Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 19
"Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn, ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben."
Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naar _De Zwaan_, naar Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk, want er is niets, wat haar vuil kan maken--er is niets te eten, behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg hebben meegebracht.
Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept: "Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkere beetjes zijn voor de gewonden!" En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan, mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij het zien van zulke ongekende lekkernijen,--gevolgd door de kinderen, die snikken en smeeken om een stukje haring--een heel klein hapje,--of om er tenminste even aan te mogen ruiken.
Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de haring.
Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. "Wij zullen ons morgen vroeg," zegt de Engelschman, "moeten melden om op rantsoen gesteld te worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt van zemels."
"Voor den duivel!" bromt de Hollander. "Wij moeten hier zien uit te komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!"
Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den vorigen nacht.
Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen, het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken, vermengd met het gedonder van het geschut.
Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van vrouw Hasselaer.
"Wordt wakker, luilakken," roept zij uit, "en vecht voor uw leven! Op! Ik zal u den weg wijzen."
Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.
Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort, die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd, zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier bij de vrouwen-afdeeling.
"Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen hier niet veel uitrichten," roept Haring uit.
"Gij niet?" roept Kenau Hasselaer uit; "nu, wij wel. Vrouwen van Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!"
Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester, den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van dapperheid--Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.
"Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!" roept Haring uit, als hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.
Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging met Oranje's aanval van het meer uit, die door middel van postduiven de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis- en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.
Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.
De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.
Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.
Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd en heeft Romero de St-Janspoort bezet.
"Slaat er op in! Houwt dood--Haarlem is ons!" is de kreet, die Don Frederik's gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen te zenden, om zijn succes te verzekeren.
Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun minder aangenaam verrast.
Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt, hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.
Terwijl Alva's krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: "De Spanjaarden komen!" begint het gevecht.
De zwakste plaats in Haarlem's muur is die, vlak bij het blokhuis aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas' veteranen. Deze verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar, die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere Schotten, die nu zijn teruggebracht tot anderhalf honderd, alsmede de Fransche compagnie onder Courie.
Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe, rillen als zij denken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.
Alva's veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij nu ook den tweeden niet nemen?
Zij beklimmen de helling met de kreten: "Philips!" en: "Don Frederico!" om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te ontvangen.
Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurt _à bout portant_ haar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt onder die slachting.
"Spoel die Spanjaarden weg!--vooruit met het water!" roept de weduwe uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt, werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein, wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt zij hem af met haar zwaard.
En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.
Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat geen handigheid in het pareeren.
"Piekeniers vooruit!" schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt, aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.
Daarna lacht zij schor: "Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps--uw taak!"
En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik later terugkomt, uit: "Ik heb de lont in het kruit gestoken!"
Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers, vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en een detachement van Vargas' veteranen.
Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug, dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu komt het verschrikkelijkste van alles.
Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.
Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan, hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt, klopt zij hen op den schouder, uitroepend: "Goed zoo jongens, gij hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood te sterven?"
In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te mogen brengen.
"Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, 'Eerste der Engelschen', en ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven," antwoordt de Hollandsche bevelhebber.
"O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen," antwoordt Guy. "Gij hebt reeds te veel eters in de stad."
"Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?"
"Niet door geweld van wapenen," antwoordt de Engelschman. "Daarom zeg ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten met meel zouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen."
"Gij hebt gelijk," antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat betrekt. "Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige verschrikkingen onder onze oogen--kijk!"
Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend, uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.
Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad afsnijden van vrienden en voedsel.
Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën, die ter aflossing naar de versterkingen trekken.
Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.
Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.
En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn helpers, om opnieuw zijn werk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen, die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met hun doodskreten zullen vervullen.
Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog--deze gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn gevallen. En één der vrouwen gilt: "Barmhartige God, ik zie hem--zij hangen mijn Klaas op!" en kreunend valt zij neer.
"Wij zullen hetzelfde doen," roept Ripperda, "hoofd om hoofd! Roep den provoost-geweldige!"
Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.
Dit wekt opnieuw de woede van Alva's manschappen op en zij werpen van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.
Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.
De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en mompelt plotseling tot Guy: "Er is een plakkaat aan het hoofd bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen."
"Groote God!" en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst, in het gelaat van zijn dooden vriend.
"Wist gij dat hij dood was?" vraagt Ripperda.
"Ja," mompelt Guy, "maar ik kon het hier niet vertellen, uit vrees, dat zijn verloofde het zou hooren."
"Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!" zucht de bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: "Neem haar met u, als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel, mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem vrij zijn van Spaansche moordenaars."
En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.
Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: "Ik heb het verlof van den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!"
Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer binnentreedt, snikt zij: "Gij zijt gekomen om mij bij Antony te brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat."
"Ja," antwoordt Guy met veel inspanning.
"Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?"
"O hij--hij wacht ons," stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de toebereidselen voor de reis te treffen.
De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg over het meer te nemen. Daartoe moeten zij 's nachts ontvluchten.
Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer hebben, bereiken zij het fort aan den oever, waarvan de Oranjevlag waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.
De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.
Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken, schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.
"Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand verstoken houden, eens goed zal afrekenen," zegt de Hollandsche bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de patrouille-booten der Spanjaarden 's nachts te overvallen.
Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer, en zeilen naar het Zuiden.
Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.
Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd weet in de herberg genaamd _De Vergulde Toren_, begeeft Chester zich naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet, en mompelt klappertandend: "Hel en duivel! Dat is een doode!"
Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.
"Dat ben ik niet," fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: "Houd op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord," en Niklaas' arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.
"Dus hebt gij mij herkend?" vraagt de Engelschman met gedempte stem.
"Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het ijs door den 'Eerste der Engelschen'!"
"Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!"
"Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood waart. Ik zal u echter niet verraden," mompelt Bodé Volckers. "Gij hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte." En eensklaps roept hij uit, zijn handen wringend: "Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!"
"Dat is onnoodig," antwoordt Guy. "Ik heb uw dochter reeds in veiligheid gebracht!"
"Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?"
"Hier, in _De Vergulde Toren_!"
"Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij, mijn Mina, die verloren was--mijn Mina, die teruggevonden is!"
En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy's hand en overlaadt hem met zegenwenschen.
Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en zegt: "Eerst moet ik u iets zeggen."
"Wat is het? Houd mij niet tegen."
"Het is slechts terwille van haar," antwoordt hij en doet verslag van Oliver's dood, er fluisterend aan toevoegend: "Deel het haar mede--ik heb het trachten te doen, maar ik kon het niet."
Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien, wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit: "Gij! De 'Eerste der Engelschen'! Gij? En gij zijt in Antwerpen geweest--heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt gij zoo uw leven kunnen wagen?" Maar nu roept hij plotseling uit: "O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva's dochter!"
"Ja," zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. "Zij is mijn verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen."
"Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moet gij u haasten," zegt Bodé Volckers op plechtigen toon.
"Waarom?"
"Omdat--o, nu vermoed ik ook de reden!--het was na den dood van Guido Amati--omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden."
"Non!" krijt Guy. "Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood is! Dat is een zonderling wreede scherts!" en hij barst terwijl hem het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter in zijn armen te sluiten.
HOOFDSTUK XVIII.
"IS HET EEN DROOM?"
Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: "Die schilder Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden draad hing, om mijn kind lief te hebben?"
"Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen," zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met betrekking tot Dona de Alva's kloosterplannen, niet enkel romantisch gestemd is, maar ook weemoedig.
"Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver's verraad tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees voor Alva's pijnbank. Alva!" roept de koopman met verheffing van stem uit, "die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij heeft geruïneerd!"
"U geruïneerd? Hoe?" vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.
"Hoe?" herhaalt Bodé Volckers. "Allereerst door mijn huiselijk leven te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, vijfhonderd duizend kronen af te nemen."
"Wenscht gij ze terug te hebben?"
"Hemel en aarde,--ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat praat gij voor onzin?" zegt de koopman op spottenden toon.
"Het is geen onzin!"
"Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?"
"Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen."
"Gij--een krijgsman--vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen," roept Bodé Volckers uit, die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.
"Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken."
De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis van Antwerpsche toestanden, juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste den moed toe heeft.
"Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!"
"Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het geheim bespreken," zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter niet aan, alleen zijn daden.
Als zij op Chester's kamer zijn gekomen, zegt de koopman: "Wat wenscht gij van mij?"
"Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem te brengen."
"Ik wil--ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard," antwoordt de koopman op dankbaren toon.
"Uw leven soms ook?"
"Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken."
"Als dat zoo is," zegt Guy, "luister dan naar mij." En nadat hij Bodé Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van het geheim van Alva's standbeeld, alles van Alva's schat, want hij begrijpt, dat hij dezen man, wiens leven hij in de waagschaal stelt ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen vertrouwen moet schenken.