# Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-reis-naar-de-philippijnen-de-aarde-en-haar-volken-1886-13236/index.md

Omtrent den verder te volgen weg kunnen onze Bagobos ons geene inlichtingen meer geven. Wij kunnen den vulkaan zeer duidelijk zien; de zuidelijke helling van den Apó is naar ons toegekeerd; deze helling is over de geheele hoogte verdeeld door eene breede spleet, waaruit wolken van damp opstijgen. Voor zoover wij zien kunnen, is de berg van die zijde ongenaakbaar. Wij besluiten, de bestijging aan de oostzijde te beproeven: en dit besluit werd ons door een goeden genius ingegeven, want alleen daar is beklimming mogelijk.

10 October.--Hoewel wij eene hoogte van 2229 meter hebben bereikt, moeten wij nog een goed eind hooger klimmen; twee uren lang gaat de tocht met zeer veel moeite bergopwaarts. De boomvarens zijn op eene hoogte van 1900 meter verdwenen; wij bevinden ons thans in een dicht bosch van lage varens, wier knoestige, dooreengevlochten, over den grond kruipende stammen en takken een soort van veerkrachtig bed vormen, waarop men niet kan voortkomen, dan door van den eenen tak op den anderen te springen. Na tallooze malen gestruikeld en gevallen te zijn, komen wij, uitgeput van vermoeienis, op eene hoogte waar de schrale en armelijke plantengroei geen beletsel meer is (2370 meter). Hier begint de bestijging van den eigenlijken vulkaan: de bodem bestaat voor een goed deel uit steenen en asch, meestal met een laag zwavel van een tot twee duim dikte. In de spleten der rotsen vinden wij uitmuntend water, dat ons heerlijk te stade komt.

Tegen tien uren bevinden wij ons aan den rand van de groote zuidelijke spleet, die wij gisteren uit de verte hebben gezien; hare breedte bedraagt ongeveer vijftig el; de loodrechte wanden hebben eene hoogte van tusschen de twintig en zestig meter. Uit die wanden stijgen, met een schel gefluit, zwavelzure dampen omhoog, wier helder witte kleur scherp afsteekt bij het vuile geel van de dikke zwavellaag, die de gansche spleet bedekt. De grond wordt brandend heet: weldra houdt bijna alle spoor van plantengroei op; slechts enkele jeneverstruiken verheffen zich nog hier en daar tusschen de asch. De Bagobos staan aarzelend stil. Ziende dat wij vast besloten zijn, voort te gaan, verzekert een oude slaaf, die tevens het beroep van toovenaar uitoefent, zijn makkers, dat zij ons zonder vrees kunnen volgen; hij heeft den god Mandarangan uit den krater zien opstijgen en in de wolken verdwijnen; aanstonds wordt zijne getuigenis bevestigd door verschillende Bagobos, die verklaren hetzelfde gezien te hebben.

Om twaalf uren komen wij aan den voet van den krater, in eene kleine vallei, waarvan de noordelijke rand, veel minder hoog dan de zuidelijke, van Davao gezien, de top van den berg schijnt te zijn. Op hetzelfde oogenblik, nog eer ik eenige waarneming had kunnen doen, worden wij omhuld door dichte wolken. Wij besluiten niettemin, de bestijging ten einde toe te volbrengen. Ondanks de buitengewoon steile helling van den buitenrand van den krater, bereiken wij zonder al de groote inspanning den top, dank zij vooral de eigenaardige ligging der blokken puimsteen, die bijna overal eene natuurlijke trap vormen. Juist als wij het einddoel van onzen tocht bereiken, worden de wolken die ons omhullen nog dichter, en worden wij onaangenaam verrast door een fijnen, doordringenden regen. Het is mij ter nauwernood mogelijk, het inwendige van den krater, die ongeveer vijfhonderd el in doorsnede heeft, te onderscheiden; ook aan de binnenzijde groeien nog dwergachtige jeneverstruiken. De bodem is onzichtbaar door de voortdurend opstijgende rook- en dampwolken. Tot overmaat van ramp, is Marcello, mijn getrouwe muchacho, die de instrumenten draagt en tot hiertoe mij trouw is bijgebleven, ongeveer honderd el lager eensklaps blijven stilstaan, hetzij door uitputting, hetzij ten gevolge van duizeligheid; maar toch kan de hieruit voortvloeiende vergissing in do hoogte-berekening slechts zeer gering zijn. Volgens mijne waarneming bedraagt de hoogte van den berg 3185 meter. De honderdgradige thermometer teekent vijftien graden onder nul.

