Een Reis naar het Land van de Cacao en de Suiker De Aarde en haar Volken, 1908

Part 2

Chapter 23,517 wordsPublic domain

Uit een ethnografisch oogpunt beschouwd, maken in den geheelen Archipel (behalve op Cuba, Portorico en Trinidad) de zwarten het hoofdbestanddeel der bevolking uit.

De heer Austen, de fransche consul te Bridgetown, vertelde mij, hoe gewillig en redelijk deze lieden zich steeds hadden gedragen, ook toen zij voortdurend hun loon zagen verminderen. Zij verdienen nu slechts 0.60 of 0.80 frs. per dag, en gaan toch trouw voort met arbeiden. Ik vernam niets dan goeds van de zwarte bevolking, die uiterst zacht en geduldig van aard schijnt, en tegenspoed met de grootste gelatenheid weet te dragen. Hun geliefkoosde uitspanning is, in groote troepen in de rivier te baden, of eigenaardige dansen uit te voeren, waarbij zij stilstaan, en alleen het bovenlijf bewegen.

Mijn laatste bezoek in Bridgetown gold het proefstation van Dodds, aan het hoofd waarvan Prof. Bowell geplaatst is. Elk jaar wordt een rapport uitgebracht, en naar de hier verkregen uitkomsten wordt de cultuur op het geheele eiland geleid. Gedurende de twee dagen, die ik nog te Barbados doorbracht, werd ik aangestoken door de heerschende opgewondenheid over de "matches", die juist tusschen de afgevaardigden van verschillende koloniën zouden plaats hebben. Heel Bridgetown sprak van niets dan football, cricket, of polo. Die wedstrijden brengen veel bij tot de goede verstandhouding tusschen de koloniën, welker bewoners elkander anders allicht vreemd zouden blijven, en ook in dit opzicht was het te wenschen, dat tusschen Martinique en Guadeloupe een dergelijke verbinding bestond.

Ik verliet Bridgetown den 25sten Januari 1902, om na een reis van twee dagen Engelsch Guyana te bereiken. Dat wij het vasteland naderden, bespeurden wij aan de kleur van het zeewater, dat, vooral bij de mondingen der rivieren, van blauw min of meer donker geel wordt. De groote stroomen, zooals de Demerara, Berbice, Essequibo en Corentijne, voeren verbazend veel slib mede, waardoor de bodem van den Oceaan steeds verandert, en als de stroomingen het niet beletten, worden er spoedig nieuwe eilanden gevormd. Het tegenwoordige geslacht heeft er verschillende zien ontstaan, in den mond van de Demerara, die nu reeds met bosch zijn bedekt en uitstekende brandstof leveren voor de ovens der fabrieken.

Georgetown, de hoofdstad van Engelsch Guyana, heeft prachtige kaden, waar de grootste pakketbooten kunnen aanleggen, 't geen gemakkelijk is voor de passagiers en voordeelig voor den handel. Zoodra men eenigszins met het voorkomen der stad vertrouwd raakt, gevoelt men met een zeer belangrijke kolonie te doen te hebben, die geheel opgaat in de suikerproductie. Er zijn zeer veel handelshuizen, die meer dan in Barbados het karakter van algemeene stapelplaatsen dragen, daar zij van buitenaf alle mogelijke gebruiksartikelen ontvangen, en daarvoor suiker naar de Vereenigde Staten zenden. Deze huizen zijn aan de kade gelegen, zoodat het lossen en laden gemakkelijk gaat; de kantoren zijn meestal gevestigd in Water-Street, de hoofdstraat der handelswijk.

Eer ik de stad zelf in oogenschouw nam, wilde ik den botanischen tuin, Vlissingen genaamd, gaan bezichtigen, die zeer beroemd is en vele bezoekers trekt. Een electrische tram bracht mij er binnen eenige minuten, en het was gelukkig nog vroeg, want later op den dag is de hitte ondragelijk.

