Een spoorwegreis in Korea De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 2
In het algemeen geschiedt het vervoer van handelswaar en marktproducten nog op de aloude wijze, n.l. op den rug van het lastdier. Alleen de spoorweglijnen van Seoul naar Fusan, Chemulpo en Wijuer veroorloven eene meer moderne wijze van vervoer, evenals de stoombootlijnen die in handen van japansche maatschappijen zijn en het verkeer tusschen sommige punten op de kust onderhouden. Het voornaamste trek- en lastdier is de koreaansche os. Deze beteekent voor den inboorling meer dan het paard voor den Arabier, of de lama voor den Peruaan. De taaie modder van het rijstveld kan zonder dit dier niet bewerkt worden; sterft het, dan moet de koreaansche boer zijn veld braak laten liggen, en eene epidemie onder dit vee beduidt voor hem hongersnood. De os heeft een geduldig, onderworpen, traag en gelijkmatig karakter, niet ongelijk het karakter van het volk zelf. Eeuwen lang heeft dit volk de lasten gedragen, door de vorsten des lands hun opgelegd, totdat duldzaamheid hun eene tweede natuur is geworden, en de westerling verwondert zich over de mate van verdrukking waaronder het volk geleerd heeft zich te bukken. Het wordt overtroffen door de Chineezen in aantal, door de Japanners in vernuft en geestkracht, het bezit noch den handelsgeest der eersten, noch de krijgshaftigheid der laatsten; doch in temperament en goede hoedanigheden zijn ze beiden de baas.
De inlandsche os zou een wreeden meester gemakkelijk op de horens kunnen nemen en vertrappen, het koreaansche volk had zich gemakkelijk van de tirannie zijner keizers kunnen bevrijden. Doch de lijdzaamheid is bij hen gestegen tot een punt, waar ze ophoudt een deugd te zijn.
In beteekenis volgt op de os het paard, d. i. de inlandsche hit. In grootte overtreft het den Shetland pony weinig of niet, doch het is beter geëvenredigd en fraaier van bouw dan de gedrongen en lompe vormen van het noord-europeesche dier. Sedert onheugelijke tijden is het eiland Quelpaert bekend als de beste kweekplaats van dit kleine maar stevige en taaie dier, dat de ontberingen even goed verdraagt als de ruwheden van weer en wind. De Koreanen castreeren hunne huisdieren niet, en het gevolg is dat de hengsten onder dit lilliputsche paardenras onverbeterlijke vechtersbazen zijn. Zoodra zij slechts in eenig aantal bijeen zijn ontstaat het gevecht; en niet licht zal ik vergeten hoe de hit, dien ik eens bereed, beide voorpooten over den nek sloeg van het rijdier waarop mijne vrouw gezeten was, om het daarna in de ooren te bijten.
Het derde lastdier in Korea is de mensch. En vermoedelijk verricht hij meer werk dan os en paard te zamen, zoo veelvuldig is het gebruik dat van den koelie gemaakt wordt. De gedroogde visch uit het noordoosten des lands wordt aangevoerd per vaartuig over zee, of per pakpaard over land, maar rijshout, gras, takkebossen en dergelijke worden voor een groot deel door koelies in de groote plaatsen gebracht. Men heeft in den loop der eeuwen geleerd een vracht zoodanig te schikken, dat een man het maximum gewicht met het minimum vermoeienis kan torsen. De koreaansche jiggy of draagstoel is van eene ideale constructie; hij is zoo gemaakt dat het gewicht van den last verdeeld is over heupen, rug en schouders, zoodat ieder lichaamsdeel eene evenredige portie te dragen heeft. De Chinees, die zijn last draagt aan de beide uiteinden van een draagstok, waarvan het midden op zijn schouder rust, heeft in een straat tweemaal zooveel ruimte noodig als een Koreaan. Ik heb koelies gezien, die met een vracht van 400 pond een afstand van verscheidene kilometers aflegden zonder te rusten. Iets dergelijks zou de krachten van een Chinees te boven gaan; òf zijn draagstok, òf zijn schouder zou breken.
In sommige gedeelten des lands, waar de wegen het gebruik van karren veroorloven, worden b.v. zware steenen op die wijze vervoerd; maar anders, en wanneer de afstand slechts kort is, wordt de steen met touwen aan een draagbalk gehangen en de uiteinden van dien balk op de schouders van vier, zes of acht koelies gelegd. Deze staan alsdan, aan ieder uiteinde, letterlijk lijf aan lijf, zoodat het hun ook onmogelijk zou zijn om te loopen, indien ze niet hunne voeten automatisch in elkanders voetstappen zetten. Geen peloton pruisische soldaten dat ooit beter in den pas bleef. Er is voor dit soort van werk echter eene afzonderlijke kaste van koelies, die ook volgens een afzonderlijk tarief betaald worden.