Wij aanvaarden zoo haastig mogelijk den terugtocht, uit vrees voor slecht weer. Tot op eene hoogte van 2400 meter afgedaald, worden wij verrast door een prachtig schouwspel. Achter ons verrijst de geheel van wolken bevrijde krater, als een reusachtige, afgebrokkelde muur, en teekent tegen den blauwen hemel de onregelmatige lijn van zijn getanden top; rondom strekt zich een onmetelijk tapijt van zwavel uit, waarvan de omtrekken zich verliezen in de violette tinten van de lichtende wolk, die langzaam onder onze voeten voortglijdt. Over dien zwevenden wolkensluier heen, overziet de blik een prachtig panorama: de dichte wouden, die de hellingen van den Apó bedekken, en verder de blauwe wateren van de golf, waarin de landpunten van Dumalac en Malalac, en de eilanden Samal en Talikoed als donkergroene massaas uitkomen tegen het lichtend blauw der zee.

Het was ons niet lang vergund, van dit wonderschoone tafreel te genieten; nauwelijks zijn wij weer in de streek der lage varens aangekomen, of een geweldige regenvloed verblindt en verstijft ons van koude; in den woesten storm verlies ik de meeste planten, die ik boven op den kegel geplukt had. Onder een stroomenden zondvloed komen wij aan ons ellendig bivouak van gisteren, waar wij den nacht doorbrengen op een leger van haastig dooreengevlochten knoestige takken.

11 October.--Toen de dag aanbrak, waren wij bijna verstijfd, maar een goed vuur en eenige koppen koffie helpen ons weer op de been. Wij overnachten in de rancheria van Bitil, waar wij het genoegen hebben onzen vriend aan te treffen, die geheel van zijne koorts genezen is.

Den volgenden dag kwamen wij aan de rio Tagulaya, die ons bij de beklimming zoo veel moeite heeft veroorzaakt. Mani heeft nu geen enkele reden meer om ons aan de waterproef te onderwerpen: hij brengt ons dan ook langs een zeer bruikbaar pad, dat over de hoogten aan den linkeroever van de beek loopt. Op de vraag, waarom hij ons de eerste maal dien weg niet had gewezen, antwoordde hij, dat hij meende dat wij haast hadden en dat de weg door de beek de naaste was. Wij stelden ons met dat antwoord tevreden; wij hadden ons doel bereikt, en tot onze groote verrassing en blijdschap vonden wij ook onze paarden terug, die wij niet meer hadden gehoopt weer te zien. Om drie uren in den namiddag komen wij aan de rancheria van Mani, waar wij de treurige tijding vernemen van het overlijden van eene zijner vrouwen, die den vorigen dag bezweken was. Dit is een ongelukkig geval, want er is alle reden om te vreezen, dat de Bagobos den dood van deze vrouw zullen beschouwen als een teeken van den toorn van Mandarangan over het beklimmen van den hem gewijden berg; en dat zij, als naar gewoonte, zullen trachten, den toorn van den god door menschenoffers te bezweren. De kommandant Rajal neemt Mani ter zijde en brengt hem met den meesten nadruk onder het oog, dat zoo iets niet geduld zal worden. De dato zweert bij de nagedachtenis zijner moeder, dat hij geen bloed zal vergieten; en naar ik later vernomen heb, heeft hij eerlijk zijn woord gehouden.

13 October.--In den loop van den morgen zijn wij weder te Davao, waar men met niet weinig verbazing het welslagen verneemt van onze expeditie, waarvan de inlanders en de Bisayas eenstemmig verklaard hadden, dat zij noodwendig mislukken moest. Wij zijn wel een weinig vermoeid, maar zeer voldaan. Ik voor mij heb, ondanks enkele vermoeienissen en ontberingen, die trouwens van zulk een tocht onafscheidelijk zijn, de aangenaamste herinnering behouden aan dit uitstapje, dat door de welwillendheid, de vriendelijkheid en het onverstoorbaar goede humeur mijner spaansche gastheeren voor mij een waar genot is geweest.

VI

Dwars door Mindanao.

