Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 16

Chapter 163,962 wordsPublic domain

Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in majoor Guido Amati de Medina van Romero's voetvolk, als haar ridder en haar kampioen.

Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den Engelschman en fluistert: "Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar het schip," en voegt er aan toe: "Gij hebt haar in uw handen. Zooals gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is u gunstig."

Het gaat nu in snellen draf naar de _Esperanza_, en aan boord vindt Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn, verlaat het schip de haven.

Ongeveer anderhalf uur later is de _Esperanza_ Fort Lillo gepasseerd en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans Alva's gehuurden krijgsknechten de baas zijn.

Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,--waarvoor hij honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.

En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: "God zegene u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede."

"Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?" antwoordt Guy en kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een blosje heeft getooverd.

"Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij zijt"--hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht daarbij--"de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen worden."

"Par Dios! Wie is dat?" vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.

"Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes, die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?" En het meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en het lachen haar moeielijk begint te vallen.

HOOFDSTUK XIV.

GODS VOORZIENIGHEID.

Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar 't Zeraerts nu bevel voert in naam van den prins van Oranje.

Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat de _Dover Lass_ nog niet is teruggekeerd van Ierland,--echter eerst na eenige moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die de _Esperanza_ wilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den "Eerste der Engelschen" en broeder-Geus.

Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de zon beschijnt vroolijk de straten en de burgers, die zich bedrijvig voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen; de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun helder gekleurde gevels.

Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam noemt, doet hij de ervaring op, dat de "Eerste der Engelschen" goed bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.

Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien zij liefheeft.

"Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij tenminste kunt," smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem: "God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u wederziet," en daarna glimlacht zij: "Gij zijt niet, wat gij schijnt te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot, zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,"--zij kijkt hem vlak in de oogen,--"zijt gij de verloofde van Alva's dochter!" En als zij bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan toe: "Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet."

Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is, en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herberg _De Zwaan_. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar, weten _De Zwaan_ flink in orde te houden.

Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt, opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn tien volgelingen.

"Zeker," antwoordt de forsche Hollandsche commandant, "het verheugt mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren, als wij gelukkiger dagen beleven."

"Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?" antwoordt Guy, terwijl hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en hanteering aanbiedt.

"O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit," zegt de Hollander, "maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam, zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver in Bergen, waarvan het bericht juist tot ons is gekomen, en met de hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd, zal alles misschien nog goed afloopen--maar God alleen weet het!"

En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt, dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben getroost, om door Alva's beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.

Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met de _Esperanza_ weer koers naar Vlissingen, waar de _Dover Lass_ reeds is aangekomen.

"Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland achtergelaten?" vraagt Guy aan Dalton.

"Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O'Toole. Zij kunnen nu zeker reeds Iersch spreken," antwoordt de gevraagde.

Chester wordt begroet met drie luide hoezee's van de bemanning van de _Dover Lass_--uit vreugde over de behouden terugkomst van hun commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij natuurlijk ook geld.

"En nu de schat!" roept Dalton levendig uit, doch zijn verweerd gelaat betrekt, als Guy antwoordt: "Voor het oogenblik nog geen schat."

Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden dubloenen reeds in handen te hebben.

Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen, om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten maken.

Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van de _Dover Lass_, blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.

Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië is,--dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen, gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.

Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: "Sir Guy Chester, gij moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad."

Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft vertellen, zit dus erg in de klem, temeer daar eenige zijner matrozen hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh en zegt tot hem: "Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld."

"Dat is zoo," antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.

"Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is."

"Waar dan?"

"Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman gevestigd."

"Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?"

"Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh."

"Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen," antwoordt de Lord norsch. "Gij wildet mij echter over geld spreken?"

"Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom, zal ik u zestig duizend teruggeven--tien voor één. Nog beter, geef mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld."

"Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven," antwoordt de Lord en zendt hem weg.

Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche wateren, zijn schip zwaar beladen met staven goud van een buitgemaakt galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.

De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd, hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden, niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op een aangename wijze verrast.

Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: "Monsieur Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!"

Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als uit den dood herrezene,--immers Alva heeft Bergen heroverd en een groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.

"Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen schilder meer, gij zijt enkel soldaat," zegt Guy, de hand van den schilder krachtig drukkend en met iets als een traan in zijn oog, als hij Antony aankijkt.

"Vertel gij eerst;--wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?" roept de schilder uit.

"Veilig."

"Goddank!"

"Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen."

Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht, die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden Coligny; hoe Oranje's poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva's klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van Frankrijk heeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad, die nog in zijn handen is.

