Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 14

Chapter 143,958 wordsPublic domain

"En gij dan niet?--moet uw schip niet gelost worden? En buitendien," antwoordt Antony, "is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva." En hij vervolgt op ernstigen toon: "Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet, dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen."

"Vooruit dan maar," zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. "Ik zal terstond aan boord gaan."

"Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten Antwerpen te brengen!" lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe: "Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva's dochter kon u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij, dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf duizend kronen op uw hoofd,"--de schilder zucht.

Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van den schilder, en spreken over Antony's altaarstuk, dat zoo goed als af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner vijanden--maar toch ook de stad zijner liefde.

HOOFDSTUK XII.

"BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."

Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.

Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.

Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy op den schouder, zeggende: "Wij zijn zeer over u tevreden," vervolgens gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading, tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling, dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.

's Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen, neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.

Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijken enkel naar het schip, en gaan spoedig weer heen.

Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.

Deze heeft hem het volgende mede te deelen:

"Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden, wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken), in de wandeling 'de Stomme Duivelin' genaamd, bekend wegens haar boosaardig karakter."

"Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen, om ze er te laten logeeren," zegt Guy.

"Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen."

"Hoe lang moet gij in Brussel blijven?"

"Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen," antwoordt Oliver.

"Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen, dat mijn schip tegen dien tijd gelost is."

"Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit Brussel met de andere terug ben. En buitendien," zegt de schilder, "heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau gekregen, die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam, zijn opgestaan--en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva's zijde bleef."

"Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?"

"Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag met zijn compagnie naar het Noorden trekken."

"Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig."

"'t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie Bodé Volckers."

"Ah! De schoone Wilhelmina!" lacht Guy. "Ik zou gaarne met u gaan, maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus goedennacht en--vaarwel."

"Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido," en er klinkt angst uit zijn stem, "dat indien gij hier niet kunt slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen, om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft, als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst zijn voor uw veiligheid--voor uw leven, want God weet, hoe spoedig Alva's wantrouwen tegen mij wordt opgewekt."

Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.

Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen van het schip.

Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip 's nachts verlaten. Niemand mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid, en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is, vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.

"Het heeft er veel van," zegt de oude zeerob, "alsof iemand mij de keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te schreeuwen: 'In Godsnaam, verbrand mij niet levend!' Het heeft een slechte uitwerking op de equipage."

"Neen, een goede," zegt Guy. "Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag zeer voorzichtig zijn geweest."

Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: "Zeg den jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen, voor ieder horlogezakje één--wat voor de kooplui een fortuintje zal zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?"

"Dat gaat best, senor capitan Blanco," antwoordt de aangesprokene met een blik van verstandhouding. "Het ruim komt morgen vroeg geheel leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw geconsigneerden aan, senor capitan Blanco," en met een paar Spaansche woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld, bezoekers te ontmoeten.

Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.

"Slaapt gij gewoonlijk aan boord?" vraagt Jan Olins, na de gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.

"Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen, en soms bij een vriend, een schilder."

"Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten gesloten zijn."

"Het is goed. Wat kan ik voor u doen?"

"Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het u zeggen," antwoordt de Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert Olins: "Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn aangegeven."

Dit weet Guy _niet_, maar hij houdt zich alsof hij het weet.

"Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal aanwijzen."

"Vanavond, als het donker is?"

"Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden extra krijgen en gij het gewone tarief."

"Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van Antwerpen?" vraagt Guy.

"Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden penning ontduiken," antwoordt de koopman op halfluiden toon. "Gij krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak."

"Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer," antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat, men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.

"Zeer goed, die zaak is dus in orde," fluistert Olins en slaat zijn hand in Guy's uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.

Als hij alleen is, begint Guy te lachen: "Ik wil toch weten, wat ik smokkel," en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.

Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,--mijnheer Jan Olins is in zijn achting gerezen.

Daarna begeeft hij zich naar Oliver's atelier; hij komt onopgemerkt binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het gordijn weg van Antony's altaarstuk om het gelaat te beschouwen van haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke doel van zijn komst.

Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.

Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.

Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen, op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een groot pakhuis.

Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar op de goederen heeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.

"Zoo, zoo!" denkt de Engelschman. "Als ik Bodé Volckers eens mocht noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen."

Daarna keeren zij behoedzaam naar de _Esperanza_ terug, onopgemerkt en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn, maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.

Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt, ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als zij het dek wasschen.

Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen, dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft, om zijn leven te redden.

"Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat hij een brief voor u heeft," fluistert de bootsman hem in het oor, "daarom nam ik de vrijheid, u te wekken."

"Hm!"

"Hij zegt, dat er haast bij is."

"Wat voor een jongen?"

"Een Fransche."

"Achille!" en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede, en beveelt: "Zend hem terstond hier!"

Het is Achille met een brief van Oliver.

"Gij zijt kapitein Andrea Blanco?" vraagt de jongen.

"Ja."

"Dan moet gij dit terstond lezen," zegt de jongen en overhandigt hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver's hand en luidt:

"Vlucht! vlucht spoedig!--in Godsnaam!--Red uw leven en dat van den jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,--zij zullen hem op de pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel."

"Wie gelastte u, mij dit te brengen?" vraagt Guy, met bevende lippen en doodsbleek gelaat.

"Hij zeide mij--"

"Hij!--Wie?"

"Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen," vertelt de jongen, "en ik ging naar het hok, en op de een of andere manier--want ik haastte mij--liet ik de deur open, en zij vlogen alle weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen."

"En hij?"

"Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: 'Mon Dieu, wat hebt gij gedaan?' En toen zeide hij: 'Gij hebt de duiven laten vliegen, nu moet gij een brief wegbrengen--Miséricorde! mijn vriend!' Daarna gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en dit te geven aan kapitein Andrea Blanco op het schip _Esperanza_. En dan te doen, wat hij mij zou zeggen."

"Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier gekomen?" vraagt Guy op barschen toon.

"De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte kerel!--het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht, zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati," voegt Achille er aan toe, die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd, dat hij in de hut was.

"Beiden."

"Dat is zonderling."

"Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet," zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er geheel door overbluft is. "Ga zitten!"

"Ik--ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten," brengt Achille zenuwachtig uit.

"Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat is wat u meester u gelastte."

Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet; hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt, want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij zal doen.

Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijn equipage niet blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen kan redden, en dat is, te trachten met de _Esperanza_ zoo spoedig mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren door de kreupelheid van Achille's paard, maar hij veronderstelt, dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden, dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader in den _Engelentoren_ heeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille, de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn geconsigneerden, dat juist geopend wordt.

Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens particulier kantoor en zegt: "Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?"

"Wat een dwaasheid!" antwoordt de welgedane Jakobszoon. "Waarom zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is."

"Gij moet mij een cognossement voor ballast geven."

"Waarom?"

"Omdat de douanen op mijn schip loeren."

"Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!" roept de koopman uit. "Als ge er u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet."

Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst heeft genomen.

Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.

Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu, niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij ontmoet hem bij de Wolstraat.

"Ik moet u spreken, mijnheer Olins," zegt hij.

"Goed, ga mee naar het kantoor."

"Neen, alleen en niet op uw kantoor."

"Nu, dan in dit wijnhuis," antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend, en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.

"Nu," zegt hij, "is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis, kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning ongeduldig is."

"Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast te geven, om uit de haven weg te komen."

"Onmogelijk!" roept Olins, en fluistert dan: "Waarom hebt gij dat noodig?"

"Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld."

"Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?" vraagt de Vlaming op halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.

"Het was geen kant," zegt Chester kortaf.

"O--o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten," fluistert Olins, terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. "Doch waar zal ik u heenzenden?"

"Geef mij papieren op Amsterdam." Guy noemt de eerste de beste plaats, die hem invalt.

"Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar," voegt de koopman er zenuwachtig aan toe, "zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!"

"Ik zal u de ladingspapieren bezorgen," roept Guy uit, terwijl hij plotseling op een idee komt.

"Van wien?"

"Van uw _mede-patriot_, Bodé Volckers." Dit in zijn oor.

"Groote God! Gij weet--"

"Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete--maar de dood," fluistert Guy. "Vul een order in voor lading op Amsterdam."

En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,--want het handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig, alsof het gedrukt was.

"Zend de papieren terstond naar het douanekantoor," fluistert Guy.

Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen, niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de beruchte Spaansche soldaat, want hij is van meening, dat dit de beste vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester Bodé Volckers.

Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.

Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé Volckers en treedt dit binnen.

Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,--want deze bandelooze Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.

Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy's verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien, alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.

"Gij kent mij--gij kent mij--ik ben--ik ben majoor Guido A--Amati, v--an--Romero's voetvolk," begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden door hikken afgebroken.

"Ja, ik--ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein Amati!"

"Majoor--_majoor_ Amati de Medina!--vergeet niet het--de Medina.--Ga--ga zitten en--hik--teeken dit!" En Guy duwt den koopman in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het charterpapier onder den neus.

"Wat--wat is dat?" stamelt Bodé Volckers.

"Het is een charterbrief--van de firma Jakobszoon en Olins, voor capitan Andrea Blanco.--Gij kent capitan Andrea--Andrea Blanco?"--hij knikt hem veelbeteekenend toe,--"van het schip _Esperanza_?"

"Ballast gecharterd?" roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. "Wat dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast."

"Geen ballast, maar een charter--ter begeleiding van twaalf kisten goed--die gisteravond in uw pakhuis--ongeveer twaalf uur--Begrepen,--Bodé Vol--Volckers?"

En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: "Gij--gij beschuldigt mij van smokkelen; daar--daar staat slechts een boete op!"

"Ja,--boete van _uw hoofd_!"

"Smokkelen van kant--boete van mijn hoofd--gij zijt dronken!" antwoordt de koopman, moed scheppende.

"Smokkelen van haakbussen--gepakt in kant--in oorlogstijd--beteekent de _pijnbank_."

"Groote God!" roept Niklaas uit, "haakbussen! Ik zou haakbussen--Die gemeene Olins!--haakbussen!" En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.

"Juist--het--kost--u--uw hoofd," hikt Guy. En hij vervolgt met een dronkemansblik:

"Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande bankier--de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen noodig heb--hik--voortaan zal geven, naar de andere wereld werd geholpen. Begrepen--Bodé Volckers?"

"Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben--ik ben een arme man!"

"Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen--Bodé Volckers?" en hij kijkt hem met inhalige blikken aan.

"Hoeveel verlangt gij?" smeekt de koopman.

"Een slomp;--maar daar zullen wij later wel eens over spreken," hikt Chester. "Teeken dit charter--maak eerst, dat het schip kan wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal een verduiveld grooten wissel op u trekken."

"Gij bedriegt mij niet--gij zijt er _zeker_ van, dat het haakbussen zijn?"

"Roep de douanen--open ze en zie zelf!" roept Guy uit.

Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent met bevende hand het charter van de _Esperanza_ om Antwerpen terstond te verlaten voor Amsterdam en andere havens.