Deze plantentuin, even sierlijk van aanleg als het Parc Monceau te Parijs, doch vijftienmaal zoo groot, is werkelijk wonderlijk mooi. Onder de leiding van het beheer der Botanische tuinen te Kew worden hier uit de voornaamste botanische stations der engelsche koloniën de prachtigste heestergewassen en sierplanten verzameld, die heerlijk uitkomen onder den schitterenden tropischen hemel. Ik bewonderde een zeer fraaie collectie _ficus_, de _atalia_ van Brazilië, een der schoonste palmboomen, de indische _corypha_, waarvan sommige soorten (_umbraculifera_ en _elata_) de eigenaardigheid vertoonen, slechts eenmaal te bloeien, omstreeks hun 15de jaar; waarna zij sterven. Ook zag ik hier den _pandanus_, met zijn zonderlinge wortels, en de _cannonball tree_, waarvan de vrucht onder aan den stam groeit, en den vorm heeft van een kanonskogel. Door den tuin vloeien vele kanalen, waarin de Victoria Regia en lotussen bloeien. De Victoria Regia werd in vele rivieren van Guyana aangetroffen. Men heeft het zaad van de plant in lichte aarde gezaaid en toen het ontkiemd was, het plantje op den bodem der vijvers geplaatst, waar de stengels zich ontwikkelden, en weldra de bloem zich aan de oppervlakte vertoonde.

Vijf en twintig jaren geleden was deze botanische tuin een uitgestrekt moeras. Men heeft groote moeilijkheden te overwinnen gehad, om het terrein geschikt te maken voor den aanleg. Al het water moest worden afgeleid, om de wortels der planten voor rotting te vrijwaren, en daar in het droge jaargetijde besproeiing noodig was, heeft men een stelsel van buizen aangelegd, waardoor het water uit het groote kanaal van Lahama over den geheelen tuin wordt verspreid. Dit kanaal van Lahama is vier meter breed, en drie meter diep, en dateert nog uit den tijd toen de Hollanders het land bezaten.

De Engelschen hebben het verlengd en den water-toevoer geregeld door een perspomp.

Het was niet alleen om het genoegen van een wandeling, dat ik het uitstapje naar den plantentuin had ondernomen. Ik wenschte ook twee proefplantages in oogenschouw te nemen, waarvan de eene gewijd was aan de "seedlings", het suikerriet, dat uit zaad was gekweekt, en de andere aan proeven van verschillende bemesting. De heeren Jenman en Harrison staan aan het hoofd van deze afdeeling, de een voor het landbouwkundig gedeelte, de ander voor het scheikundig onderzoek.

Het zaad van het suikerriet werd langen tijd voor onvruchtbaar gehouden, en men gebruikte voor de voortplanting enkel stekken, die ontnomen werden aan den stengel zelf, of aan het allerbovenste gedeelte ervan. Aan deze laatste gaf men de voorkeur; zij bestaan gewoonlijk uit drie of vier knoppen. Ze worden in de vore gelegd en luchtig met aarde bedekt. Uit den knop ontwikkelt zich een stengeltje, waaruit de nieuwe plant gevormd wordt. Op deze wijze werden echter geen nieuwe variëteiten verkregen, en zelfs vertoonde zich neiging tot achteruitgang bij de oorspronkelijke soort. Door een toeval echter ontdekte de chemicus Drum, dat het zaad van suikerriet niet onvruchtbaar was. Hij zag, dat het op een plantage te Barbados in 't wild was opgeschoten; maar daar het bijna niet te onderscheiden was van het gras, waartusschen het groeide, was het half met het onkruid uitgewied. De heer Drum kweekte het afzonderlijk op, en hieruit ontstond een nieuwe soort. Een dergelijke ontdekking werd op Martinique gedaan, waar suikerriet op een ouden muur groeide. Daarna werden de proeven op Java en in de Antillen voortgezet; en thans bezit men hier honderden verschillende soorten van riet, uit zaad gekweekt, waaruit diegene worden gekozen, welke de grootste hoeveelheid suiker leveren en het meeste weerstandsvermogen hebben, om aan de eigenaars voor hun plantages te worden aanbevolen.