De voornaamste industrie des lands is de landbouwindustrie. De inboorling beseft dat de bodem de bron is van den nationalen rijkdom, en dat een goed rijstveld de veiligste geldbelegging is. En de landbouwindustrie staat hier zoo hoog aangeschreven, dat een edelman zich daarmee kan bezig houden zonder een blaam op zijn wapenschild te werpen, terwijl het daarentegen beneden zijne waardigheid zou zijn om koopman, makelaar of manufacturier te worden.
De landbouwwerktuigen zijn van een primitief karakter, te beginnen met den ploeg, die door een os getrokken wordt. Als meststof worden veelal gebruikt de menschelijke excrementen, en waar deze niet in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn, bezigt men plantaardige meststof. De inboorlingen zijn ervaren landbouwers, welke hunne akkers de grootst mogelijke productie weten af te dwingen. Rijst is het hoofdproduct, zij weten ook vlas, rameh en andere vezelstoffen te bereiden, en het stevige papier dat zij vervaardigen uit den bast van den papierboom is door heel het Verre Oosten vermaard. Zij leggen zich ook zeer toe op de cultuur van de ginseng-plant, welk product hooge prijzen haalt ter zake van zijne onderstelde eigenschappen als aphrodisiacum. Vooral de wilde varieteit, de berg-ginseng, wordt zeer duur betaald; de uitwerking is niet zoo schadelijk als bij opium.
Zij laten ook niets verloren gaan; de afval hunner veldvruchten wordt nog tot verschillende doeleinden aangewend, en men kan er wel zeker van zijn dat, wanneer de Koreaan iets wegwerpt, het ook volkomen waardeloos is.
De visscherij is eene andere voorname industrie. Over 't algemeen eten de Koreanen weinig vleesch; alleen de bemiddelde klassen der bevolking kunnen zich dit voedsel veroorloven en het is alleen in de groote volkrijke plaatsen verkrijgbaar. De inboorling zou er evenmin aan denken om een sterken, arbeid verrichtenden trekos te dooden ter wille van zijn vleesch, als een westerling een fraaien duren hond zou afmaken ter wille van zijn vacht. Maar de consumptie van visch, vooral gedroogd of gezouten, is door het gansche land aanzienlijk. Voor den Koreaan is alles visch wat er in zijn net komt, haaien, roggen, inktvisschen, enz. Maar hij is niet ondernemend genoeg om zich op de zoo winstgevende walvischvangst toe te leggen; Japanners en Russen hebben zich van dit voordeel meester gemaakt.
Voorts houdt het bijeenzamelen en vervoeren van brandstof vele duizende handen bezig. In Japan houdt de bevolking zich warm door dikke gewatteerde kleeren, door dekens, en door rondom metalen houtskoolkomforen te kruipen; in Korea wordt in het souterrain van het huis gestookt, waarbij de warmte door den steenen vloer daarboven uitstraalt. Deze laatste wijze van verwarming is doeltreffender, maar ook kostbaarder. Vergeleken met Japan is Korea een bar en boomloos land, hetgeen zijn reden vindt in de voortdurende behoefte aan brandstof, waardoor het hout steeds geveld wordt. Het geringe volk behelpt zich met takkebossen. Het vuur onder den vloer wordt eenmaal 's morgens en eenmaal 's avonds aangelegd; dit is voldoende om de spijzen te bereiden en om den steenen vloer warm te houden. Het is een bekend en karakteristiek gezicht in Seoul, wanneer daar de lange karavanen draagpaarden en ossen aankomen, met hunne hoog opgetorende vrachten hout en takkebossen beladen. De uitgave voor brandstof beloopt voor de bewoners der hoofdstad ongeveer een vierde van hun inkomen. Die van het binnenland komen er goedkooper af. Des morgens en des avonds, wanneer in de huizen gelijktijdig het vuur ontstoken wordt, hangt er gedurende een paar uren een dichte rookwolk over de stad, en op stille winteravonden kan die rook zoo benauwend wezen dat ze haast verstikkend wordt.
