin' wordt genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen mist, dit met haar tong te uiten,--een herberg voor zeelieden houdt en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is geworden sinds dien vervloekten tienden penning."

"Ja," antwoordt Guy, "de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar wat heeft dit met onze zaak te maken?"

"Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en 'de Stomme Duivelin' had er den vorigen nacht maar twee, een Noor en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip, die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken hebben meegenomen."

"Wat is uw plan?"

"Wij maken den Noor en den Franschman dronken--stomdronken; brengen hen dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan maken wij 'de Stomme Duivelin' ook dronken en bewusteloos; laten de twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen--gij hebt immers vertrouwde lieden?"

"Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid."

"Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen, omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva's schat meester te maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen in hun bedden--zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen, in plaats van met stroo--en worden vervangen door nieuwe matrozen, die eveneens hun bedden medebrengen."

"Dat is een goed plan," antwoordt Guy, nadenkend, "een beter zou ik niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis bewaakt door een van Alva's agenten?"

"Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand, die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora Sebastian. Maar," voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend, "daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden, er is iets in Alva's standbeeld, waarvan wij niets weten."

"Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet," zegt Guy op vastbesloten toon. "Laat het dan maar aan mij over."

"Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat," antwoordt Bodé Volckers. "Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen ik geen enkele."

Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert: "'De Stomme Duivelin' is stomdronken; sla nu uw slag."

"Wijs mij den weg." En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian staat. Een van Guy's matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.

"Waar is de meesteres van het huis?"

"Stomdronken boven, commandant," fluistert de man. "Een uur geleden tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,--zij is stom maar snorkt toch als Neptunus."

Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit: "Aan het werk!"

En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht van een flikkerende olielamp.

Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.

De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zij de flikkerende lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste richting leidt.

"Houd gij," fluistert Guy tot Corker, "nu hier de wacht. Indien gij wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt."

"Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!"

"Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen, ik heb het licht, ik heb de sleutels."

Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde, volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.

Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste olijvenolie en steekt hem in het slot.

De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede geprobeerd--weer springt de schoot terug--daarna de derde, eveneens met goeden uitslag. Als hij den laatsten sleutel er uittrekt, ziet Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is, want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een kind op hun hengsels draaien.

Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.

Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman, dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt, waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva's standbeeld wordt vernield.

Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken, de dubbele deuren weer op haar plaats.

Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den toegang tot Alva's schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt--bijna aarzelend, alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.

Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: "Bij den hemel, wat een aanblik voor een gierigaard!" en daarbij lacht hij, doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs een zucht.

Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens vier of vijf millioen te mogen schatten.

Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: "Gij zijt niet geslaagd?"

"Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen." Hij neemt ze met zich mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij kan zien--hij moge een kleine vergissing begaan--omstreeks honderd negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva's wapen, en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt, dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.

Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.

En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met--want Chester is niet lang bezig geweest: "Geen succes--wel?--alles gekkenpraat?"

"Gekkenpraat,--die vijf millioen waard is!"

"Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen."

"Neen, niemand heeft ons gestoord," spot Guy. "Daarom juist is het gevaarlijk, Bodé Volckers."

Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva's schat te gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen; en hij gaat met Guy naar het huis van "de Stomme Duivelin".

Hier gekomen, zegt hij: "Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van koopman." Waarop Chester antwoordt: "Dat zou mij voldoende waarborg zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op de _Esperanza_ te brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik."

En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk, terwijl Guy's gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva's dochter.

Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen 's nachts al het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte der matrozen het zilver uit het gewelf naar den kelder brengen en het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.

"Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit wel binnen zijn," zegt Bodé Volckers. "Onderwijl zal ik carga in de _Esperanza_ brengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer te verlaten."

"Gij zijt op alles verdacht," zegt Guy. En hij beveelt Corker, het goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt: "Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik niet meer voldoen aan mijn afspraak."

"Ah! Te Sandvliet?" grinnikt de koopman.

"Ja."

"Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik zal u bij hem brengen."

Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de Citadel zelf te bewaken.