Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Chapter 18
Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft verdeeld tusschen het verplegen van zijn gewonden kameraad en het doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva's troepen te verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy, die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert, krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij dit voor Haarlem hebben gedaan.
"Pardieu!" merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, "als ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan, niets--en zelfs niets voor mijn liefde." Hij wringt wanhopig de handen.
"En wat heb ik voor de mijne gedaan?" zucht Guy.
"Diable!" zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn vriends binnenste, "Alva's schat zal onaangeroerd blijven, totdat de Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed opgezouten voor den winter."
"Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij de sleutels hebt laten maken?" vorscht Guy, die niet geheel en al gerust is.
"Dat kan hij onmogelijk--want ik heb ze niet laten maken--ik vreesde reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht--daarom gaf ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen, eer ik Brussel verliet," antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met een glimlach: "En wat Alva's dochter betreft, zij treurt zeker over kolonel Guido Amati de Medina."
Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.
Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.
Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.
Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat Amsterdam van Muiden--en daarmee de weg voor proviand en versterkingen van uit Utrecht--wordt afgesneden.
De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.
Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is, waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.
Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen, bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van de andere zijde aan te tasten.
In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen, waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline en wederzijdschen steun.
Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen, en ook om gereed te zijn tot vluchten.
"Wij moeten een aanval doen op de kanonnen," roept Chester uit. En hij en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan, dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.
Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen, die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht--behalve één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen een duizendtal veteranen van Alva's leger. Gelukkig voor hem, kunnen zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is, het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend water van het IJ aan de andere.
Haring's verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.
Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast opeengeklemde tanden: "Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u niet levend in handen krijgen." Dan veegt hij het doodszweet van zijn vriends voorhoofd en ziet smartelijk in het hem zoo dierbaar gelaat, dat reeds met een doodskleur overtogen is.
Met moeite brengt de stervende uit: "Red uzelf!"
"En u eveneens!"
"Red uzelf!" Uit Oliver's oogen spreekt een angst, die geen doodsangst is. "Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend, dat gij haar zult redden!"
"Dat heb ik reeds gedaan," fluistert Guy haastig. "Wenscht gij nog iets anders?"
"Enkel dit--doch gij zijt--geen--kunstenaar. Ik zou zoo gaarne--mijn altaarstuk--hebben afgemaakt. Ik--zie--nu--_werkelijke_ engelen--"
De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen, waar de _werkelijke_ engelen en de _ware_ Madonna zich bevinden.
Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche schepen den terugtocht af.
Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.
Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: "Dat is onze eenige kans!"
Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen, en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.
En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn hoofd af.
"Zij snijden hem het hoofd af," fluistert Haring. "Het is Alva twee duizend Carolusguldens waard."
Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.
"Het was een Berserker eed," mompelt hij, "doch ik zal hem houden." En hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht, met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden, onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet verzadigd is van doodslag en wraak.
Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: "Sir Chester, het ziet er slecht met ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer dijk--en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken, om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,"--want de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen, om naar de sloep te zwemmen.
"Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk," antwoordt Guy op beslisten toon. "Tenminste, ik niet."
"Hoezoo?" vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.
"Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te brengen. Gij kent immers het land?"
"Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor vecht ik."
"Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer te komen?"
"Zonder wapens?" vraagt de Hollander. "Dat zal moeilijk gaan; wij kunnen niet vechten en--het stuit mij tegen de borst, voor de Spanjaarden te gaan loopen!"
"Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten," mompelt Guy, "en spoedig ook." Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn er twee paar riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee mijlen langen Diemer plas.
Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen nu haastig, wat hun verder te doen staat.
"Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen," verklaart Haring, naar het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. "Die is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten."
Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig met het voorstel in, vragend: "Is er in de plassen en meren, waarmee dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer meer kunnen roeien?"
"Ja, er is een weg," antwoordt Haring. "Doch de eerste zes mijlen zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist, waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij maar wapens," zucht de Hollander, "dan hadden wij kans, al vechtende Haarlem te bereiken, en Alva's schepen te ontloopen."