In het begin, toen het bleek dat sommige der nieuwe soorten 80 en 100 000 kilogram per hectare opleverden, terwijl de gewone opbrengst niet meer dan 40 of 50 000 kilogram bedroeg, haastten zich vele planters, om het gewone, zoogenaamde witte riet door de nieuwe variëteiten te vervangen. Dit witte riet, dat uit Otaheite afkomstig is, heeft het voordeel, dat het in deze streken volkomen is geacclimatiseerd en men op een vaste en geregelde opbrengst kan rekenen. Doch bij de seedlings, die genummerd zijn, om de verschillende soorten te onderscheiden, is de opbrengst, om dikwijls moeilijk te verklaren redenen, zeer afwisselend. De planters mogen dus deze soorten wel met veel omzichtigheid aanwenden, en zich voorloopig nog houden aan het witte riet, zoolang dit niet door ziekte wordt aangetast en gunstige uitkomsten oplevert.

Men kan zich voorstellen van hoeveel gewicht deze proefnemingen zijn, en hoe daarvan voor de kolonie alles afhangt, als men bedenkt, dat vooral in Guyana de welvaart van het geheele land berust op den bloei der suikerindustrie. Men staat hier tegenover een oligarchie van planters, voor wie van de suiker alleen alle heil is te wachten. In het begin schenen de uitkomsten zeer bevredigend, maar nu in de laatste jaren door de concurrentie met de beetwortelsuiker de prijzen zoozeer zijn gedaald, kan ook Guyana zich slechts met moeite in dezen strijd staande houden. De productie blijft nog dezelfde, maar de waarde is met een derde verminderd. De grootste plantages, die het minst met schulden waren bezwaard, hebben de kleinere verzwolgen. Voor twintig jaar werden honderdduizend ton suiker geleverd door honderdvijftig fabrieken; thans bestaat nog slechts een vijftigtal, die natuurlijk elk veel meer produceeren dan voorheen.

Men heeft groote sommen besteed aan de verbetering der werktuigen, en de administratiekosten zooveel doenlijk beperkt. Het was onvermijdelijk noodzakelijk, dat de suiker goedkooper werd geleverd; en toch zouden al deze maatregelen nog weinig hebben gebaat, als Guyana niet zoo gelukkig was een arbeidend personeel te bezitten, dat zich wist te schikken naar de bijzondere voorwaarden, welke deze strijd om het bestaan medebracht.

Alle planters en fabrikanten, die ik ontmoette, waren het erover eens, dat Guyana alleen heeft kunnen weerstand bieden aan de moeilijkheden, waarmede het had te kampen, door zijn landbouwstations, waar het werk wordt verricht door Hindoes, die reeds sedert 1838 naar deze streken worden gezonden. Toen de slavernij was afgeschaft en de thans vrijgelaten Afrikanen het werk hadden gestaakt, was het volstrekt noodig, nieuwe krachten voor den veldarbeid te winnen. Door emigratie werd hierin voorzien. De regeering heeft in Indië een afzonderlijke afdeeling voor dezen dienst, aan welks hoofd een ambtenaar staat, die 50 000 frs. salaris ontvangt. Het doel is, de kolonie jonge, krachtige arbeiders te bezorgen, die zich van jongs af aan den landbouw hebben gewijd. Meer dan 200 000 Hindoes zijn op deze wijze naar de koloniën getransporteerd, en bij de laatste telling vormden de Hindoes ongeveer twee derde van de bevolking van 300 000 inwoners. Zij leven afgezonderd en behouden hun kleederdracht, zeden en godsdienst. Georgetown bezit zelfs een moskee voor de emigranten, die den mohammedaanschen godsdienst belijden. De engelsche regeering, wier motto is: "Verdeel en heersch", weet zeer goed met al die verschillende rassen om te gaan. De Hindoes worden beschermd door wetten, die door de plaatselijke overheid worden uitgevaardigd en waarbij de arbeidsvoorwaarden worden geregeld, en de arbeider wordt beschermd tegen slechte behandeling door zijn meester.

De Hindoe-arbeiders werken tegen een dagloon, of krijgen een bepaalde taak om af te doen, welke een man in ongeveer zeven uren kan verrichten, doch sedert de daling der suikerprijzen is deze taak zoozeer uitgebreid, dat de arbeiders haar dikwijls in twee of drie dagen moeten volvoeren. Het staat den Hindoe niet vrij, de hem opgelegde taak te weigeren, en te eischen dat hij een vast dagloon ontvangt; hij kan zich alleen voor de rechtbank in zijn district beklagen, wanneer hij oordeelt dat hij onrechtvaardig wordt behandeld. De rechter beslist dan, na de voorlichting van bevoegde deskundigen te hebben ingewonnen.