Mijn voornemen is, het eiland Mindanao van het zuiden naar het noorden te doorreizen, en den bergrug over te trekken, die het noordelijk van het zuidelijk gedeelte des eilands scheidt. Aan de baai van Butuan gekomen, zal ik het schiereiland Surigao omvaren, en de kust van den Stillen-oceaan volgende, langs kaap Sint-Augustijn naar Davao terugkeeren.

Deze tocht is verre van gemakkelijk; de eerwaarde paters Juan Heras en José Minoves, de eenigen die, in omgekeerde richting, deze reis hebben gemaakt, deelen mij met de grootste bereidwilligheid alle inlichtingen mede, die zij geven kunnen, en wijzen mij tevens op de meer dan waarschijnlijke moeilijkheden en bezwaren: het saizoen is ook niet gunstig. De zuidwest-moesson is in geheel den omtrek van de golf van Davao nog niet voorbij; verderop zal ik den noordoost-moesson in volle kracht aantreffen; overvloedige regens zijn dus te wachten. Maar ik kan geen zes maanden wachten op de verandering van moesson, die langs de kust van den Stillen-oceaan eerst in Mei invalt.

In den namiddag van den vierden November vertrok ik aan boord van eene groote en stevige banca, mij door don Basilio welwillend afgestaan. Ik heb mij van de noodige instrumenten en levensmiddelen voorzien, en behalve mijne twee gewone muchachos, Marcello en Lorenzo, nog twee anderen gehuurd: Florès, gewezen matroos van het eskader der Philippijnen, bepaaldelijk met de zorg voor de wapenen belast; en Francisco, cuadrillero van Davao, aan wien de gouverneur welwillend verlof heeft verleend. Al deze muchachos zijn inlanders en behooren tot den stam der Bisayas. Eindelijk heb ik--wel is waar, bij gebrek van beter,--als gids en tolk een gewezen koopman aangenomen, die beweert meermalen in aanraking te zijn geweest met de Mandayas en hunne taal te verstaan.

In den morgen van den zesden November voer ik, bij laag water, de rio Tagum binnen, maar moest weldra, door de hevigheid van den stroom, mijn vaartuig vastleggen. Bij wassend water, omstreeks twee uur in den namiddag, kon ik de vaart hervatten. De Tagum, die hier door een laag alluviaal terrein vloeit, beschrijft een tal van kronkelingen, die op geene enkele kaart zijn aangewezen; de aanvankelijk zeer lage, dicht begroeide oevers worden wat hooger bij Bincungan, eene vrij belangrijke rancheria van Moros, waar ik tegen zes uren in den avond aankom. Hier werd, eenige jaren geleden, de ongelukkige don José Pinzon, gouverneur van Davao, met een deel van zijn escorte, overvallen en vermoord. De bewoners ontvangen mij wel niet vriendelijk, maar durven niet verder gaan, want zij zijn voor hun vroeger verraad geducht gestraft.

Daar de Tagum steeds bochtiger en ondieper wordt, raakt mijne banca telkens aan den grond en kom ik niet dan uiterst langzaam vooruit. Eerst tegen zes uren in den avond van den zevenden kwam ik te Babao, het eerste dorp der Mandayas, waarvan de inwoners de vlucht namen, toen zij mij aan land zagen stappen. Door den vrij belangrijken diepgang van mijne boot kan ik haar niet meer gebruiken; ik zend haar dus met de bemanning naar Davao terug, en moet nu trachten, van de Mandayas lichte prauwen en roeiers te bekomen. Mijn tolk wordt, behoorlijk van geschenken voorzien, het bosch ingezonden om de gevluchte dorpelingen op te sporen; hij brengt er slechts enkelen mede; maar wat ik reeds vroeger vreesde, blijkt nu de waarheid te zijn: de kerel is het mandaya volstrekt niet meester. Gelukkig heeft dit dialekt veel overeenkomst met het bisaya; na een langdurig gesprek, dat van dezen of dien kant herhaaldelijk door gevraagde inlichtingen en verdere bijzonderheden werd afgebroken, werden wij het eindelijk eens. Morgen krijg ik drie lichte vaartuigen, die tegen den oever vastgemeerd liggen, en zes roeiers, die de prauwen moeten terugbrengen, zoodra de rivier ophoudt bevaarbaar te zijn.

Als ik den volgenden morgen vertrekken wil, zijn er geen roeiers te vinden: al de mannen zijn opnieuw in de bosschen gevlucht; de vrouwen, die in de hutten zijn achtergebleven, zien mij met verbaasde domme gezichten aan, zonder dat het mogelijk is, haar een enkel woord te ontlokken. Terwijl mijne muchachos de vluchtelingen opsporen, houd ik mij met sterrekundige waarnemingen bezig. De Mandayas zijn nergens te vinden: maar de drie toegezegde booten liggen nog altijd aan den oever gemeerd. Al mijne bagage is in die drie prauwen gepakt; ik zend de banca van don Basilio naar Davao terug, en ga op weg met mijne vier muchachos en mijn zoogenaamden tolk.

Een mijl boven Babao neemt de Tagum eene andere rivier op, de Sahug genaamd. Na eenige aarzeling, tengevolge van tegenstrijdige inlichtingen, besluit ik den Sahug op te varen; omtreeks vier uren in de namiddag kwam ik te Mapawa, een vrij talrijk bevolkt dorp der Mandayas. De bewoners houden zich aanvankelijk op een afstand, maar zonder eenige vijandelijke houding aan te nemen; mijne muchachos mengen zich onder hen, waardoor allengs meer toenadering komt. Een flesch wijn, eenige halskettingen en dergelijke kleinigheden maken dat wij welhaast goede vrienden zijn. Na zonsondergang weerklinkt uit alle hutten gelach en gezang; nadat het weer stil geworden is, heft een oude waarzegger eene lange litanie, een soort van bezweringsformulier, aan; naar het schijnt is zijn lied tot de maan gericht, wier stralen de tusschen de bananen verstrooide hutten tooverachtig schoon verlichten.

Den volgenden dag in den namiddag kwam ik te Kalibuhassan, een vrij belangrijk dorp, op een hoog voorgebergte gelegen, dat door een smalle landtong met den oever verbonden is. De hutten zijn op palen en boomstammen gebouwd, en tusschen de twaalf en vijftien el boven den grond verheven; het dak van bamboestengels is zeer laag en prijkt aan de beide uiteinde met een zwaren haarbos, die de booze geesten moet afweren. De hutten zijn omringd door eene hooge palissade van scherp gepunte palen; aan de binnen- en aan de buitenzijde van die palissade zijn diepe kuilen of gaten aangebracht, die onder takken, bladeren en aarde zijn verborgen en van binnen bezet met scherpe bamboestengels. Aan den oever ziet men een soort van houten vork, waaraan een plankje bevestigd is, op hetwelk bananen en rijst worden nedergelegd, als een offer aan Limbucum, de heilige tortelduif, die voor al de bewoners van het eiland Mindanao, naar het schijnt, een voorwerp van vereering is. Als altijd, verwekt mijne komst eenige opschudding; maar met hehulp van eenige geschenken wordt de rust spoedig hersteld, en terwijl ik mij baad, zie ik dat de inboorlingen mij gadeslaan, zooals ik naderhand van mijne muchachos hoorde, om zich te overtuigen of de blanke man op zijn lichaam even haarig was als op zijn gelaat.

Ik geef eenige halskettingen aan de kinderen, die in het slijk langs den oever rollen; daarop nadert een bloedverwant van het afwezige dorpshoofd tot mij, zeggende: "Ik zie wel dat gij een _lumun_ (broeder) zijt; kom in mijne woning en slaap in vrede!"

Saamgebonden bamboestengels, waarin gaten gesneden zijn, vormen een soort van ladder, waarmede men naar de hut klimt. Dadelijk na zonsondergang wordt die ladder weggenomen. De hut heeft deur noch venster; zij ontvangt haar lucht en licht door eene vrij smalle opening tusschen de wanden en het dak: welke opening tevens met het oog op de verdediging is aangebracht. De planken, waaruit de wanden bestaan, zijn voorzien van schietgaten, geheel overeenkomende met die van onze oude middeleeuwsche kasteelen. De rook moet maar zelf een goed heenkomen zoeken. Er zijn geene andere meubelen dan eenige matten, een spinnewiel en een hoogst eenvoudig weefgetouw; daarentegen een overvloed van wapenen, bogen en pijlen, dolken, lansen en ijzeren krissen, een volledig arsenaal.