"Wapens!" merkt Guy op, "gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard."
"Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard en mes," zegt Haring, grimmig lachend. "Ik heb er altijd schik in, een Spanjaard te pakken te krijgen."
Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast en hijschen het zeil.
Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken, een vreugdekreet.
"Wat is er?" vraagt Guy.
"Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd, als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje."
"Ja, en hier is nog iets beters," roept Guy uit.
"Wat kan nog beter zijn dan eten?" vraagt de Hollander.
"_Wapens_!"
In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst, want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.
Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met de Spaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer Alva's veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen reeds een vijftig voeten voorbij.
"Nu," fluistert Guy, "ter gedachtenis aan Oliver!"
Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.
Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging van de moordenaars hunner makkers begonnen.
"Dat hebben wij hem eens netjes gelapt," merkt de Hollander op. "Ik had gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden, doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En nu vooruit, daar komen zij!" De beide mannen grijpen de riemen, maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.
"Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger dan gij," zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe: "Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor ieder van ons."
Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af, die snel naderen, denkende, dat zij gemakkelijk spel zullen hebben, daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de andere drie de geweren laden.
Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.
Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt, beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en hun eenigermate een schuilplaats bieden.
Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen, als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.
Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier afdrijven.
"Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna te zenden!" fluistert Haring.
"Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen," antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in, die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke waterrotten als de Geuzen.
Een paar schoten, daarna een van Alva's veteranen het hoofd tot aan zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.
"Dat was een gelukje," zegt de Hollander. "Nu kan niemand van hen alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis te verschalken."
Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder stroomt, en om zes uur 's avonds verschuilen zij zich tusschen de wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood met olie en wachten de naderende duisternis af.
Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen, als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.
Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend, dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets is voorbijgegaan. Zij meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van de honden op te merken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een valsch alarm hebben gemaakt.
Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde, als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden niet waren gebleken, vrienden te zijn.
Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart in dienst van den prins van Oranje.
Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer, om gekalfaterd te worden. "Ik zou u afraden, te gaan," zoo besluit de Hollandsche bevelhebber.
Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden, dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden, en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de man om hem in den steek te laten.
"Nu, als gij er dan op staat," antwoordt de Hollandsche bevelhebber, "zullen wij u helpen."
Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt en in het Haarlemmer meer uitkomt.
"Nu," zegt Chester, "hoeveel levensmiddelen kunt gij missen? Het zou tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten."
"Gij hebt gelijk," antwoordt de bevelhebber der boot. "Wij zullen u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij zet uw leven op het spel," vervolgt hij. "Ga liever vannacht. Op het Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie galeien bij de Fuik."
Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.
Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de belegerde stad.
Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde, doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg, meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis, dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen, geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dak gericht en die iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger doen strijden.
HOOFDSTUK XVII.
GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573.
Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.
"Brengt gij tijding van naderende hulp?" roept een Hollandsche burger van de wacht hun toe.
"Is de vloot van den Prins bijna gereed?" fluistert een ander met angstige lippen. "Wij hebben door een postduif bericht gekregen, dat hij troepen uitrust te land."
"Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen--gij hebt haar toch gezien, nietwaar?" vraagt een ander.
Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af, waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.
De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis, waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.
Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden, men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen, of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de schildwachten klinken hol en zwak van den honger.
Guy verlaat Haring bij _De Zwaan_, waar nu geen gelukkige burgers zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.
"Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de stad gezonden, voordat zij belegerd werd?" vraagt Guy verontwaardigd.
"Omdat wij haar noodig hadden."
"_Haar_ noodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante."
"Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet, dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden."
"Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?"
"Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelen van barmhartigheid en--engelen van den dood, die met dezelfde handen den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,--de Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van het garnizoen."
"Alles goed en wel," zegt Guy, "maar ik heb mijn vriend, den beminde van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen."
"Hoe zoudt gij dat kunnen?" vraagt de burger grimmig.
"Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil."