Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 2

Chapter 23,872 wordsPublic domain

"Wilt gij het schip dan vannacht nog verlaten?"

"Ja; een bericht, dat ik daar pas heb gekregen, maakt het noodig, dat ik vannacht nog naar Antwerpen ga."

"Naar Antwerpen! _In Alva's klauwen_, regelrecht in het verderf?"

"Ja."

"Hoe?"

"In die Spaansche barge, die naast ons ligt."

"Gij neemt toch eenigen van uw manschappen mee?"

"Neen."

"Dan is uw leven geen duit waard."

"Dat zal wel losloopen. Die laffe roeiers van de barge zullen mij geen kwaad doen. Gij weet, dat ik op Hispaniola Spaansch heb geleerd en het zoo goed spreek, dat ik er mij zelf haast om veracht. Ik ben van plan te gaan als een Spaansch officier, onder den naam, waarvan ik mij bij mijn vorige bezoeken aan Antwerpen reeds bediende: kapitein Guido Amati. Ik zal mij uitgeven voor den redder van de dame in de boot,--namelijk als alles naar wensch gaat. Zorg dat de sloep morgenmiddag op mij wacht bij den dijk, die het dichtst bij fort Lillo is."

"Gij speelt met uw leven. Ja, gij gaat zelfs nog verder, gij werpt het weg," waagt de eerste officier nog angstig op te merken.

"Ik doe beide voor mijn goede Queen Bess [1], wier hand ik kuste, eer ik Engeland verliet," fluistert de jonge man. "Nu wil ik mijn gevangene gaan zien."

Een touw grijpende, springt hij over de lage verschansing en staat in het volgende oogenblik tusschen zijn manschappen, die nog steeds de wacht houden op het Spaansche pleiziervaartuig,--een seconde later hoort Guy Chester de zoetste, lieflijkste, verleidelijkste stem, die hij ooit heeft gehoord, sinds hij zijn ooren opende voor het geluid van man--of vrouw.

HOOFDSTUK II.

DE INHOUD VAN DE BARGE.

Nooit te voren is Guy Chester zoo getroffen door den toon van een menschelijke stem, ofschoon, in de bijna ondoordringbare duisternis, haar bekoring niet wordt ondersteund door een bevallig figuurtje, aanminnig gelaat of schitterende oogen. Het is enkel de stem, die hem bekoort. Deze zegt: "Senor, zijt gij een officier? Hebt gij gezag over deze woeste mannen?"

Zij, die spreekt, is opgestaan, toen Guy in de boot sprong. Misschien heeft de dame, in weerwil van de duisternis, opgemerkt, dat zijn manschappen hem salueeren. Zij spreekt Spaansch, zuiver, beschaafd Spaansch; het welluidende der Castilianen.

"Dat heb ik, Senorita," antwoordt Guy, in dezelfde taal, ofschoon zijn accent en uitspraak bijna barbaarsch klinken naast haar beschaafden tongval. De klank van het Spaansch schijnt de dame gerust te stellen, die te voorschijn komt van onder de tent, die den achtersteven van de boot versiert en beschermt, vlak voor Chester gaat staan en op een half verzoekenden, half bevelenden toon zegt: "Zeg mij, wie gij zijt!"

"Kapitein in Romero's regiment Sicilianen. Niet geboren in Spanje, zooals mijn accent verraadt," antwoordt de jonge Engelschman, en hij voegt er aan toe: "Mijn geboorteplaats was op Hispaniola."

"Ah! een Spaansch officier," roept de dame verheugd uit; "dus is uw schip een Spaansch?"

"Zeker," antwoordt de Engelschman, die, nu hij zich eenmaal heeft voorgenomen te bedriegen, ook niet op een leugen ziet.