Een groot gedeelte der bevolking legt zich toe op het bereiden van zout. Het land zelf is geheel ontbloot van zoutbronnen en zoutmijnen; derhalve is men voor deze noodzakelijke levensbehoefte geheel aangewezen op de zee. Het zeewater wordt in de zoutpannen gepompt, die zich langs het zeestrand uitstrekken in den vorm van langwerpig-vierkante velden, gescheiden door greppels. De oppervlakte dezer velden bestaat uit vastgestampte aarde, ter diepte van 3 à 4 duim overdekt met eene losse, bruinachtige leemsoort. Wanneer het zeewater verdampt is, blijft eene met zoutdeelen verzadigde leemlaag achter. Deze wordt alsdan bijeengeschraapt tot hoopen en vervolgens overgebracht naar groote ketels, vervaardigd van kalk-cement. Hierin laat men de zoutlaag verdampen en de zoutkristallen worden bijeen gezameld, gedroogd en in zakken verpakt.
Dit zout is zeer grof en vuil, maar bezit de volle mate van ziltheid. De inboorlingen vinden het europeesche zout flauw en laf, maar vreemdelingen zouden zeker nooit koreaansch zout gebruiken indien zij gezien hadden hoe het bereid wordt. De ossen, welke op deze zoutvelden gebezigd worden, verontreinigen die aanhoudend, en niemand zorgt er voor dat de drek wordt opgeruimd. Op vele plaatsen aan de westkust wordt het zeewater zelfs rechtstreeks in de ketels gepompt, en daar gekookt, zonder dat het te voren in zoutpannen wordt uitgedampt.
Al wat op de textiel-industrie betrekking heeft draagt een primitief karakter; wat weven en verven betreft kunnen de producten niet in vergelijking komen met die van Japan en China. Er wordt een soort van grove, goedkoope zijde vervaardigd, en ruwe weefsels van boomwol, hennip en sommige grassoorten. Toch zijn er distrikten, die uitstekende zijde en katoen opleveren, welke voortbrengselen bij verdere ontwikkeling van de hulpbronnen des lands zeker veel belang voor den handel zullen krijgen.
In vroeger tijd werd hier goed werk verricht in zake metaalgieterij en de fabrikage van aardewerk en porselein, doch deze kunst is thans geheel in verval. De groote klokken, die op verschillende plaatsen, en ook in de kloosters hangen, getuigen nog van deze vroegere industrie. Slechts de grofste voorwerpen van aardewerk worden hier te lande nog vervaardigd, en ook de goudsmeedkunst staat op een lagen trap. Men ziet wel sommige voorwerpen van eene merkwaardige en karakteristieke makelij, maar ze zijn niet geacheveerd in de afwerking, eenvormig wat het dessin aangaat, terwijl de makers onbekend schijnen met het alloyeeren van edele metalen. Er wordt voorts veel brons verwerkt tot een soort van inlandsch tafelservies; het oude fabrikaat is echter zooveel beter dan het nieuwere, dat men wel moet aannemen dat ook deze kunst achteruit is gegaan.
Steenkool wordt in groote hoeveelheden gevonden, ondanks dat de bodem van het schiereiland voor zulk een groot deel uit graniet bestaat. Bij eene behoorlijke ontginning zullen de lagen steenkool en anthraciet, vooral in den omtrek van Pyeng-Yang, zeker belangrijke voordeden afwerpen. Ook ijzererts is overvloedig voorhanden. De bevolking graaft de bovenste lagen op, en smelt het erts met behulp van houtskool in ruwe fornuizen. Het ijzer wordt veel aangewend voor de vervaardiging van groote rijstketels, en van verschillende landbouwwerktuigen. Maar voor het fijnere smeedwerk komt het voordeeliger uit om zich te bedienen van geïmporteerd staafijzer.
De jacht eindelijk is een veelvuldig uitgeoefend bedrijf. In het noorden des lands bestaat een gilp of broederschap van tijgerjagers, vermaard wegens hun moed en ondernemendheid. Het was uit hunne rijen, dat het garnizoen van Kang-wha werd gerekruteerd, hetwelk in 1866 zulke geduchte verliezen aan de Franschen toebracht. Echter bedienen deze onverschrokken lieden zich op de tijgerjacht van hoogst gebrekkige, ouderwetsche geweren. Het kruid op de pan dier geweren wordt ontstoken door middel van een smeulende lont, die om den arm van den schutter is gewonden. Is het oogenblik voor het schot gekomen, dan blaast de man op het smeulende eind en bevestigt die in den haan van het geweer, zoodat wanneer hij den trekker over haalt er tenminste eenige kans is dat het ding afgaat. Een dezer tijgerjagers beschreef aldus het onderscheid tusschen zijn eigen gebrekkig wapen en het moderne repeteergeweer:
"Koreaansche jager ontmoet tijger. Bang! Wreoughhh... Jager dood. Vreemde man ontmoet tijger. Bang--klik--bang--klik--bang! Tijger dood!"
