Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572

Chapter 11

Chapter 113,889 wordsPublic domain

Guy Stanhope Chester heeft zich naar zijn hut begeven, waar hij bezig is, wat hij op zijn vreemd uitstapje naar Antwerpen heeft buitgemaakt, achter slot en grendel te bergen.

Zijn schat bestaat uit een pakje brieven in cijferschrift, die betrekking hebben op den beraamden aanslag tegen Elizabeth van Engeland, en den sleutel, met behulp waarvan men ze kan lezen; een ring met een robijn, die voor hem het tastbaar bewijs is, dat hij de liefde van de dochter van den Onderkoning heeft gewonnen, en twee briefjes van haar hand.

"Drommels, ik heb mij goed gehouden," denkt Guy. Dan bekijkt hij het miniatuur-portret, dat hij drie jaren bij zich heeft gedragen, en mompelt: "Merkwaardig, dat ik haar eindelijk moest vinden en haar hart winnen. Wie durft nog zeggen, dat de romances zijn gestorven met de troubadours? Drommels, ik kom mij zelf voor als een troubadour. Tra-la-la!"--en met den lichten tred van een troubadour op en neer loopend, roept hij plotseling uit: "Wel, sapperloot, ik heb nog meer," want de zware gordel om zijn middel herinnert hem aan het laatste, wat Dona de Alva hem zond.

Als hij hem van nabij beschouwt, bespeurt hij, dat het een zeer sterke leeren gordel is en zoodanig gemaakt, dat men hem secuur kan omgespen.

En als hij hem geopend heeft, laat hij een half onderdrukt "bah!" hooren, want de gordel is vol goudstukken, doch een oogenblik later grijpt hij naar een klein pakje, dat er met de muntstukken uit is gerold. Daarop barst hij eensklaps in lachen uit: "Wat zie ik?! Haar portret! Zij wist natuurlijk niet, dat ik er al een van haar had," want een ander miniatuur-portret van zijn schoone Castiliaansche beminde vertoont zich aan zijn verraste oogen. Een briefje is bij het portret ingesloten.

Het luidt aldus:

"Mijn liefste!

"Ik neem de vrijheid u mijn beeltenis te zenden, opdat zij beter in uw herinnering moge blijven. Het is u niet vergund, het levende beeld met u te voeren. God weet, hoezeer ik wensch, dat het zoo ware. Maar als majoor Guido Amati de Medina eenmaal generaal wordt, zal ik maken, dat het origineel hem toebehoort--o God! wat een geluk!

"Ik heb de vrijheid genomen, hierbij een honderd goudstukken in te sluiten. De officieren van het Middelburgsch garnizoen hebben reeds over het jaar geen soldij ontvangen, en ik zou gaarne zien, dat een edelman, die eens de dochter van Alva zal huwen, leeft overeenkomstig zijn stand. Als gij aarzelt, dit van mij aan te nemen, zal ik denken, dat gij mij niet zoo liefhebt, als ik het u doe. Het is slechts een klein voorschot op den bruidsschat van uw toekomstige echtgenoote,

Hermoine de Alva."

"Mijn echtgenoote zal zij worden," roept Guy uit. En in den wilden hartstocht, die jonge harten soms aangrijpt, zet hij de beide fraaie portretten vóór zich en roept triomfantelijk uit: "Ziedaar mijn oude liefde, de onvindbare, die ik toch gevonden heb! Ziedaar mijn _nieuwe_ beminde, de onbereikbare, maar tot wie ik mij, bij den hemel, toch zal opheffen, om haar tot mijn vrouw te maken, al is zij ook de dochter van Alva, mijn doodvijand!"

HOOFDSTUK IX.

"GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT."

Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan, naar Londen.

Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het Borgia-complot te verijdelen.

Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit zou Brittannië geheel onder den invloed van Philips II van Spanje hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan, de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden, door Alva, zijn onderkoning.

Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche koningin.

Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi, Alva's agent te Londen.

Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel, dien Oliver hem heeft verschaft.

Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de Lord met een ernstig gelaat: "Gij hebt den staat een grooten dienst bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins verfrisschen kunt," en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn bevelen. "Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op."

De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot zich genomen.

Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,--thans Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,--naar de audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten, de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,--een beeld van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom, zij is de goede "Queen Bess", in den bloei des levens, vijf en dertig jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.

"Mijn goede Burleigh," zegt zij, "wat zijt ge toch altijd haastig! Ik heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij opnieuw achthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied van mijn koninkrijk ontdekt?"

"Neen," antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar buigen. "Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen, zijn er het bewijs van."

"O! in cijferschrift," zegt de Koningin, ze inkijkend.

"Ja, maar dank zij Master Chester's bereidvaardigheid om zijn leven opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch."

"Gauw--geef ze hier!" En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig door, waarna zij uitroept: "Zij wilden mij dus vergiftigen en dien verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw, die mijn gevangene is. _Dat beslist het lot van Norfolk_! Hij is gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven, Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen, en wat Ridolfi betreft--"

"Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe Majesteit," valt Burleigh haar in de rede.

"Zeer goed," antwoordt Elizabeth, "dan is er voor het oogenblik niets meer te doen dan van kok te veranderen; en"--hier komt er een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit--"en dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen, vogelvrij verklaard hebben; maar met dat al hebben wij toch veel met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen handelt,--alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,--ik zeg het met overtuiging,--kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden."

Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt, beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.

"Gij drommelsche kerel!" roept Elizabeth uit, als hij geëindigd heeft. "Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit er onder geleden heeft.

"Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad."

"O, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover, "als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn koningin aankijkt, een verrader."

Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar schoonheid,--een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend aanziet, is zij pas vijf en dertig.

"En ik wil dien vermetelen vleier straffen," zegt zij lachend, "ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester."

De jonge man wil zijn zwaard afgespen. "Neen, bloot, zooals gij het tegen uw vijanden gebruikt."

Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op een onverwachte, roemvolle onderscheiding.

"Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?"

"Uwe Majesteit," antwoordt Cecil, buigend, "van moeders zijde heeft hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn grootvader werd tot ridder geslagen."

"Dan," zegt de koningin van Engeland, "zal hij eveneens ridder zijn!" En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende: "Sta op, Sir Guy Chester!"

Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift, dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: "Het schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft geleerd, om de hand te kussen."

En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend, en zegt: "Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik van Alva,--spaar hem niet ter wille van zijn dochter."

"Neen," antwoordt Guy, "want iedere slag, dien ik tegen den vader richt, brengt mij nader tot de dochter."

"Wel heb ik van mijn leven!" spot Hare Majesteit, "wat denkt deze nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?"

"Haar te _trouwen_, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig veroorlooft," roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh, de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend, daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.

Doch niettegenstaande Chester's waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar leven heeft gered, slaat Elizabeth--die, hoe groot zij ook is als Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in practijk brengt,--volstrekt geen acht op Chester's herhaald verzoek om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken, het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering van de hutten der _Dover Lass_ en haar salons zoo rijk stoffeerende, dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: "Bij alle mooie meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart uitgaat op een vrouw!"

Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om geld te verzoeken.

Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt, die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins verzonken zit.

"Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy," zegt hij levendig. "Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen, die Nederlandsche zeeschuimers."

"Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen," antwoordt Chester. "Het zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland, Holland--kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee, want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje, die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort," en hij vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan Lord Burleigh. "Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij zooveel belang in de Watergeuzen?"

"Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand, zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet, op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne gastvrijheid weigeren."

"Vijf en twintig schepen--dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid weigeren," antwoordt Guy.

"Waarom?"

"Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet geld voor mijn schip hebben."

"Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft--en modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip," lacht Cecil, maar bestelt toch zijn rijtuig.

En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten der Geuzen ontvangt.

"Groote goden!" roept Hare Majesteit uit, "ik zie, Mylord Burleigh, dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een afgezant?"

Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva, en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.

"Neen, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die plotseling een ingeving krijgt. "Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg integendeel: _verleen ze hun niet_."

"Waarom niet?" vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.

"Om deze reden: als Uwe Majesteit hen van eten en drinken voorziet, zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang als uw gastvrijheid duurt."

"Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier willen maken," gromt Hare Majesteit.

"Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen u te gebruiken."

"Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?"

"Ja," antwoordt Guy, "voor geen halven cent proviand."

"Maar zij hebben ook geen water."

"Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet, zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook, Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich aan Alva's ijzeren vuisten te wagen. _Geef hun niets dan kruit en lood_. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels, om Alva te bestrijden."

"O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke inval!" roept Hare Majesteit uit. "Sir Guy Chester gebruikt niet alleen zijn zwaard, hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van, Burleigh?"

"Ik?" antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is, om de wijsheid van een ander te erkennen, "ik zeg, dat hij u den verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn--"

"Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord," merkt Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: "Laat de afgezanten van de Geuzen binnenkomen."

En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.

Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer en gebrek.

"Gij zijt hier gekomen, heeren," zegt zij, "om mij een verzoek te doen. Wat is dat?"

"Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren," antwoordt de admiraal.

"Geen mondvoorraad!"

"Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva's vijandin."

"Ik ben Alva's _vriendin_. _Geen mondvoorraad_! _Wat nog meer_?"

"En water,--wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan een dorstig zeeman geweigerd heeft--_water_!"

"Geen _water_! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden."

"En dit heet een Christelijk land?"

"Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen."

"En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder voedsel?"

"Ja!"

"Dan," zegt Van Treslong, "moge God u uw onmenschelijkheid vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles--behalve ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in den ongelijken strijd tegen Alva!"

"De hemel helpe ons," zucht de admiraal. "Wij hebben zelfs geen kruit om ons te verdedigen," en de beide mannen verwijderen zich buigende, met wanhoop in het hart.

De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde houden, en roept: "God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonder _kruit_ en _lood_!" En zij zegt tot Chester: "Is uw schip reeds uitgezeild?"

"Neen, Uwe Majesteit."

"Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te kunnen vechten."

"Maar, Uwe Majesteit," antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen, wat hij behoeft, "ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen."

"Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen." En Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling: "Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw knorrende honden koest te houden," en zij teekent de order, maar heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: "Mij dunkt, _tien_ duizend is ook wel genoeg."

"Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn, die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten, niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat ieder mensch het naast aan het hart ligt--_hun bestaan_! Bovendien doen zij het geheel buiten u om!"

"Drommels, Cecil, wat een redenaar," lacht Hare Majesteit. "Een echte zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen tot ondersecretaris van staat--wat dunkt u, lord Burleigh?"

"Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder hersens in het hoofd."