Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 15

Chapter 154,027 wordsPublic domain

"Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers--mijn beste bankier, Bodé Volckers--laat dan de goederen terstond aan boord brengen," fluistert Guy, het charter wegbergend, "en--breng mij een flesch wijn."

"Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven," stamelt de koopman.

Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.

Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem, die Guy's hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking, zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur: "Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!"

"Goede hemel! Alva's dochter!" mompelt de burgemeester. "Zij moet u niet zien. Ga de achterdeur uit!"

Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.

"Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames," hikt Guy, met een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, "ik ga nooit voor dames loopen."

"Gauw!" fluistert de oude heer. "Gij moet blijven, totdat wij de zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven", en hij duwt Chester haastig in een klein spreekkamertje naast het particulier kantoor, mompelend: "Een mooie geschiedenis--in handen van een verloopen sujet--een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe red ik mij daar nog weer uit!"

En Guy's hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van de klanten te kunnen behalen.

De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt, spreekt deze vreemde woorden: "Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug, als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij uw dochter lief hebt, _haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen_!"

HOOFDSTUK XIII.

"GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"

"Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva," antwoordt de oude man, buigend tot op den grond. "Waarom wenscht gij, dat mijn dochter Antwerpen zal verlaten?"

"Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en naar het Spinhuis te brengen."

"Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne geen kwaad doen," zegt de oude man op gestrengen toon. "Zij is den laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis, Dona de Alva."

"Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet."

"Groote God, gij bedoelt toch niet--het gedeelte voor slechte vrouwen--het uitvaagsel van de stad?" stamelt Bodé Volckers.

"Ja."

"Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en afscheid, die zij dezen armen schepels geven?"

"Ja."

"Mijn Mina!" gilt de oude man. "Mijn Mina!" zijn handen wanhopig wringend. Dan roept hij uit:

"Voor welke misdaad?--voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar de ergste misdadigsters--voor welke misdaad?"

"Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader."

"Oliver, de onder-secretaris van uw vader?"

"Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo diep vernederd en verlaagd zal worden," vervolgt Hermoine, bijna even wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen en schijnt niet in staat tot handelen.

Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man, die zijn kind wil vernederen, en sist: "Maar uw vader, van wien dit uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker--"

"Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn dochter,"--haar toon is bevelend, doch weemoedig. "Ik vergeef u uw verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn vaders staatkunde te critiseeren. Daarin meng _ik_ mij zelfs niet, ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter moge stemmen. Iederen avond bid ik: 'Geen bloed meer.' God alleen weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt, zal ik het doen."

En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks kan loopen, roept zij ongeduldig uit: "Zorg voor een boot--een schip, _spoedig_! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land, naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen."

Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt: "God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt--God zegene u! Ik weet iemand, die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht."

"Op wien?"

"Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,--die in de kamer hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier--majoor Guido Amati."

"Groote goden, wat een aanbeveling!" mompelt Guy, rillend, terwijl hij doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion, die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.

Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter gegaan.

Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart, er onder dreigt te bezwijken.

God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?

Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een verklaring,--voor zijn liefde.

Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt, springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: "Is dit het besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?" en zij voegt er spottend aan toe: "Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het aangezicht van den vijand, is desertie--"

"Zonder verlof," valt Chester haar in de rede, "waarom denkt gij dat?"

"Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor Guido Amati."

"Dan heb ik het aan uw invloed te danken," zegt Guy op treurigen toon, "aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen."

"Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart."

"Dat was een leugen!"

"Een leugen?"

"Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeft verteld, evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden vertelde,--dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?"

Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht voor haar en zij roept uit: "Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles, wat een vrouw u zou kunnen verzoeken."

"Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was, zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?" en hij gaat voor haar staan. "Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?" En naar haar vinger kijkend, schrikt hij en roept uit: "Groote God, de ring is weg!" en hij barst uit: "Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?"

En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer, maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen, maar de zielvolle, hartstochtelijke, _werkelijke_ oogen van Hermoine de Alva.

Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed en beweeglijke vrouwelijkheid.

"Nu ben ik de rechter, niet gij!" roept hij uit. "Antwoord mij!" want zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige: "Vergeef mij!"

Maar het jaloersche hart antwoordt: "Neen."

En zij zegt: "Gij _moet_!"

"En waarom?"

"Om deze reden." Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. "Ik meende--ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte--dat gij mijner niet waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy--"

"Boete!" roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte armen omklemmen hem,--de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.

"Foei," roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. "Wat houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen."

"Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?" fluistert Guy, "ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden."

"Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb."

"Waarom niet?"

"Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof--gij mij liefhadt," antwoordt het meisje, vuurrood wordend, "er toch nog jaloezie in uw oogen te lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den mijne zou maken, gij vergeten waart dat--ik u mijn hart had gegeven, en dat gij leefdet--niet als--als een edelman, maar als een losbol, nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen iedereen zeide,--ik kende u niet langer dan twee dagen,--bracht mij aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,--in zoover als een jonge dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt, dat hij haar onverschillig is,--en ik kreeg hetzelfde antwoord.--'Gij waart dapper, zelfs roekeloos--_maar uw leven was een beleediging voor mijn liefde_.'" Zij kijkt hem treurig aan. "Toen wist ik door mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat ik hem vergaf,--zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als gij mij bedrogen hebt, dan--"

"Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt," roept Guy uit. "Maar ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij, dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten, binnen een maand, binnen een jaar--mijn geheele leven? Gij zijt de dochter van den Viceroy--"

"Boete!" lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg te loopen.

"O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig." Hij neemt haar weer in zijn armen.

Plotseling zegt zij, verbleekend: "Gij zijt weer afwezig zonder verlof."

"Ja, dat is uw schuld!" Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt, als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.

Zij fluistert met witte lippen: "Desertie uit het leger, terwijl Middelburg omringd is door vijanden,--dat wordt niet gestraft met het verlies van uw rang--maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader handhaaft streng de tucht."

"Wat geef ik daarom!" antwoordt Chester, "het was immers mijn eenige kans, om u te zien."

Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt, want zij wordt bleek en stamelt: "Gij hebt uw leven dus gewaagd om mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij, dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij, dat gij een schip te uwer beschikking hebt."

"Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!" antwoordt Chester. "Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die vernedering hebben bewaard."

Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine over Oliver te spreken, doch zij zegt: "Ja, die verrader was uw vriend!" en zij vraagt met angstige lippen: "Hoe was het mogelijk, dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?"

"Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben gedaan?" antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: "Het spijt mij, dat ik na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken."

En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.

"Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen terstond aan boord van de _Esperanza_ worden gebracht."

"Dat is reeds geschied," mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde oogen aanstarend; en hij stamelt: "Gij zijt toch--gij zijt immers wel nuchter genoeg voor deze zaak?"

"Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven," snauwt Guy, zich eensklaps zijn rol van dronken losbol herinnerend. "Stuur een voldoende som geld aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden--en de mijne ook!"

Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn handen ineen en smeekt: "Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder de hoede van den wolf zou stellen?"

Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:

"Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen, de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem de plaats, en het zal geschieden."

"Haarlem!" antwoordt de oude man, "ik heb vrienden in Haarlem,"--later had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.

"Goed," zegt Guy. "Breng uw dochter terstond hier."

"Zoo aanstonds. Mina pakt."

"Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter voor de geeseling. Vlug!"

Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook, dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar Hermoine de Alva.

Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar boezem ijverig naar iets te zoeken.

Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen slaat, fluistert zij: "Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken."

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.

"Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men ook van mij moge uitstrooien," fluistert hij.

"Ja," antwoordt het meisje, "als men mij zegt, dat gij mij ontrouw zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt, dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers mij vertelde," zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging, naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, "zal ik zeggen: mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet ik, dat het altijd een leugen is.--Maar zult gij wel ooit tot mij terugkeeren?" vervolgt zij nu op treurigen toon. "Ik weet, dat gij nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva's dochter zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand te dingen."

"Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het hevigst is," mompelt Guy grimmig, "en het is voor u, dat ik vecht, al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet."

"Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat, majoor Guido Amati de Medina,--dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide," lacht zij, de krullen van Guy's hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens opgewonden uit: "Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!"

"Ja, het spel waarin de ridder [3] de koningin neemt," fluistert Guy.

"Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen koningin zijn," roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met geweld te ontvoeren.

Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is, om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.

"Herinner u--"

Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar, den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door juffrouw Wilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar toilet ten toon spreidde.

De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde schoonheid aan haar gelaat.

"Haast u! er staat een rijtuig voor de deur," mompelt de burgemeester. "Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het schip gezonden. Uw kamenier gaat mee."

Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af, die haar treurig aanziet, als zij vraagt:

"Vertel mij wat van hem!"

"Hem--van wien?"

"Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?"

"Voor het oogenblik, ja."

"Goddank!"

"Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen met acht man."

"Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine Mina!" roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.

"Ja, hij is veilig, _voor het oogenblik_," laat nu Hermoine zich hooren. "Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!"--zij slaat haar oogen ten hemel en zegt op angstigen toon: "Ik smeek God, dat mijn vader hem nooit levend in handen moge krijgen." En zich tot Mina wendend, vervolgt zij zeer ernstig: "Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken, smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest, _zich nooit levend te laten gevangennemen_! Het is jammer, dat zulk een dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch, majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman, u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn."

"Gauw dan, breng haar in het rijtuig," zoo haast Guy den koopman.

En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert Hermoine de Alva: "Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe weinig ik geloof, dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden."

"Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen." En zich bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: "Kom dan toch!"