Een Reisje door de Republiek Costa-Rica De Aarde en haar Volken, 1907

Part 1

Chapter 13,509 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Een Reisje door de Republiek Costa-Rica.

Naar het Fransch van M. Saillard.

Aankomst te Punta Arenas.--Een mengelmoes van rassen.--Op weg naar San José, de hoofdstad der republiek.--Onbegaanbare wegen, en spoorwegen.--San José.--Een wandeling door de stad.--Een theater zonder tooneelspelers.--De vreemdelingen te Costa-Rica.--Het bestuur; onderwijs; leger; politie.--De verbindingswegen.

Guatemala en Costa-Rica zijn, als 't ware, de twee polen van Midden-Amerika; het eerste kan als de Noord-, het tweede als de Zuidpool worden beschouwd. Het woord polen is hier, hoewel wij ons midden in de tropen bevinden, toch niet misplaatst; want in de twee hoofdsteden, Guatemala en San José, die beiden tamelijk hoog zijn gelegen, heerscht des winters strenge koude. Deze beide republieken, niet ver van elkander verwijderd, ofschoon hun grenzen elkaar niet raken, en waarvan de bewoners ternauwernood met elkaar bekend zijn, bieden toch beiden veel belangrijks aan den gewonen reiziger zoowel als aan den kunstenaar of diplomaat.

Te Salvator heerscht de gele koorts; Honduras is bijna ontoegankelijk, en men leert in deze streken toestanden van barbaarschheid kennen, die herinneren aan de middeleeuwen; te Nicaragua, hoe belangwekkend ook door zijn ontworpen kanaal, is de hitte ondragelijk. Guatemala hebben wij indertijd bezocht en onze bevindingen omtrent die streken medegedeeld; het is interessant, deze republiek te vergelijken bij Costa-Rica.

Costa-Rica ziet, om zoo te zeggen, door twee vensters uit op twee verschillende Oceanen; den Atlantischen ter eener, den Stillen Oceaan ter anderer zijde. Costa-Rica is feitelijk slechts een zeer smalle strook gronds, een soort van terras tusschen twee zeeën, ter halver hoogte van een keten van vulkanische gebergten. Maar deze hoogvlakte, gemiddeld 1000 voet boven de oppervlakte der zee gelegen, wordt bewoond door een bevolking, die eenigszins verschilt van de overige Spaansch-Amerikanen, en meer tot een geheel versmolten is. In sommige opzichten is Costa-Rica de modelstaat der amerikaansche republieken.

Betreden wij het van de zijde van den Stillen Oceaan.--Punta Arenas, de havenplaats, waar men aan wal stapt, is in de bocht van een prachtige golf gelegen, waarin een geheel eskader zou kunnen manoeuvreeren. Aan beide zijden der baai dalen hooge gebergten af naar de kust en laten hun steile rotswanden bespoelen door het kalme water, dat bijna geen zee meer kan genoemd worden, want sterk stroomende rivieren storten zich in deze baai van Fonseca uit. Dikwijls stort een schuimende waterval van een hoogte van duizend voet. Het lauwe water is vol visch, terwijl men dikwijls groote schildpadden ziet, die zich in paren, of alleen, op de golven laten wiegelen.