AANTEEKENING
[1] Ongeveer f 1.20.
DE VROUWEN OP KOREA
Door Mevr. J. Philipson-Radersma.
Er zijn bijna geene vrouwen ter wereld waar men zoo weinig van weet als van de Koreaansche. Hunne afzondering van de buitenwereld is even volkomen als die van hun schiereiland het tot nu toe was. Zelfs niet aan geneesheeren wordt het toegestaan hare woningen binnen te treden. Een Japansch dokter heeft er intusschen iets op gevonden; hij maakte namelijk gebruik van zijne vrouw om zich inlichtingen te verschaffen over haar leven thuis, en de resultaten die zij bereikte, heeft hij later openbaar gemaakt.
Volgens deze inlichtingen is het niet juist te beweren, zooals men vroeger gedaan heeft, dat de Koreanen hunne vrouwen slecht behandelen. Zij toonen haar integendeel eene buitengewone opmerkzaamheid, als er een kind verwacht wordt, hetgeen tenminste bewijst, dat zij haar ten volle weten te waardeeren als moeder voor het komende geslacht.
Een touw, dat dwars voor den ingang tot het huis gespannen is, duidt de geboorte van een kind aan. Als het een jongen is, wordt er een stuk steenkool en een blad aan bevestigd; is het een meisje, dan blijft het touw zonder deze symbolen. De Koreanen rekenen namelijk hunne dochters niet mede als leden der familie, in elk geval niet officiëel. Als men een vader vraagt, hoeveel kinderen hij heeft, noemt hij altijd slechts het aantal zoons, en niet dan na heel dringende vragen krijgt men iets te weten over de dochters. Deze hebben slechts een eigen naam tot het zevende jaar, na dien tijd dragen zij den naam van den vader, en zijn slechts bekend als dochter, zuster of vrouw van een man.
Zoodra een kind kan loopen, wordt er, zelfs in de armste families, een hond aangeschaft, die er streng aan gewend wordt het kind te volgen op al zijne kleine omzwervingen, om het te beschermen. Natuurlijk is niet zelden het tegenovergestelde het geval. Daar volgens Koreaansche voorstellingen de geestelijke ontwikkeling van het kind bevorderd wordt door den invloed van licht, wordt de lamp in het kindervertrek steeds brandende gehouden. De opvoeding van jongens en meisjes is verschillend van hun achtste jaar af. De jongens worden onderwezen in alle takken van wetenschap, die als noodzakelijk beschouwd worden voor hun stand, terwijl de opvoeding van de meisjes in de betere families bestaat uit de studie van moraal-dogma's en ceremoniën, verbonden met eene godsdienstige vereering van voorvaderen. In arme families leeren de meisjes alleen het naaien van kleeren en ander soort naaldwerk. Het is bekend, dat vooral de vrouwen der lagere klassen heel knap zijn in dat opzicht. De kleederdrachten, die tentoongesteld zijn in het ethnografisch museum in Berlijn en Brussel, bewijzen dit. De borduursels op de zijden ondergewaden zijn met buitengewone vaardigheid uitgevoerd. In Berlijn vindt men ook een van de beroemde witte costuums, waar de Koreanen zooveel van houden en die te danken zijn aan den buitengewoon langen rouwtijd over de dooden. Daar de Koreanen zich gedurende drie jaar in het wit moeten kleeden voor elk sterfgeval, en daar eens drie koningen stierven in den loop van 10 jaar, over welke sterfgevallen de geheele natie rouw moet dragen, geven de meesten der bevolking er de voorkeur aan, zich altijd in het wit te kleeden, om zoodoende de groote uitgaven te vermijden, die het gevolg zijn van dat telkens veranderen.
De vrouwen maken deze kleeren, die elken keer, als ze gewasschen zullen worden, geheel uit elkaar worden getornd en urenlang met een stok worden geslagen, om ze den metaalglans te geven, die voor zoo bijzonder mooi wordt aangezien.
De Koreanen zijn een van de weinige rassen, waar de meisjes later ontwikkeld zijn dan de jongens; daarom zijn de vrouwen bijna altijd eenige jaren ouder dan hare mannen. Een andere reden van dit dikwijls voorkomende verschil in leeftijd tusschen echtgenooten is, dat een vader- of ouderlooze jongen vaak ten huwelijk gegeven wordt aan een veel oudere vrouw, die dan voorloopig voor haren jongen gemaal moet zorgen.