De Hindoes worden gehuisvest in groote houten gebouwen, die in genummerde vertrekjes zijn ingedeeld. Vroeger liet men weinig vrouwen overkomen; doch thans eischt de regeering, dat het aantal vrouwen, die worden medegezonden, ongeveer dertig percent bedraagt. Dicht bij de fabrieken en plantages liggen de hospitalen, en als de geneeskundige inspecteur vindt, dat een zieke niet voldoende wordt verzorgd, kan hij den patiënt naar het ziekenhuis laten overbrengen, waar zijn meester 1.25 frs per dag voor hem moet betalen. De heer Alexander, die aan het hoofd der "Immigration Service" staat, deelde mij als een treffend voorbeeld van goedhartigheid onder deze lieden mede, dat kinderen van Hindoes, die hun ouders verloren, nooit ten laste van het bestuur kwamen, daar de buren, 't zij getrouwde of ongetrouwde, zich steeds vrijwillig aanboden om de weezen groot te brengen. Te Guyana mogen landverhuizers, die nog tot werken in staat zijn, na tien jaren naar hun vaderland terugkeeren, wanneer zij een stuk kunnen overleggen om te bewijzen, dat zij zoolang hebben gearbeid als hun contract voorschreef, of als uit de boeken der plantage blijkt, dat zij reeds in het geheel 350 dollars salaris hebben ontvangen. Zij moeten zelf gedeeltelijk de terugreis bekostigen; doch als zij in de kolonie willen blijven, ontvangen zij gratis een stuk grond, of een belooning van 125 frs. In financieel opzicht is deze aanvoer van vreemde werkkrachten uitstekend georganiseerd. Het plaatselijk bestuur zorgt voor het werven, den overtocht, en de plaatsing der Hindoe-arbeiders. De planters betalen een belasting naar hun eigendom (acreage tax) en bijdragen, die om de vijf jaren worden gestort.

In Guyana zijn de zwarten betrekkelijk gering in aantal en over een groote oppervlakte verspreid. Sedert de loonen begonnen te dalen, hebben zij werk gezocht in de mijnen, dat beter betaald wordt. Doch al zijn de zwarten minder aan tucht en orde gewend dan de Hindoes, zij zijn beter geschikt voor arbeid, waartoe veel lichaamskracht en volharding wordt vereischt. Zonder de hulp van afrikaansche arbeiders zouden de expedities naar de onbekende streken van Guyana, en om goud te ontdekken, niet kunnen worden ondernomen. De voornaamste verdediger van de rechten der zwarte bevolking is de Reverend H. J. Shuley, het hoofd der radikale partij, die het blad "the People" heeft opgericht. Deze geestelijke bezit grooten invloed, en woonde tijdens mijn bezoek te New-Amsterdam.

De hollandsche wet wordt hier nog in sommige gevallen toegepast; maar in strafzaken heerscht de engelsche wet, die zeer streng is. De gevangenis te Georgetown is een merkwaardig gebouw, dat nog dagteekent uit den hollandschen tijd, en met zijn zware muren op een versterkte vesting gelijkt. Ik zag er een menigte Hindoes, waarvan sommigen tot "hard labour" waren veroordeeld, een arbeid, die òf op de openbare wegen, òf binnen de muren der gevangenis wordt verricht. Deze strafoefening heeft haar practische zijde, wanneer men de gevangenen werk laat doen, dat de kolonie voordeel aanbrengt en te zwaar is om er gemakkelijk arbeidskrachten voor te vinden, maar het is treurig, dat men dikwijls de schuldigen zich geheel nutteloos laat afbeulen, zooals bijvoorbeeld bij een straf, die "the crank" genoemd wordt, en waarbij de gevangene in zijn cel een handvat heeft te draaien, dat nergens toe dient, en alleen na een bepaald aantal malen te zijn rondgedraaid, een bel in beweging brengt, om aan te toonen, dat de opgelegde taak volbracht is. In het hospitaal der gevangenis zag ik een tiental galeiboeven, die uit Cayenne waren ontsnapt. De formaliteiten voor hun uitlevering zijn zeer lastig en gecompliceerd, en de engelsche autoriteiten beklagen zich dan ook dikwijls over de moeilijkheden, waarin zij gewikkeld worden door de nabijheid der fransche galeien, daar het onderhoud der ontsnapte misdadigers te hunnen laste komt.