Punta Arenas heeft zijn naam, die Zandige Punt beteekent, te danken aan zijn ligging. Het plaatsje ligt op de uiterste punt van een zeer zandig voorgebergte. De ontscheping gaat gemakkelijk, want de zee is hier in deze stille golf lang niet zoo onstuimig als in de havens van Salvator of Guatemala. Langs een kleine pier komen wij zonder ongevallen in de stad. Punta Arenas is de belangrijkste havenplaats langs de geheele kust van den Stillen Oceaan in Midden-Amerika, en allerbekoorlijkst gelegen. In alle straten verheffen zich reusachtige palmboomen, die de kleine, meest van hout gebouwde huisjes overschaduwen. Daar ons bezoek een officieel tintje had, kwam de Gouverneur ons met muziek voorop begroeten. Nadat een paar welkomstdronken waren uitgebracht, deden we een uitstapje in de omstreken. 't Is in Punta Arenas verbazend warm, en het wordt bijna als iets ondoenlijks beschouwd, het er een geheel jaar achtereen uit te houden. Alleen bananen en krokodillen tieren buitengewoon in die hitte, maar de inwoners hebben er geducht onder te lijden. In de deuren der winkels stonden overal Chineezen. De geheele kust van den Stillen Oceaan, van San Francisco tot Valparaiso, wemelt trouwens van burgers van het Hemelsche Rijk. Chineesche koks, kleermakers, schoenmakers en waschlui verdringen er niet alleen de inboorlingen, maar concurreeren ook, en met goed gevolg, met de vreemdelingen, zoodat Noord-Amerika zijn deuren reeds voor hen heeft gesloten, en Costa-Rica heeft sedert eenigen tijd dat voorbeeld gevolgd. We zagen ook negers, Indianen en allerwonderlijkste staaltjes van onze natuurgenooten, het product eener mengeling van alle mogelijke rassen; zonderling genoeg, de eenige bewoners, die door de gele koorts of de moeraskoorts worden verschoond.

Nadat wij nog een visite bij de vrouw van den Gouverneur hadden gemaakt, namen wij van hem afscheid. Ik bespeurde bij dat bezoek tot mijn genoegen, dat onze taal in deze staten van Z. Amerika nog zeer in eere wordt gehouden. Onze romanschrijvers genieten er de waardeering, die zij verdienen, en onze litteratuur bekleedt er een eereplaats. Terwijl John Bull en zijn neef Jonathan, die niet minder vasthoudend en nog ondernemender is dan hij, in Midden-Amerika krachtig opkomen voor hun taal en hun handel, moest Frankrijk evenzeer pogen, de beoefening der fransche taal, die zoo populair en zoo gemakkelijk te verspreiden is, te bevorderen. Het is vooral de taak onzer consuls, hiertoe mede te werken. De heer Jorre, onze consul te Costa-Rica, verdient in dit opzicht grooten lof, daar hij door zijn invloed en tact reeds de kern heeft weten te vormen eener fransche kolonie.

Een extra-trein zou ons van Punta Arenas brengen naar Esparleta, een station van de toekomstige lijn, die de twee Oceanen zal verbinden. Thans houdt deze spoorweglijn reeds op op 20 kilometer van de kust. Het wil ook heel wat zeggen, het aanleggen van zulk een Zuid-amerikaanschen spoorweg. Voor al deze staten zijn spoorwegen een noodzakelijk vereischte, daar zij de onbegaanbare wegen vervangen, overal nieuw leven brengen, het land hervormen, en der beschaving toegang verleenen. Costa-Rica, Nicaragua, Honduras en Guatemala hebben allen reeds hun denkbeeldig spoorwegnet ontworpen. In enkele havens verneemt men het gefluit van een locomotief, maar nergens is nog de verbindingslijn tot stand gebracht, die de beide zeeën zal vereenigen. Te Costa-Rica heeft de schoonbroeder van den President den aanleg dezer lijn ondernomen. Men verwachtte, reeds binnen een jaar reizigers en koopwaren over de landengte te kunnen vervoeren, maar nu is men reeds drie jaren aan het werk geweest, en de duur der concessie is nog met twee jaar verlengd moeten worden. Het is een te rijke bron van inkomsten voor belanghebbenden, om die zoo spoedig weder te laten verloren gaan.

De extra-trein, die ons om drie uur zou komen halen, was eerst om zeven uur op het appèl. Daar al het materiaal van de maatschappij dan ook uit één locomotief en één waggon bestaat, is het niet te verwonderen, dat wij eerst aan de beurt komen, als het loopende werk is afgedaan. We vertrokken onder hoerageroep en gewuif met zakdoeken. De weg steeg zigzags-gewijze, te midden van een tropisch weelderigen plantengroei, tot we aankwamen in Esparleta, een onbeteekenend station. Hier wachtte ons een uitstekend diner, dat werd opgeluisterd door geestdriftvolle toasten. Een goedaardige geestelijke bracht o. a. een dronk uit op Frankrijk, "het vaderland van Chateaubriand en Victor Hugo, de bakermat der edelste denkbeelden, het brein der wereld". Ik werd haast verlegen bij al dien lof, en ik bedankte den goeden man hartelijk, die bij zijn bezoek aan de wereldtentoonstelling in 1889 zulke overstelpende indrukken scheen te hebben ontvangen.