Het dorp Kalibuhassan bestaat uit vijf hutten: een getal grooter dan ik nog ergens aangetroffen had. Maar zulk eene hut heeft eene zeer talrijke bevolking. Deze opeenhooping van menschen in hetzelfde lokaal geschiedt niet alleen omdat de bouw van zulk eene woning, op eene hoogte van tien, vijftien, ja zelfs twintig el boven den grond, een zeer zwaar en moeielijk werk is; maar vooral ook opdat de bewoners steeds in genoegzamen getale zouden zijn om een vijandelijken aanval af te slaan. Men is namelijk in deze hutten nooit zeker, dat men den volgenden dag zal aanschouwen. Midden in den nacht zal het bamboezen dak misschien eensklaps in brand worden gestoken door vuurpijlen; en de aanvallers, zich dekkende met hunne schilden, zullen trachten met hunne bolos de boomstammen of palen om te kappen, waarop de hut rust. In zulke gevallen is de aanvallende partij bijna altijd overwinnaar: want de schoten en slagen van de verdedigers missen in het donker vaak hun doel, en wanneer de hut in brand vliegt of instort, worden zij onder het puin begraven en kunnen zich niet meer verdedigen. De Mandayas moorden om te rooven, maar ook wel, zonder uitzicht op voordeel, louter om de eer; zij hebben in hunne taal een bijzonder woord, _bagani_, waarmede iemand wordt aangeduid, die zestig hoofden heeft afgehouwen. Deze baganis zijn de eenigen, die--mits de wettigheid van hunne aanspraken in de vergadering van den stam bewezen zij,--het recht hebben, een soort van scharlaken rooden tulband te dragen. En al de datos zijn baganis. Deze woeste, barbaarsche zeden, vrij wel overeenkomende met die van de Dayaks op Borneo en van vele andere stammen in de binnenlanden der eilanden van den Maleischen archipel, geven eene voldoende verklaring van de ontvolking dezer streek, van de ellende der bewoners en ook van hun onverzoenlijken afkeer om zich bij mijne equipage te voegen. Iedere Mandaya die zijn dorp verlaat, loopt groot gevaar, vermoord of tot slaaf gemaakt te worden.

Die ruwheid van zeden heerscht trouwens overal in het binnenland van Mindanao, en de Mandayas leven niet ellendiger dan hunne naburen. Integendeel gelden zij voor de oudste en aanzienlijkste bewoners van het eiland: zij vormen eene soort van aristokratie, en de Manobas, de machtigste en geduchtste stam onder al de eilanders, dragen er roem op, als zij, hetzij door roof, hetzij door huwelijk, mandaya-vrouwen kunnen krijgen. Maar wanneer niet binnen kort het gezag der spaansche regeering tusschenbeiden komt, zullen de Mandayas geheel uitgeroeid worden; niet alleen worden zij onophoudelijk door al hunne buren bestookt, maar ook onder elkander voeren zij een waren verdelgingsoorlog.

Dagen lang volgde ik, in noordelijke richting, den loop van de Sahug, hoewel de vaart op die rivier, tengevolge van de tallooze kronkelingen, de toenemende ondiepte, en vooral van den snellen stroom en de vele watervallen en stroomversmallingen, steeds moeilijker werd. Daarbij hadden wij telkens met geweldige regens te kampen, en werd het bijna onmogelijk, manschappen te vinden, die mij bij het roeien behulpzaam wilden zijn en den ondragelijk zwaren arbeid van mijne weinig talrijke equipage wilden helpen verlichten. Eindelijk werd de vaart op de rivier, die nu inderdaad niet anders dan een onstuimige bergstroom was, ten eenemale onmogelijk; mijne deerlijk gehavende prauwen waren niet langer bruikbaar. Husip, een der voornaamste datos, wien ik door eenige geschenken gunstig mocht stemmen, bezorgde mij nu de noodige dragers, die mij naar de rivier de Agusan brachten, waar ik mij opnieuw inscheepte; den 16 December kwam ik te Surigao, de hoofdplaats der provincie van gelijken naam.

Ik word te Surigao allerhartelijkst ontvangen door den gouverneur, den kolonel don Alberto Raccaj y Milagro, en door den eerwaarden pater Ramon Luengo, overste der missie, een geestelijke, evenzeer uitmuntende door zijne uitgebreide degelijke wetenschap, als door zijn voortreffelijk humeur en karakter. Evenals alle zendelingen, die ik tot dusver heb ontmoet en die ik nog verder op Mindanao zal leeren kennen, behoort ook pater Luengo tot de Sociëteit van Jezus, die voor de uitbreiding van het Evangelie en de bekeering der heidensche volken zoo ontzaglijk veel gedaan heeft en nog steeds voortgaat te doen. Bij mijn herhaald verblijf te Surigao, logeer ik steeds bij den eerwaardigen geestelijke of bij don Carlos Herrera, een spaansch koopman; bij beiden vind ik hetzelfde hartelijke onthaal, beiden beijveren zich om mij op alle mogelijke wijze van dienst te zijn.