"Dan," antwoordt de dame op een toon, die eensklaps vertrouwelijk en toch bevelend wordt, "senor capitan, zijt gij wel zoo goed mij terstond veilig naar Antwerpen te begeleiden." Een oogenblik later vervolgt zij: "En ik hoop, dat gij die woeste Hollandsche rebellen, die onbeschaamde Watergeuzen, zoo spoedig mogelijk zult straffen. Zij hebben den kapitein en de soldaten van mijn barge vermoord, en den armen secretaris van den markies de Cetona, Chiapin Vitelli, verdronken."

Bij den naam van Vitelli ontstelt Chester. "Zeker, senorita," antwoordt hij snel. "Al die schurken zullen worden gehangen aan de ra, zoodra uw jacht uit zicht is."

"Maar gij moet met mij meegaan, ik beveel het!"

"Uw woorden zijn voor mij een bevel," zegt Guy beleefd, een glimlach onderdrukkende, als hij er aan denkt, dat zijn schoone gevangene zich een vreemd gezag over hem aanmatigt. "De commandant van het schip zal overgaan tot de bestraffing van de zeeschuimers, zoodra wij vertrokken zijn."

"Gij zult zeker spoedig gereed zijn om mij te vergezellen?" De stem, die in de duisternis tot hem komt, is die van iemand, welke gewoon is te bevelen, ofschoon zij ongemeen lief en welluidend klinkt.

"Binnen vijftien minuten," antwoordt Guy met militaire promptheid; daarna vervolgt hij, met iets galants in zijn stem: "Zal ik u niet een weinig ververschingen zenden van het schip? De nacht is heel koud."

"Neen, ik ben goed ingestopt. Mijn kameniers kunnen mijn handen wrijven en wij hebben uitstekenden Spaanschen wijn en andere ververschingen in de kajuit. Maar haast u wat, of wij zullen niet voor morgenochtend te Antwerpen zijn."

"Zoo spoedig mogelijk zal ik terug zijn." Met deze woorden springt Guy vlug uit de barge en klautert over de verschansing van zijn eigen schip.

Vervolgens trekt hij zijn eersten officier, die naar het gesprek heeft staan luisteren, haastig ter zijde en zegt: "Het is alles naar wensch gegaan. En ik ben nu ook nog iets meer te weten gekomen. Die doode man in de hut (dien gij zoo spoedig mogelijk overboord moet werpen) is de secretaris van dien verwenschten Chiapin Vitelli!"

"De schurk, die Alva helpt in zijn plannen tegen het leven van onze vorstin?" roept Dalton uit.

"Ja. Dit maakt het dubbel noodzakelijk, dat ik naar Antwerpen ga. Het zou kunnen zijn, dat ik daar eenige dagen moest blijven. Blijf met de sloep dicht bij den dijk beneden fort Lillo, zooals ik u bevolen heb."

"Gij doet een dolzinnig waagstuk," mompelt zijn ondergeschikte, nog een bedenking wagend.

"Maar ik moet het wel doen. Voor het geval, dat mij iets overkomt, voor het geval, dat ik--niet terug mocht komen, zeg dan aan mijn koningin, dat ik het om harentwil deed. Keer met het schip naar Engeland terug, Dalton, en spreek tot onze vorstin deze woorden: 'Wees meer dan ooit op uw hoede voor Spaansch vergift of Spaansche dolken. Het is de laatste waarschuwing van Uwer Majesteits getrouwen vazal Guy Stanhope Chester.'"

Dit zeggende, stapt de jonge man in zijn hut en als hij na tien minuten de deur weer opent, beschijnt het flauwe licht een geheel ander man.

Hij is niet langer de door weer en wind geteisterde zeeman in oliejas en zuidwester, maar de zwierigste en wellevendste jonge edelman, die ooit het hof maakte aan de dames van Hampton of met haar schertste op de tennisvelden van Windsor of Westminster.