Om vier uur 's morgens stonden wij op, om te paard, en in twee gedeelten, een van 40 en een van 22 kilometer, den afstand af te leggen, die Punta Arenas scheidt van de hoofdstad. Het pad, dat wij volgden, kon men bezwaarlijk een weg noemen; nu eens ging het door glibberige slijkpoelen, dan omhoog langs steenachtige, steile hellingen. Het is trouwens onmogelijk, in Z. Amerika een weg zóó te onderhouden, dat hij voor voertuigen begaanbaar is, want van Mei tot October regent het, alsof de sluizen des hemels zijn doorgebroken. Alles wordt weggespoeld en medegevoerd, wegen, bruggen, en spoorwegrails. Elk jaar moet de schade hersteld worden, in het regenseizoen aangericht; het is werkelijk een Danaïden-arbeid. Men onderhoudt hier geen wegen meer, doch legt liever spoorwegen aan, die beter tegen deze schadelijke invloeden bestand zijn. Om groote afstanden af te leggen, bedient men zich van de kleine, inheemsche paardjes. Het zijn poneys, die er treurig verwaarloosd uitzien. Hun woeste manen fladderen in den wind, en zij hebben nooit in hun leven met borstel of roskam kennis gemaakt. Van hun geboorte af aan zwerven ze in de prairie, en slapen buiten. Als ze hard werken, krijgen ze soms wat maïs, maar dikwijls laat hun meester het aan hen zelf over, om voedsel te vinden. Hoe weinig zorg ook aan hen wordt besteed, deze kleine paardjes, met hun sterke, ranke pooten, kunnen zeer lange afstanden afleggen. Op moeilijke punten moet men hen hun gang laten gaan en de teugels slap laten hangen; dikwijls ziet men ze stilstaan, een poot uitsteken, den grond als 't ware verkennen, en dan achteruit stappen om een anderen weg te kiezen. Dan hebben ze een gevaar ontweken, waarvan de reiziger geen vermoeden had. Wie niet in deze streken heeft gereisd, kan zich geen flauwe voorstelling vormen van de moeilijkheden, die zulke ongebaande wegen opleveren. Soms zakken paard en ruiter halverwege in een diepen kuil, soms stappen ze langs paadjes niet breeder dan een dakgoot, waar een ander paard den reiziger stellig in den afgrond zou doen storten. De eenige fout van deze spaansche paardjes is hun gewoonte om altijd in een sukkeldrafje te gaan.

Aan den weg naar de hoofdstad liggen verschillende bezittingen, die over 't algemeen goed onderhouden zijn. In Guatemala staat de reiziger dikwijls verbaasd over het verwaarloosde voorkomen van velden, wegen en akkers, doch hier krijgt men aanstonds den indruk, dat Costa-Rica goed wordt bebouwd en vlijtig onderhouden. Er zijn hier dan ook, zooals mij later bleek, verscheiden kleine grondbezitters, die uit hun bescheiden eigendom goede winsten trekken. Van iets dergelijks is geen sprake in Guatemala, waar alleen de groote hacienda's, die koffie verbouwen, onderhouden worden, en de Indiaan, die voor anderen arbeidt, niets bezit. De weg is hier en daar met groote steenen geplaveid en wordt zeer druk begaan. Het was de eenige verbindingsweg, eer de atlantische spoorweg werd aangelegd. De meeste wagens, die wij tegenkomen, zijn bespannen met een paar ossen, die een lichte kar tusschen twee dichte wielen trekken, daar anders het taaie slijk toch de spaken zou bedekken. Een drijver ment het span, evenals bij ons in de provincie Bearn. Met een langen, puntigen stok weet hij de dieren te leiden, en door fluiten laat hij ze stilstaan of zich weer in beweging zetten. Dikwijls stapt de voerman op lastige plekken af, en zet uit de verte de dieren aan, zonder zichzelf aan gevaar bloot te stellen. Op dezen weg ontmoeten wij geen Indianen, maar blanken met een zeer donker gekleurde huid. Zij dragen het europeesch kostuum. De boeren gaan hier meestal blootsvoets; ze dragen de broek tot de knieën opgestroopt, en een puntigen stroohoed op het hoofd. Over 't algemeen zien ze er zindelijk uit.