"Apropos," zegt Guy, "nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?"

"_Kolonel_ Guido Amati."

"Te drommel,--alweer bevorderd?"

"Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader gekomen," lacht Antony. "Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati 's nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen, in den vroegen morgen 't Zeraets' soldaten, nadat hij een plaats was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus, dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer trotsch op u kan zijn."

"Goddank," lacht Guy, "dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets van haar gehoord?"

"Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd wordt. Vertel mij nu van mijn beminde."

Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen uitroept: "God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een edel meisje een dochter van Alva zijn?"

En dan vraagt hij een weinig angstig: "Waar hebt gij Mina heengebracht?"

"Naar Haarlem."

"_Haarlem_?" Het klinkt als een kreet van ontzetting. "Groote God, waarom deedt gij dat?"

"Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies."

"_Haarlem_!" De schilder is verstijfd van schrik. "Het is bijna ingesloten!" kermt hij. "_Haarlem_! en Alva heeft gezworen, dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?"

"Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden, wachtend op u,--haar laatste woorden waren voor u."

"Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd moeten worden. Mina is een uitgewekene. Help mij, Engelschman,--gij hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd--help mij er haar weder uit verlossen!" kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen rede meer verstaat.

"Verwijt het mij niet," antwoordt Guy. "Ik heb voor haar gedaan, wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te bevrijden--ik zal er mijn leven voor wagen."

"God zegene u," roept Oliver uit. "En uw bemanning?"

"Zij volgt mij."

"God zegene hen!"

En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend, die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden, om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel kan lijden.

Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen te halen en naar het Noorden te zeilen: "Dat is eigenlijk niet mooi tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant."

"Vriendschap vóór handel--het geluk van mijn vriend vóór het geld van Engelsche bankiers en woekeraars!" antwoordt zijn commandant. "Dalton, gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te beveiligen voor Alva's troepen?"

"Vechten, tot ik dood neerviel."

"Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!"

"Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten," roept de ruwe zeeman uit; en de manschappen wetten hun hartsvangers en strijdbijlen en zingen daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.

Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook van het afgrijselijke bloedbad te Naarden--vijfhonderd burgers vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten, prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere stad, waar Alva's veteranen als overwinnaars binnendringen.

Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en fluistert Guy met bleeke lippen toe: "Er blijft ons niets anders over dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ, zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is nog vrij."

"Misschien!" antwoordt Guy, twijfelend. "Doch het is een wanhopige onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva's geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen bovendien."

"Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?" roept de Fransche Vlaming woest uit.

"Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik het leven mijner mannen voor zulk een dolzinnig waagstuk op het spel zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen."

Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen of doodslaan, dien zij ontmoeten.

Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: "Ja, ik kom uit Haarlem--ik redde ternauwernood mijn leven--Ik heb den rook van het brandende Naarden gezien, het gekerm gehoord--"

"Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?" valt Guy hem in de rede. "Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven." Want de arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. "Kent gij een zekeren Pieter Kies?"

"Natuurlijk, lid van den gemeenteraad."

"Is hij nog in de stad?"

"Ja."

"Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?"

"O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?"

Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche wijze te jammeren: "Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb," en op heeschen toon smeekt hij Guy: "Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt, red haar dan."

"Ik zal alles doen, wat een man vermag."

"Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed is haar eenige redding."

"Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen," antwoordt Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.

"Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u, doe het voor mij, haast u!" smeekt Oliver.

Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren, en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den Frieschen vrijbuiter 't Hoen. Deze geeft aanstonds order, de _Dover Lass_ zooveel mogelijk te lichten.

"Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar ondiepten ons leven van afhangen," zegt 't Hoen, die bij al zijn woestheid een ervaren zeeman is.

De _over Lass_ wordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt nog alleen proviand, water en ammunitie.

Daarna vraagt 't Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der zeelieden: "Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?"

"Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk op het ijs?" lacht de bootsman.

Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat 't Hoen heen en koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij tot Chester: "Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als wij al te zeer in de klem geraken," waarop Corker een leelijk gezicht trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn leven te redden, hem tegen de borst stuit.

Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft hebben opgehouden.

Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle kanten in te sluiten.

Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen, als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor het gevaar van een beleg te bewaren.

Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door het bevriezende water te banen.

Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-, noch achteruit.

De stad Amsterdam, met Alva's leger binnen zijn muren, _is slechts vier mijlen van hen verwijderd_.

HOOFDSTUK XV.

HET GEVECHT OP SCHAATSEN.

Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: "Ik kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts twintig mijlen gescheiden--van--de vrouw, die ik liefheb,--haast u."