Een lichtblauwe fluweelen baret, versierd met twee lange witte veeren, vastgehecht door een diamanten gesp, bedekt zijn jeugdig hoofd; om zijn hals draagt hij een breeden Spaanschen kraag van Venetiaansche kant; zijn fluweelen wambuis is gegarneerd met zilver en satijn; zijn broek is van de fijnste Fransche zijde; zijn hooge Spaansche laarzen zijn van het zachtste bronskleurig marokijnleder. In dit zwierig kostuum, met zijn blauwe, overmoedig schitterende oogen, lachende lippen en krullende haren, maakt Guy Stanhope Chester een even goed figuur als de ridderlijke Dudley, graaf van Leicester, wanneer hij de koningin van Engeland en haar hofdames wist te betooveren.

Misschien wint hij het zelfs nog van dezen, want zijn gelaat is open en zijn glimlach oprecht, ofschoon er een vastberaden uitdrukking op zijn gelaat ligt, als hij uit zijn hut stapt en naar het kruit in de pan van de twee lange pistolen kijkt, die hij in zijn gordel heeft, en zijn borst betast, om zeker te zijn, dat de lange scherpe ponjaard op zijn plaats is, en vervolgens tegen het gevest van zijn zwaard slaat, om er zich van te vergewissen, dat zijn trouw, welbeproefd Toledaansch rapier aan zijn zijde hangt. Want bij het bezoek, dat hij gaat brengen aan de groote stad der Nederlanden, die zich in Alva's macht bevindt, is het voor hem niet alleen een quaestie van slagen of mislukken, maar een quaestie van leven of dood. Guy is natuurlijk zoo verstandig geweest, zich het aanzien te geven van een Katholiek Spaansch officier; hij heeft den Geuzenpenning afgedaan en draagt in plaats daarvan, zeer in het oog vallend, een rozenkrans van gouden kralen en een rijk versierd kruis.

Terwijl hij deze verandering in zijn uiterlijk maakte, had hij een miniatuur-portret, gevat in diamanten, van zijn borst genomen, een portret van een meisje van zeldzame Castiliaansche schoonheid, dat hij met smachtende blikken bezag onder het mompelen van deze onverstaanbare woorden: "Mijn eenige prijs van al de schatten van Alva, die ik buitmaakte voor mijn koningin--als ik het origineel kon winnen."

Intusschen veroorzaakt het zwierige kostuum van Guy Chester heel wat opschudding op zijn halfdek, en trekt zelfs de aandacht van den anders zoo onverstoorbaren vrijbuiter Dirk Duyvel, die juist buiten de hut doodbedaard zijn driehonderd guldens zit te tellen. Deze roept: "Drommels, daar moet een mooi meisje in 't spel zijn!" En zijn eerste officier, ja, zelfs zijn tweede, veroorloven zich een paar grappen over zijn voorkomen, terwijl Dalton nog opmerkt: "Bij de vier Evangelisten! Die rooftocht beteekent _liefde_ zoowel als _bloed_!"

En de tweede stuurman, die nog weinig meer is dan een roodwangig jongetje, schatert het uit en fluistert daarna in het oor van zijn commandant: "Neem mij mede, kapitein Chester, voor een kruisvaart te land. Er zijn nog andere dames in de barge, behalve degene, voor wie gij u zoo hebt opgedirkt."

"Neen, mijn beste jongen, zulk een uitstapje aan wal zou je dood zijn," merkt de commandant op, doch opeens keert hij terug in zijn hut en mompelt: "Bij de zeven kampioenen van het Christendom, die stem zou mij haast alle overleg doen verliezen. Daar zou ik nu waarlijk zonder geld op weg zijn gegaan, een achteloosheid, die mij duur zou te staan komen!"

Met deze woorden ledigt hij in zijn eenen zak den inhoud van een kleinen buidel, gevuld met Spaansch goud, dien hij uit een der kastjes in de hut heeft gekregen, en stopt in den anderen een aantal Spaansche florijnen, Hollandsche kronen en Nederlandsche stuivers. Zich omkeerende, ziet hij zijn eigen beeld weerkaatst in een kleinen Venetiaanschen spiegel, die in de hut is bevestigd, en roept plotseling verschrikt uit: "En ik zou mijn regenmantel ook vergeten. Dat zou een koopje zijn geweest bij dezen storm!"

Dit zeggende, werpt hij over zijn zwierige kleedij een langen mantel van een zachte Engelsche wollen stof en in het volgend oogenblik is hij aan boord van het Spaansche vaartuig dat, na snel door zijn manschappen te zijn ontruimd, nu van het schip wordt afgestooten.

Daarna begeeft hij zich naar den achtersteven, neemt de roerpen in de hand en roept op bevelenden toon in het Spaansch: "Voorwaarts, gij honden van roeiers! De man, die rechtop durft gaan zitten of geen slag houdt bij het roeien, totdat wij in Antwerpen zijn, sterft door mijn hand." Want hij vreest, dat de minste onachtzaamheid van den kant der roeiers de boot dwars van den wind en van den stroom zal brengen, wat noodlottige gevolgen kon hebben bij deze holle zee, snellen vloed en hevigen wind.

"Gij schijnt zeeman zoowel als soldaat te zijn," merkt de jonge Spaansche dame op, aan wier zijde hij nu gezeten is.

"Ja, ik ben een weinig vertrouwd met elke wijze van vechten, te land en ter zee," antwoordt Guy, iets nader schuivende bij die welluidende stem.

"Ik zal u," fluistert de jonge dame, "altijd als mijn redder beschouwen."

Vervolgens brengt zij hem in de uiterste verbazing en doet hem haast schrikken, door op beschermenden toon te zeggen:

"Gij hebt geluk gehad, senor capitan! _Want ik wil, dat gij voor hetgeen gij aan mij hebt gedaan, tot kolonel bevorderd zult worden_!"

Deze verzekering wordt door de liefelijke stem naast hem gedaan met evenveel vertrouwen, alsof zij kwam van de koningin van Spanje zelve. Maar den Engelschman loopt, bij het hooren er van, een koude rilling over den rug. "Wie voor den drommel kan zij zijn?" vraagt hij zich verwonderd af. "Ik lever mij roekeloos over in Alva's macht, door haar naar Antwerpen te begeleiden."

Maar terugkeeren is niet meer mogelijk. De boot is reeds in den hoofdstroom; beide, wind en vloed, zweepen haar nu voort naar Antwerpen, evenals de lijken van menschen en vee, die de stroom meevoert, als getuigen van de verwoesting, welke de oceaan in de Nederlanden aanricht.

"En wie heb ik te danken voor deze bevordering?" waagt Guy te vragen, want hij brandt van nieuwsgierigheid om den naam te vernemen van de dame, die naast hem zit.

"Gij kunt mij Dona Hermoine noemen," antwoordt de schoone op een toon, die aanduidt, dat zij voldoende bekend is, om het geven van een nadere aanduiding als overbodig te kunnen beschouwen. Een oogenblik later zegt zij op kalmen toon tot een harer onderhoorigen, die naast haar knielt, om haar handen te wrijven, daar de nacht zeer koud is: "Zoo is het goed, Alida, tracht nu zelve ook warm te worden."

"Ja, Excellentissima," antwoordt het meisje.

De hoog klinkende titel prikkelt Chester's nieuwsgierigheid nog meer, maar hij kan die thans niet verder bevredigen. Elke spier van zijn gelaat is gespannen, hij heeft al zijn gedachten noodig om de boot uit den wind en recht in den stroom te houden, terwijl zij de Schelde opvliegt. Eén enkele verkeerde beweging van een der roeiers zou haar uit den koers kunnen brengen, en dat zou in dezen stormachtigen nacht gelijk staan met haar ondergang.