De weg blijft steeds stijgen, wij trekken de helling van het gebergte langs. Het mooiste en moeilijkste gedeelte van onzen weg is de tocht over de Aguacate, die 3000 voet hoog is. Het is merkwaardig met hoeveel geduld en omzichtigheid de kleine paardjes die lange en steile hellingen beklimmen. De stijgende weg maakt niet minder dan zes-en-vijftig scherpe bochten en is bijna loodrecht in den berg gehouwen. Op den top aanschouwen we den onafzienbaren spiegel van den Stillen Oceaan, maar den Atlantischen bespeuren we niet. Het kan dus niet op deze plek zijn geweest, dat Alvarado, een andalusisch kapitein, op de knieën is gevallen, om den Almachtige te danken voor de schoonheid van het tafereel, dat zijn oogen mochten aanschouwen. Wij, meer nuchtere stervelingen, keken lang naar de prachtige golf, die zich, bezaaid met kleine eilandjes, aan onze voeten uitstrekte. Op vele mijlen afstand konden we de stoombooten volgen, die naar Panama voeren, of uit de havens in het noorden van Midden-Amerika terugkeerden. Het geheele landschap dat ons omringde, was verrukkelijk groen; wij zagen prachtige boomen, en hoewel Costa-Rica geen uitgestrekte wouden bezit, was dit toch een zeer boschrijke streek. Ongelukkig is het, dat hier, evenals in Mexico en geheel Midden-Amerika, de bosschen onverbiddelijk worden geveld. Dit is jammer, want, waar men den blik ook richt, het is altoos een genot voor het oog, begroeide heuvels te zien, waartusschen de met verschillende veldvruchten bebouwde akkers afwisseling van tinten aanbrengen.

Wij begonnen nu beurtelings te dalen en te stijgen, terwijl we ons aan alle zijden door neerstortende watervallen of stroomende rivieren zagen omringd. Dikwijls waren de bergen in nevelen gehuld, waarin de zon vreemde lichteffecten tooverde, en soms scheen het alsof wij voorwaarts gingen op een in de lucht zwevenden weg.

Men heeft Costa-Rica om de schilderachtigheid van het bergland dikwijls amerikaansch Zwitserland genoemd. Het doet werkelijk wel eenigszins denken aan Zwitserland, maar hier is natuurlijk geen spoor van sneeuw. Bergen van 3000 voet hoog, en werkende vulkanen--maar geen gletschers. Als men nagaat, hoe op een afstand van nog geen vijf uren alles verschroeit en de inwoners lijden onder de verschrikkelijke hitte daar beneden, vindt men het vreemd, hier in de bergen geen sanatoria aan te treffen.

Langs een gestadig dalende berghelling kwamen wij te Athene, een groot dorp, waar wij zouden overnachten. Het hotel, waar wij afstapten, was veel beter dan dergelijke gelegenheden, die wij in Guatemala hadden aangetroffen. Het ameublement van de kamers was zeer eenvoudig, maar het eten was goed en werd behoorlijk opgediend. Ik herinner mij, eenige dagen te hebben doorgebracht in een hotel te Antigua, de oude hoofdstad van Guatemala, waar de onverschillige kellners ons wel vele schotels voorzetten, doch alles bijna oneetbaar was door het vuil. Iedereen daar in huis maakte leven, den geheelen nacht door, tot vijf uur 's morgens, zonder zich in 't minst er om te bekreunen, dat de nachtrust der gasten werd gestoord. Hier ging ten minste alles ordelijk en behoorlijk toe.

Wij waren reeds vroeg weer op het pad. Eerst strekte de weg zich uit in een rechte lijn, om plotseling naar de laagte af te dalen, bij een mooie oude brug, door Spanjaarden gebouwd, waaronder een bruisende rivier stroomde, en waarbij enkele witte huisjes stonden. Dit was Alajuela, het punt, waar de tak van den spoorweg begint, die van hier naar de hoofdstad loopt. Het plaatsje bezit een fraai monument, door een Franschman opgericht. Het stelt een soldaat voor, die zijn leven opofferde om de stad te beschermen, bij een inval van amerikaansche vrijbuiters. Het merkwaardigste van de zaak is, dat deze inwoner van Costa-Rica een neger was; doch dapperheid is dan ook een deugd, niet uitsluitend eigen aan het blanke ras. Tusschen het dorp Athene en Alajuela ontmoetten we vele boeren, die kudden kleine, zwarte varkens naar de markt brachten. Al deze lieden, mannen, vrouwen en kinderen, hadden een blanke huid. Zooals de President der Republiek, Don Pablo Iglesias zeide: "Indianen vindt men niet meer in Costa-Rica; wie hier bruin ziet, is bruin van de zon". Het is waar dat het blanke ras hier geheel overheerschend is geworden; de Spanjaarden hebben niet alleen de Indianen verdrongen, maar ook de enkele achterblijvers zijn van lieverlede verdwenen.

De trein, waarmede wij naar de hoofdstad reisden, deed met zijn doorloopende waggons aan die der Vereenigde Staten denken. Amerikaansche spoorwegkoningen voeren dan ook het beheer over de spoorweglijnen van Midden-Amerika; in Guatemala is het Huntington, uit Californië, in Costa-Rica Keeth, de groote bezitter der bananen-plantages. De waggons zijn uitstekend ingericht. De zitbanken, met geel leer bekleed, zijn zacht en gemakkelijk en overal hangen spiegels, waarin wij onze vermoeide trekken en met slijk bedekte kleeding zagen teruggekaatst. De spoorweglijn liep langs een weg, die beplant was met koffieboomen, en die herhaaldelijk door kleine kanalen werd doorsneden. We kwamen langs kleine stations, waar een levendig verkeer heerschte. In tegenstelling met Guatemala, dat op een kale en verlaten hoogvlakte ligt, en waaromheen op vijftig kilometer in den omtrek geen belangrijke stad wordt aangetroffen, is San José, de hoofdstad van Costa-Rica, midden in het dichtst bevolkte gedeelte der republiek gelegen.

Heredia, Alajuela, Carthago, zijn allen kleine steden, die als zwermende bijen schijnen uitgevlogen van den korf, die zich in San José bevindt. Op dit plateau wonen 200 000 menschen, en al is de hoofdstad zelf een kleine plaats van 30 000 inwoners, er is altijd een levendig verkeer.

Bij een bocht van den weg kregen wij de stad in het gezicht. Een menigte kleine huizen, wegschuilend in het groen, en hier en daar eenige witte koepels, glinsterend in de zon, dit was de eerste indruk, dien wij van de hoofdstad van het schoone land ontvingen.

San José is een alleraardigst, zindelijk stadje, waar overvloed van water is, een waar paradijs van groen.

De benedenste hellingen van een uitgedoofden vulkaan, de Irazu, dalen langzaam glooiend af, tot vlak bij de stad, en dit gezicht geeft een karakter van grootschheid aan het landschap, dat anders een europeeschen tint vertoont.

Als al de hoofdsteden van Midden-Amerika, is San José naar den Stillen Oceaan gekeerd; maar toch ligt deze stad meer dan de anderen zóó, dat zij op beide zeeën uitzicht heeft, en zoowel naar China, als naar Europa gericht is. Terwijl echter Guatemala, San Salvador, en Nicaragua door spoorwegen met den Stillen Oceaan zijn verbonden, gaat van San José een directe verbindingslijn naar den Atlantischen Oceaan. Deze omstandigheid is niet zonder invloed gebleven, het schijnt, alsof de denkbeelden en de kleederdracht van het westen hier meer ingang hebben gevonden dan elders. Alles is hier echt amerikaansch, van spaanschen invloed geen spoor; geen getraliede vensters, geen nauwe, en slecht geplaveide straten, maar europeesch gebouwde huizen van rooden baksteen, twee verdiepingen hoog, met opschuiframen, die van boven kunnen worden neergeschoven, juist als in Londen. De stad is trouwens nog niet lang geleden gebouwd; de oude hoofdstad Carthago is een spaansche stad gebleven. Hier in San José zijn de straten zeer goed onderhouden; een rijtuig bracht ons tot aan de deur van ons hôtel. De smalle trottoirs zijn met groote vierkante steenen geplaveid.