Aan politiek doet men hier weinig, doch wel wordt een heftige strijd gevoerd over de vraag, of de kolonie zich enkel aan de suikerindustrie moet blijven wijden, of nieuwe cultures beproeven. Daar ik hieromtrent gaarne nader wilde worden ingelicht, nam ik met genoegen het aanbod van den heer Barclay aan, om zijn cacao-plantage te gaan bezichtigen, die veertig mijlen van Georgetown aan de oevers van de Demerara was gelegen. Het was een bosch van cacaoboomen, dat zich uitstrekte over een oppervlakte van meer dan zestig hectaren, een oase van groen in deze eenzaamheid. De ondernemende Engelschman had er een som van 300 000 frs aan ten koste gelegd. De heer Barclay vertelde mij, terwijl hij mij rondleidde, dat hij vroeger aan het hoofd van een suikerfabriek had gestaan, maar begreep, dat hiervan voor de toekomst geen heil meer was te verwachten. Hij had zeer goed ontwikkelde cacaoboomen gezien op verlaten "settlements", die eertijds aan Hollanders hadden behoord, aan de oevers van de Demerara en Essequebo, en besloot deze opnieuw te cultiveeren. De beide eerste jaren moesten worden besteed aan het vellen van bosch en de droogmaking van den bodem. Dit laatste werd zeer vergemakkelijkt door de kanalen, die nog uit den hollandschen tijd waren overgebleven, en die enkel moesten gezuiverd en met elkander in verbinding gesteld. Dit alles kostte veel geld, en men voorspelde den heer Barclay weinig goeds van zijn onderneming. Thans echter, na twaalf jaren van volhardenden arbeid, kon hij met voldoening op zijn werk terugzien. De jaarlijksche opbrengst bedroeg 30 000 kilogram cacao, hetgeen ongeveer 50 000 frs vertegenwoordigde, en daar de cacaoboomen, op vier meter afstand van elkander geplaatst, de tusschenruimten geheel met hun schaduw bedekken, groeit hier geen onkruid, wat de groote kosten van het aanhoudende wieden bespaart. Het is dus bewezen, dat de oevers der rivieren van Guyana wel degelijk geschikt zijn voor de cacaocultuur, en het is te hopen dat het voorbeeld van den heer Barclay navolging zal vinden.

De onderzoekingstochten in het onbekende gedeelte van Guyana worden door allerlei oorzaken zeer bemoeilijkt. De loop der rivieren, vooral van de Mazaruni, wordt telkens afgebroken door watervallen; die van Kaieteur wordt zelfs vergeleken bij den Niagara. Op enkele groepen hutten na, die op grooten afstand van elkander zijn gelegen en door zendelingen of goudzoekers worden bewoond, is de streek geheel verlaten.

Sedert de ontdekkingsreizen van Dr. Crevaux, Henri Coudreau, Brown, en de heeren Quelch en Connell, weet men, dat zich in deze streken verschillende Indianenstammen ophouden, die leven van de jacht. Vroeger begaven zij zich wel naar de kustplaatsen, om ruilhandel te drijven. Thans moet men ze veel verder zoeken; zij slaan bij voorkeur hun kampen op in de buurt der plaatsen, waar de reizigers langs den oever der rivier moeten trekken, om de watervallen te vermijden. Al deze stammen komen overeen met de Galibis en de Caraïben, die op de Antillen worden aangetroffen.