Hij kan nauwelijks tijd vinden om de vrouwelijke bedienden van de jonge dame te gelasten, haar zooveel mogelijk met stukken zeildoek te beschutten voor het schuim, dat hen volgt; al zijn opmerkzaamheid wordt vereischt, om de zwakke boot veilig te houden in haar wedloop met de wilde wateren rondom haar. Hij heeft geen moeite met de roeiers; zij roeien, alsof zij weten, dat hun leven afhangt van hun inspanning.

Zóó snellen zij voort.

Een donkere, sombere massa aan zijn rechterhand duidt het grimmige fort Lillo aan. Als zij dit voorbij zijn, weet Guy, dat hij onder het bereik is van Alva's handen, binnen de Spaansche linie. Zij snellen echter voort, langs schepen, die zijn losgeslagen van hun ankers en nu wegdrijven met den vloed, langs andere, die een schuilplaats hebben gevonden in de verschillende bochten en inhammen van de Schelde. Geen enkel vaartuig--behalve het hunne--spoedt zich voort met een doel, alle hebben ergens een schuilplaats gezocht. Geen Spaansche galeien houden de wacht op de rivier, maar de lichten op de dijken duiden aan, dat de oeverbewoners waken, om hun bezittingen en zichzelven te redden.

Een poosje later zegt de dame, die al dien tijd haar best heeft gedaan om zich warm te houden, door met haar voetjes te stampen en haar kleine handen te wrijven, waarin zij door haar vrouwen wordt bijgestaan: "Zoudt gij niet een kleine hartversterking willen nemen, senor capitan? Een glas wijn? Gij spaart zorg noch moeite voor mijn veiligheid."

"Leid in Gods naam mijn aandacht niet af van de boot!" mompelt Guy tusschen de tanden. "Wij zijn aanstonds in een bocht van de rivier. De wind zal dwars overkomen. Ik worstel voor ons aller leven."

Dan zet hij zich opnieuw schrap voor den strijd, want de stroom en de wind zijn niet meer in één richting en dat maakt zijn taak aan het roer des te moeilijker.

Maar als zij deze bocht voorbij zijn, en nu de waterzijde van Antwerpen naderen, wordt de wind, door het land gebroken, minder hevig, en het wassend tij, dat bijna zijn hoogtepunt heeft bereikt, minder snel en gevaarlijk.

"Goddank, wij hebben het ergste gehad," zegt Guy met een zucht van verlichting. "Nu zal ik gaarne een glas wijn aannemen, schoone dame; het is vinnig koud;" dit laatste zegt hij klappertandend.

"Oho!" lacht de schoone aan zijn zijde. "Zijde, satijn en fluweel zijn ook niet zoo doelmatig, senor capitan, als uw oliejas en zuidwester, toen gij het eerst aan boord van mijn jacht kwaamt. Wie mooi wil zijn, moet zich daarvoor ook wat last getroosten. Uw zwierige kleedij werd vermoedelijk gekozen ter wille van de een of andere schoone dame in Antwerpen, capitan mio."

"Ja, voor een _zeer_ schoone," antwoordt Guy, wiens mantel van zijn schouders is gegleden en wiens kanten opslagen den fijnen pols van de jonge dame hebben aangeraakt, terwijl hij den zilveren beker aan den mond brengt en den fijnsten ouden Spaanschen wijn, die ooit door zijn keel is gegleden, in staat stelt zijn bloedsomloop te versnellen en zijn verkleumd lichaam te verwarmen.

Het edele vocht schijnt zijn levensgeesten op te wekken en hij lacht.

"Nog een beker, als ik u mag verzoeken, om hem uit te drinken op de gezondheid van de schoonste dame." En als hij dien heeft gekregen, zegt Guy met zeemans-stoutmoedigheid en jeugdig vuur: "Op u!" de schoone vóór hem doordringend aankijkend in de hoop, dat de gloed zijner oogen door de duisternis heen zal dringen. Want hij heeft de hand aangeraakt, die hem den beker heeft gereikt, en deze is verwonderlijk zacht en klein, en de gansche wijze van zijn en doen zijner schoone gezellin is die van bloeiende, levendige, opgewekte jeugd; de jeugd, die de ouderdom kan benijden doch nooit kan nabootsen; de jeugd, die de goden slechts eens geven; de jeugd, die de zwartste duisternis niet kan verbergen.