In Guatemala hoort men van niets anders spreken dan van het rijzen en dalen der koffieprijzen, maar men ziet er zelfs geen zak koffieboonen door de stad vervoeren; de koffieplantages liggen zeer ver verwijderd van de stad.

Te San José echter wordt op de hoogvlakte zelf, waar de stad is gelegen, het zoo gewilde voortbrengsel verbouwd, bewerkt, en verzonden.

Wij hadden reeds van te voren van San José hooren vertellen dat het eigenlijk een europeesche stad was; "men had er zelfs electrische trams". Die trams bleken thans uit een enkel lijntje te bestaan; maar dit was dan ook een "schoone zaak," die het menschdom te Costa-Rica blijkbaar "veel vermaak" schonk. Hoewel dit vervoermiddel in de kleine stad bepaald overbodige weelde mocht heeten, maakte de tram door de luiheid der bewoners toch uitstekende zaken. De tramlijn liep rechtuit van het eene eind van de stad naar het andere, en daar de verstandige directie elke "car" van prachtige electrische verlichting had voorzien, zat 's avonds de tram vol fraai uitgedoste negerinnen, mulattovrouwen, en zelfs elegante dames, die voor haar genoegen een ritje deden, en haar toiletten lieten bewonderen. Als een schitterend verschijnsel gleed de tram voorbij, en de inwoners, die 's avonds aan hun deur een luchtje stonden te scheppen, konden zoodoende op hun gemak de schoonheden van de stad bewonderen; de tram voldeed in dit opzicht haast even goed als een five o'clock tea. "Kom lieve, laten we hier uitstappen, om een hoed voor je te kiezen," hoorde ik in zuiver Engelsch achter mij zeggen. Ik keerde mij om en zag, dat de spreekster een negerin was, die met een vriendin uit den tram wipte, en afstapte op een schitterend verlicht winkelraam. De uitstallingen zijn hier werkelijk heel aardig, en aan "Nouveauté's de Paris" is geen gebrek. Den geheelen nacht blijft licht in de winkels branden, ook al zijn ze gesloten, wat den nachtelijken wandelaar ten goede komt.

De straten van de stad zijn smal, maar bijzonder druk en levendig. Terwijl in Guatemala na negen uur 's avonds elke stad uitgestorven schijnt, ziet men hier tot laat in den nacht groepjes mannen staan praten. Vrouwen gaan zoo laat niet uit. Wie over dag in San José gaat wandelen, richt zijn schreden naar een plantsoen midden in de stad, dat heel klein en om de waarheid te zeggen, heel leelijk is. Des Zondags wordt daar muziek gemaakt door de militaire kapel. Meer afgelegen, en veel minder druk bezocht is een ander, grooter park, dat hoog gelegen is, buiten de stad, en waar het een genot was, te vertoeven. Lanen, beschaduwd door zwaar geboomte, fraai aangelegde perken vol tropische bloemen, een rustieke houten brug over een meer, dat alles moest toch genoeg aantrekkingskracht bezitten, om wandelaars te lokken. Maar niemand die zich zoo ver waagt, het park is een kwartier buiten de stad gelegen, en in Midden-Amerika wil dit zooveel zeggen als bij ons een paar uren.

Ten noorden van de hoofdstad strekt zich een groote vlakte uit, de Sabane genoemd. Men heeft er een terrein voor wedrennen aangelegd, waar de renbaan zulke gevaarlijke bochten maakt, dat bij elke feestelijke bijeenkomst paarden of jockeys een ongeluk krijgen. Het zal sportliefhebbers misschien interesseeren, dat in Costa-Rica de paarden, die het eerst den eindpaal bereiken, zelfs zonder ruiter, als prijswinners worden beschouwd.