Het achterland van Guyana is eerst bekend geworden toen er goud werd ontdekt. Het kostbare metaal wordt aangetroffen in het alluviale bezinksel der rivieren, vooral in sommige kreken van de Mazaruni, op een afstand van drie of vier weken reizens van de kust. De eerste onderzoekingen hebben weinig opgeleverd. Doch men heeft op verschillende plaatsen kwartsachtige aders ontdekt, en al is voor de bewerking van het erts kostbaar materiaal benoodigd, de duitsche kapitalisten, die met dit doel syndicaten hebben gevormd, schijnen gunstige verwachtingen van de zaak te koesteren. De ingenieur, die mij dit alles mededeelde, vertelde althans, dat zij reeds 150 000 £ hadden besteed aan voorbereidende werkzaamheden en aankoop van materiaal. Men was juist tentijde van mijn bezoek ook zeer vervuld van de ontdekking van diamantmijnen, en had een deskundige in Z.-Afrika geraadpleegd, om de waarde der gevonden diamanten te beoordeelen. Later vernam ik, dat deze ontdekking toch niet aan de verwachtingen had beantwoord, omdat de diamanten, ofschoon zuiver, klein, en dus van betrekkelijk geringe waarde waren. Het mijnwezen is hier goed geregeld door strenge wetten, die noodzakelijk zijn bij het toezicht over uitgestrektheden gronds, waarin geen gebaande wegen bestaan. Een dergelijke regeling wordt bij de bosch-concessies toegepast. Deze worden voornamelijk aangevraagd voor het zoeken naar de balata, een boom, die caoutchouc levert, en die wel niet zoo gezocht is als de braziliaansche hevea of de castilloa van Midden-Amerika, maar die veel opbrengt, en daardoor rijke winsten afwerpt, als de bosschen niet te ver van een rivier zijn verwijderd.

De expedities worden gewoonlijk georganiseerd door kooplieden uit Georgetown, die op gemeenschappelijke kosten een boot uitrusten, waarin werktuigen en mondvoorraad voor meerdere maanden worden geborgen. De onderneming is altijd zeer gewaagd en onzeker. De bemanning der booten bestaat uit eenige Indianen, die met de bochten en watervallen der rivier vertrouwd zijn, en een troep zwarten en kleurlingen onder een flinken "foreman," van wien grootendeels het welslagen der onderneming afhangt. Hij moet beslissen over de keuze van de geschikte plek, en ontvangt percenten van ieder pond caoutchouc, dat hij naar de kust vervoert. De werklieden krijgen behalve den kost, 0.50 fr. tot 1 franc per dag. Aan allerlei gevaren is zulk een expeditie blootgesteld en dikwijls worden in maanden geen berichten omtrent haar vernomen; of de aanvoerders komen terug, om hulp te vragen, welke hun volgens de engelsche wet niet mag worden geweigerd, daar dit gelijk zou staan met doodslag.

Ten tijde der slavernij ontvluchtten dikwijls negers uit de plantages en hielden zich in de bosschen schuil. Te Guyana hebben deze "boschnegers" zich in groepen vereenigd en leven in kleine dorpen in het woud. Zij sterven echter langzamerhand uit door ziekten, als melaatschheid, elephantiasis, en pokken. Ook de blanke bevolking is aan het afnemen, sedert met de suiker geen groote fortuinen meer zijn te winnen. De enkele blanken, die zich thans nog in Guyana komen vestigen, zijn meest Schotten, die veel weerstandsvermogen hebben, en dikwijls betrekkingen als opzichters krijgen. In een zoo vochtig en warm klimaat, waar moeraskoorts heerscht, moeten blanken langzamerhand bezwijken, en als dit in een groote stad als Georgetown nog niet merkbaar is, heeft men dit te danken aan de voortreffelijke zorg, die hier wordt gewijd aan de volksgezondheid. Alle woningen zijn op palen gebouwd, daar de grond overal moerassig is. Het grootste gedeelte toch der kust van Guyana ligt lager dan de zee, en het is niet te verwonderen dat de Hollanders hier onmiddellijk na hun komst dezelfde maatregelen aanwendden, die zij gewoon waren in hun eigen land in praktijk te brengen, daar hun eigen kusten geheel dezelfde eigenaardigheden vertoonden als die van Guyana. Zij groeven een menigte kanalen om het water af te leiden, en beschermden de kust door dijken, sluizen en zeeweringen, welke de Engelschen, die hen in 1815 opvolgden, slechts behoefden uit te breiden en in stand te houden. Daar voor dit alles echter groote kapitalen werden vereischt, is het te begrijpen dat in Guyana de grond weinig is verbrokkeld, en groote grondeigenaren of maatschappijen er de bezitters van zijn. Kleine plantages, zooals in Trinidad, treft men hier niet aan.