Buitendien heeft zij, door een onverwachte slingering van de boot, een oogenblik tegen zijn borst gerust--slechts een _oogenblik_; doch in die vluchtige aanraking heeft hij de gestalte van een Venus kunnen onderscheiden en de vlugge bevalligheid van een Hebe.

"In naam van alle heiligen, wie kan zij zijn?" vraagt hij verwonderd.

Bij zijn vermetelen toost trekt de dame zich haastig terug, met een ingehouden kreet, voortgekomen half uit verwondering, half uit hoogheid. Een oogenblik later lacht zij, een lach, alleen eigen aan de jeugd, bekoorlijk, betooverend, en merkt op: "Zulke toosten zullen u de verontwaardiging van mijn duena op den hals halen."

"Uw duena! die is hier niet!"

"O ja. Zij is al dien tijd in onze tegenwoordigheid geweest. Mijn strenge duena ligt in dien zetel recht tegenover u. De reuk van kruit doet de gravin De Pariza altijd flauwvallen. Zij verliest geregeld haar bezinning als haar pupil in het grootste gevaar verkeert. Bij het eerste vuur, dat de Watergeuzen gaven, viel zij doodbedaard flauw, en zij is sedert dien tijd niet weer bijgekomen. Als wij in Antwerpen aankomen, heeft zij zeker haar oogen wijd open."

"Vertel mij dan, eer zij ze opent, iets van uzelve," fluistert Guy galant, want hij kan nu enkele oogenblikken wijden aan de dame, in wier gelaat hij met bewonderende blikken zou kijken, als de duisternis het hem veroorloofde.

"Vertel mij allereerst iets van u _zelven_," antwoordt zij een weinig haastig, op een toon van belangstelling, die den jongen man behaagt. "Hoe meer ik van u weet, hoe beter ik u kan helpen, om kolonel te worden. Hoe heet gij?"

"Noem mij kapitein Guido," fluistert Chester zoo teeder mogelijk.

"Geen anderen naam?"

"Ik kan u mijn anderen naam niet noemen. Ik ben afwezig van mijn regiment zonder verlof."

"Dan zal het zeer moeilijk zijn, u te bevorderen," lacht de dame. Vervolgens zegt zij: "Maar als gij mij uw naam niet wilt toevertrouwen, vertel mij dan tenminste iets van uw vroeger leven."

Dit doet Guy, door een geschiedenis te bedenken van zijn geboorte op Hispaniola, van verschillende gevechten te land en ter zee voor den roem der Spaansche vlag, in Italië en de Nederlanden, de dame aan zijn zijde in den waan brengend dat hij zich aan de Spaansche zaak heeft gewijd met lichaam en ziel en alle vijanden van de Moederkerk haat, zich hullende in een weefsel van romantisme en bedrog, dat hem eens noodlottig zal kunnen worden, want zijn schoone gezellin houdt hem voor een soldaat van Philips van Spanje en zijn onderkoning, Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en Huesco.

"Ah!" mompelt zij, "een dapper soldaat. Ik _moet_ u de benoeming van kolonel verschaffen!"

"En de volle naam van mijn weldoenster?"

Misschien was zij van plan, deze vraag te beantwoorden, maar op dit oogenblik komen de lichten van Antwerpen in zicht. Het gedeelte van de stad, dat naar de rivier is toegekeerd, is geheel verlicht door lantaarns, die zich her- en derwaarts bewegen; schepen worden in veiligheid gebracht; de bemanning der aanzienlijke handelsvloot in de haven is op haar hoede in dezen nacht, om zich voor den vloed in veiligheid te brengen. De kooplieden van Antwerpen, de rijkste koopstad van geheel Europa, zijn bezig om de handelsproducten van Indië en Noord-Europa op de kaden te bewaren voor bederf door het wassend getij, dat bruist over de half overstroomde kaden en dokken der groote wereldmarkt voor den zestiende-eeuwschen handel.