Een Koreaansch huwelijk wordt aangegaan onder de volgende formaliteiten: de man zendt door tusschenkomst van een vriend een schriftelijk aanzoek om de hand van het meisje, en haar familie zendt schriftelijk antwoord. Als het aanzoek wordt aangenomen, volgt er eene uitwisseling van identiteitspapieren, waarin bijzonder gewicht gelegd wordt op den nauwkeurigen dag en tijd der geboorte; daarna wordt de dag vastgesteld, die bijzonder gunstig wordt geacht voor het voorgenomen huwelijk. Op den vastgestelden dag komt de bruidegom, te paard of in een rijtuig, vergezeld van zijn vader en gekleed in een bijzonder costuum, naar het huis van de bruid, stijgt buiten af en wandelt met het gezicht naar het noorden gewend naar den uitwendigen hoofdingang, waar de ceremonie zal plaats hebben. Daar legt de bruidegom knielende zijne gave voor de bruid neer; die gave bestaat uit een wilde gans, in geval van nood kan een uit papier geknipte gebruikt worden; hij buigt twee keer, trekt zich een weinig terug en wacht daar met het gezicht naar het westen gewend. De oorsprong van deze merkwaardige gewoonte moet gezocht worden in eene oude legende, die vertelt, hoe een jager eens een wilde gans geschoten had en sedert altijd zag, dat de ongelukkige gans de plek kwam bezoeken, waar haar mannetje gedood werd. Die gave beteekent dus een innige hoop en verwachting, dat de vrouw een soortgelijke genegenheid en trouw aan haar man zal betoonen. Daarop beloven de twee partijen elkaar eeuwige trouw met de volgende woorden:
"Nu is ons haar zoo zwart als de veeren van de wilde gans, maar zelfs als het wordt zoo wit als de vezels van de ui, zullen wij elkaar altijd zoo trouw zijn als op dezen dag."
De bruid heeft op dien dag voor den eersten keer van haar leven het volkomen Koreaansche vrouwencostuum aan. Haar gezicht is gepoederd, de wenkbrauwen zwart gemaakt, de lippen geverfd met roode plantaardige verfstof. Drie naalden met vergulde paradijsvogels prijken op het hoofd, dat bedekt is door een lichten hoed. Het overkleed is van veelkleurige lapjes en het scharlaken onderkleed is om het lijf bevestigd met een ceintuur van vijf duim breed. Witte handschoenen, witte kousen en roode, purperkleurige, groene of blauwe zijden schoenen voltooien het costuum.
Met langzame schreden, vergezeld door drie feestelijk gekleede bruidsmeisjes, daalt de bruid de trappen af en gaat naar de plek, waar de ceremonie plaats heeft, staat hier stil, bedekt het gelaat met een waaier en wendt het naar het Oosten. Zij buigt twee keer voor den bruidegom, die hare groeten beantwoord. Daarna worden twee glazen, waarvan het eene met rood, het andere met blauw lint versierd is, met wijn gevuld en aan bruid en bruidegom overgereikt door twee meisjes. Zij drinken beiden tegelijk en hiermede is de bruiloftceremonie afgeloopen.
Daarna worden zij, ieder afzonderlijk, het huis binnengeleid, waar een feest gehouden wordt, waaraan alle familieleden der bruid deelnemen. Is dit feest geëindigd, dan keert de bruidegom naar zijn eigen huis terug, waarheen de bruid hem den eerstvolgenden gunstigen dag volgt.
Nu begint een leven in volkomen afzondering voor de Koreaansche vrouw. Zij mag zich voor geen enkelen anderen man vertoonen dan haar eigen echtgenoot, zelfs niet voor de mannelijke leden van haar eigen familie.
In vroegeren tijd plachten alle mannen, vooral in Seoul, hunne huizen binnen te gaan, zoodra de poorten der stad voor den nacht gesloten werden, en geen enkele man vertoonde zich in het donker op straat, omdat de dames der voorname klassen vergunning hadden om dien tijd uit te gaan. Dicht gesluierd, met kleine papieren lantaarns in de hand, gleden zij stil van huis tot huis om hare vriendinnen te bezoeken. Maar in den nieuweren tijd is deze gewoonte, die formeel bij de wet was vastgesteld, in discrediet gekomen. De dieven benutten zich deze nachtelijke damesvisites en plunderden haar dikwijls om hare juweelen, en daar de policie niet ter plaatse was om deze herhaalde diefstallen te verhinderen, hield de oude gewoonte later op.
Nu gaan de dames van goede familie slechts heel zelden 's nachts uit, steeds dicht gesluierd en nu vergezeld door hunne mannen. De vrouwen van de lagere klassen ziet men soms overdag op straat, ook dicht gesluierd en gekleed in groene kleederdracht met roode mouwen.