Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 13

Chapter 133,891 wordsPublic domain

Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva's schatten te haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van de _Dover Lass_ en sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.

Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend, komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2 en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze luidt:

"Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.

"Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.

"Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.

"Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken."

Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen, die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.

Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.

Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn stevige kist in de hut van de _Dover Lass_. Het oorspronkelijke document steekt hij bij zich.

Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen, schijnt hem niet raadzaam.

Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft bekeken (want hij wil er zelfs niet met Dalton over spreken, die anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke besluit. Hij wil zich met behulp van de _Dover Lass_ meester maken van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen, zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen, hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend, en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven, waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.

En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar zal hij zeggen, dat Alva's goud afkomstig is van een prijsverklaard galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zij aanspraak maakt, betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.

Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is de _Dover Lass_ onder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren, dat ze onbruikbaar voor hem maakt.

Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden, doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun inwoners allen over de kling gejaagd,--mannen, vrouwen en kinderen.

Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt in Antwerpen te doen.

Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen, sedert hij in het bezit is van Paciotto's geheim, eer hij het karveel _Esperanza_ buitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaal aanwijst, dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.

Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met de _Dover Lass_, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen de _Dover Lass_, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,--vooral wanneer het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven zouden kunnen vertellen.

Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.

Hij roept daarom Dalton en zegt: "Het is noodzakelijk, dat ik persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, de _Esperanza_, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner manschappen naar Antwerpen zeil."

"Naar Antwerpen gaan?" roept Dalton verbaasd uit. "Naar den duivel gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?"

"Gij, als ik het u vroeg, Dalton," antwoordt zijn commandant. "Roep de bemanning."

En als zij allen vóór de groote mast staan, overziet Chester de honderd vijf en twintig matrozen van de _Dover Lass_, brutale vechtersbazen, tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en bondig toe: "Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat je zal aanstaan--waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet ik dertig man hebben, die met mij op de _Esperanza_ naar Antwerpen willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder van de matrozen van de _Dover Lass_ twintig goudstukken, gij, Dalton, tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder, die met mij op de _Esperanza_ gaat, krijgt er twintig extra voor het waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij, die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek gaan staan."

En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek, terwijl Dalton uitroept: "Neem mij in 's hemels naam mee, commandant. Ik laat u niet alleen gaan."

Doch Chester antwoordt: "Het is noodzakelijk, dat gij het bevel over de _Dover Lass_ op u neemt," en hij kiest die mannen uit, die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken, daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee, wat van die taal hebben opgevangen.

Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden, om het Spaansch vlot te kunnen spreken.

Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt tot hem op ernstigen toon: "Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele bemanning van de _Esperanza_ in boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt. Ga dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland."

"Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen, dat wij er het hachje ook niet bij inschieten," zegt Dalton. Want in dien tijd was de Westkust een _Ultima Thule_, door iedere pikbroek gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.

"Keer terstond naar Vlissingen terug," vervolgt Guy, "zoodra gij u van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar."

"Doch als gij niet terugkomt?"

"Dan zijt gij commandant van de _Dover Lass_. Maar ik kom wel terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat gij hen hebt afgeleverd aan de O'Brien's, O'Toole's of een of ander bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!"

"Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn schip nam, dan overboord met hen," zegt Dalton en laat zijn woorden vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.

Daarna zet de _Dover Lass_ koers naar de Hebriden, de noordelijke route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch oorlogsschip te vermijden.

En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.

Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood aan de vervolging van zijn collega's, de Watergeuzen, en is in den namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.

Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van Jakobszoon en Olins.

"Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde kapitein Blanco," roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend, zwaarlijvig persoon.

Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren, merkt op: "Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen, is het gedaan met den handel van Antwerpen."

Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. "Ga met ons mede," zegt Jakobszoon, "het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen een flesch drinken in _De Geschilderde Herberg_."

Doch Guy heeft niet veel lust, om _De Geschilderde Herberg_ te bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip moet terugkeeren.

"Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?" zegt de jongste firmant.

"Waarschijnlijk wel," antwoordt de kapitein, "totdat ik mijn schip veilig aan de kade heb liggen."

"Nu, de _Engelentoren_ is anders een zeer goede herberg en niet ver van hier," zegt Jakobszoon. "Zij ligt ook in de buurt van uw schip."

"Dank u, ik zal het onthouden," en afscheid nemend van de twee heeren, die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.

Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde, terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman op het schilderij af. Op Oliver's angstige opmerking: "Wat is er van uw dienst?" antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de beschouwing van zijn beminde!

"Wat is er van uw dienst, senor?"

"O--ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei gegeten?" fluistert Chester ontwakend.

"Morbleu!" roept de Vlaamsche artist uit. "Kapitein--neen, majoor Guido Amati!"

"Nu niet," zegt de ander kortaf, de deur sluitend, "maar Andrea Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden, talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins, zijn lading lossende aan de Engelsche kade."

"Maar toch mijn Guido," fluistert de schilder, en de levendige Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy's hals en geeft hem naar 's lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.

"Is uw factotum hier?" vraagt de Engelschman een weinig brusk, want hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.

"O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn familie," zegt Oliver. "Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?"

"Is zij hier--in Antwerpen?" roept Guy opgewonden uit, terwijl zijn hart onstuimig begint te kloppen en zijn oogen schitteren van verlangen.

"Neen, zij is gelukkig in Brussel."

"_Gelukkig_?"

"Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd."

"_Vijf duizend_?"

"Ja--gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen, dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij u! Als hij eens wist--" en de schilder barst in lachen uit en vervolgt daarna ernstig:

"Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt, Guido?"

"Grendel de deur en luister," fluistert de Engelschman. Als dit gedaan is, begint hij op halfluiden toon: "Bij mijn laatste bezoek hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva's dochter. Bij dit bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn tienden penning heeft bijeengebracht."

"Diable! gij zijt dol!"

"Luister en oordeel of ik het ben," en een stoel krijgend, vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto's biecht en _post-mortem_-wraak op den dictator der Nederlanden.

Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: "Gelooft gij het nu?"

"Ja," antwoordt de schilder langzaam, "ik geloof u! Alva heeft zijn troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden, alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk daarheen gezonden. Ik geloof u!"

"Dan," zegt Guy, "krijgt gij een derde gedeelte van Alva's geld, als gij het mij helpt buitmaken."

"Van harte gaarne!" antwoordt Oliver vol vuur. "Mijn deel zal voor mijn vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger."

"Neen, ik heb aan boord gegeten."

"Oho, verliefden hebben geen honger!"

"Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest--hoe maakt zij het?"

"Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen," antwoordt de schilder zuchtend. "Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn altaarstuk, eer ik ten strijde ga."

"Gij ten strijde?"

"Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom de Dieu, het ging laatst bij het walletje langs," vervolgt Oliver, "het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den Briel hadden ingenomen."

"Hoe? Waart gij in gevaar?"

"Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht de hoofdstad in opschudding en Alva's gedachten werden er zoo geheel door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. 's Morgens zond hij dadelijk om mij. 'Oliver,' zeide Zijne Hoogheid, 'zoek mij den kerel, die dat heeft vervaardigd.' En hij duwde mij een caricatuur van zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus, met het onderschrift:

'Op den eersten van April Verloor duc d'Alf zijn bril.'

'Deze schandelijke en brutale caricatuur,' vervolgde Zijne Hoogheid, 'heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij moet den verwenschten kladschilder zoeken.' 'Hoe kan ik dat, Uwe Hoogheid?' stamelde ik. 'Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij zijt een kunstenaar,' snauwde de Hertog. 'Ik laat mij hangen, als de schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling, dien kladschilder vinden!' Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten, want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten--en misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist, niet als een misdadiger op de pijnbank."

"En Dona Hermoine," viel Guy hem in de rede, "wat zeide zij er van?"

"Waarvan?"

"Van het nieuws van de inneming van den Briel?"

"Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en feesten," antwoordt de schilder, "en bemoeit zich niet met politiek. En dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes--"

"Alle duivels!--heeft zij mij vergeten?" buldert de Engelschman.

"Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt."

"Hoezoo?"

"Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer opgeruimd; er was aan Alva's hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde, geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En toen--"

"Nu, wat toen?"

"Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet."

"Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?"

"Ja, ik vermoed het."

"Wat dan?"

"Gij!"

"Ik?"

"Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen overliet, mijn jongen," zegt Oliver, inwendig lachend.

"Mijn gedrag veel te wenschen overliet?"

"Zeer veel," lacht Oliver. "Het rapport luidde, dat bij de ontvangst van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen."

"Goede hemel! Die ellendige schurk!"

"Dat is hij," stemt Oliver toe.

"Hij--hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!" roept Guy woedend uit. "Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op geluk berooft."

"Dat zou ik niet doen," lacht Oliver, "want als gij majoor Guido Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan."

"In den rouw over hem?"

"Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig." En de schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en zegt op spottenden toon: "Diable, ik zie u al, boete doende voor de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom, laten wij nu gaan soupeeren."

"Ik kan niet eten. Lach mij niet uit."

"Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om wanhopig te worden."

"Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal dus maar met u gaan soupeeren," antwoordt Guy, weer moed scheppend.

En het tweetal verlaat Oliver's woning, niet om naar een der groote herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegen _Engelentoren_, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt--ondanks de slechte keuken en den zuren wijn.

In Oliver's woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak, die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen, terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de sleutels zal laten maken.

"Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar een slotenmaker, dien ik ken, de teekening van nº. 2 naar een in een ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde sleutels en zij zullen veel geld kosten."

"Dat komt er niet op aan," zegt Guy, "ik heb geld genoeg."

Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet, zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er nog woont. "Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen," zegt Oliver.

"Laat mij naar Brussel gaan," zegt Guy levendig. "Gij hebt hier genoeg te doen."