"Waar wilt gij landen?" vraagt Guy haastig.

Haar antwoord is van dien aard, dat het den stoutmoedigen man naast haar bijna doet beven. Zij zegt achteloos: "Het is het beste, dat gij mij naar de Citadel brengt."

"De Ci--ta--del?" stamelt Guy.

"Ja, Sancho d'Avila, de gouverneur, zal het zich tot een eer rekenen, mij vannacht nog te verwelkomen."

"Kunt gij dan de schildwachten passeeren? Weet gij dan het wachtwoord voor hedenavond?" stoot Chester uit, die een koude rilling voelt bij de gedachte, dat hij zich te midden van Alva's garnizoen zal moeten begeven.

"Zeker. Zij zonden mij vanavond de woorden."

"Wees dan zoo goed, ze mij op te geven, opdat ik u door de wachten heen kan brengen."

"Dat van hedennacht," zegt zij, "is _Jemmingen_."

"En het contrasigne?"

"_Santa Maria de la Cruz_. Gij zoudt het noodig kunnen hebben, daar gij een officier zonder verlof zijt," fluistert zij; vervolgens voegt zij er lachend aan toe: "Ik heb u misschien bewaard voor arrest. Dat is een klein blijk van mijn dankbaarheid."

Zij snellen nu voort langs de stad. De Engelsche kade ligt reeds achter hen en zij bevinden zich tegenover het groote middendok, waarvan de kolossale pakhuizen alle verlicht zijn, terwijl troepen mannen met flikkerende toortsen op de aangrenzende werven en schepen hun best doen, om de vaartuigen steviger voor anker te leggen en de ladingen te bergen, waarvan reeds vele gedeeltelijk in veiligheid zijn gebracht. Eenige Spaansche oorlogsgaljoenen bewegen zich tusschen de andere schepen. De slaven zwoegen aan de groote roeiriemen, om de schepen, die nu hulpeloos zijn in dezen hevigen storm, naar een veiliger ankerplaats te brengen.

En boven al dat rumoer en deze drukte--het geschreeuw der zeelieden, het gevloek der kapiteins, de kreten der galeislaven bij het striemen der zweep, de dansende lichten van stad en haven, want geheel Antwerpen is in dezen nacht op de been,--klinkt het zilveren klokkenspel van de groote kerk bij het slaan van kwart voor middernacht.

Als zij haar voorbij varen, worden zij aangehouden door een patrouilleboot; daar Chester echter het wachtwoord geeft, kan zijn barge ongehinderd en zonder verder beletsel haar koers vervolgen.

Zoo snellen zij verder, langs een aaneenschakeling van werven en kaden, waarachter men de stadswallen en poorten kan onderscheiden--niet zoo sterk gebouwd, niet zoo duchtig versterkt als die, welke de landzijde der stad beschermen, maar toch goed bewaakt, de Spaansche schildwachten op hun hoede, want deze nacht van storm en vloed heeft niet enkel de burgers van Antwerpen doen opschrikken om hun bezittingen en goederen te redden, maar ook het Spaansch garnizoen van de plaats, om te beletten, dat er een oproer uitbreekt tijdens de beroering, veroorzaakt door wind en getij.

Een oogenblik later kan men achter de Esplanade of het Paradeplein, dat de Citadel van de stad scheidt, de flikkerende lichten zien van twee rivierbastions der uitgestrekte versterking, door Alva gebouwd, niet om deze groote handelsstad, die in zijn macht is, te beschermen, maar om haar te overheerschen en te onderdrukken.