Den 20_sten_ December vertrok ik van Surigao, om een bezoek te brengen aan het meer Maïnit, in het midden van het schiereiland gelegen. Na dit meer te zijn overgestoken, zak ik de rio Tubay af, waardoor zich de wateren van het meer ontlasten, en keer langs dien weg naar de kust terug. In het dorp Tubay aangekomen, voel ik mij zeer onwel; zonder zelf recht te weten wat ik doe, ga ik in de eerste hut de beste binnen en strek mij in een hoek op den grond uit; ik heb nog ter nauwernood de kracht, om Marcello, onder bedreiging van do zwaarste straffen, te gelasten, eenige steenen heet te laten maken, om mij daardoor te verwarmen. Het duurde niet lang of ik verloor mijn bewustzijn; toen ik weer tot mij zelven kwam, werd mijne aandacht getrokken door een zonderling schouwspel. Bij het schijnsel van eenige bougies, in mijne bagage gevonden, hadden de cuadrilleros van het dorp en mijne muchachos een feest aangericht; zij zijn hartstochtelijk aan het kaartspelen, omringd door een half dozijn inlandsche meisjes, die zij ik weet niet van waar gehaald hebben, en die, meer dan half beschonken, de spelers palmwijn laten drinken uit een leeren kroes, dien zij uit mijn zak moeten hebben gehaald. Denkende dat ik dood of zoo goed als dood was, hebben mijne manschappen het als hun eerste plicht beschouwd, om eenige piasters, die zij zoo pas verdiend hadden, op deze wijze te verbrassen. De toorn geeft mij kracht; een rotting grijpende, val ik op de spelers aan, die, verschrikt door mijne onverwachte verschijning, in overhaasting de vlucht nemen en zich onder luid gejammer de ooren toestoppen, hetgeen bij de Bisayas een teeken is van den grootsten angst. Uitgeput door deze buitengewone uitspanning, val ik weder in mijn hoek op den grond, ten prooi aan ijlende koortsen. Den volgenden morgen is de aanval geweken; muchachos en cuadrilleros nemen de verlegen, bevreesde houding aan van lieden, die eene zeer ernstige tuchtiging verwachten. Ik bepaal mij ook nu tot vreeselijke bedreigingen, die trouwens even weinig baten als slagen; zoo lang ik in staat ben, de leiding op mij te nemen, kan ik op mijne manschappen rekenen; ook met gevaar van hun leven, zullen zij zonder aarzelen mijne bevelen gehoorzamen; verlies ik bij ongeluk mijn bewustzijn, dan zou de herinnering aan de ondergane straf hen niet beletten, toch weer de aandrift van hunne zorgelooze natuur te volgen: zij zijn groote kinderen en moeten als zoodanig worden behandeld.

1 Januari 1881.--Het nieuwe jaar begint met een allerhevigsten storm; de koorts en het slechte weer houden mij te Tubay geketend, terwijl ik in den omtrek zoo veel heb te doen. De _capitan_ van het dorp verstaat een weinig spaansch, maar is in de hoogste mate dom; evenals zijne onderhoorigen, schijnt hij altijd te droomen en te suffen; niet dan met groote moeite kan ik het zoover brengen, dat hij mij eenige eieren, wat vruchten en tabak bezorgt. Ik betaal voor alles den tiendubbelen prijs; de capitan behoorde zich dus eenige moeite te geven en mij de noodige levensmiddelen te verschaffen; maar er is niets aan te doen: al deze _Manobos conquistados_ zijn behebt met eene ongeneeslijke traagheid.

3 Januari.--De wind is gaan liggen; ik kan mij inschepen om naar Surigao terug te keeren; den volgenden dag stap ik daar aan wal, om mij aanstonds naar bed te begeven, want de koorts heeft mij op nieuw aangetast; maar ik bevind mij nu bij pater Luengo, in eene goede, geheel nieuwe pastorie, waar het mij aan niets ontbreekt; ik kan niet dankbaar genoeg de oplettendheid en de teedere zorg roemen van mijn gastheer, van zijn vicaris, den eerwaarden pater Ramon Micart, en van hun helper, den heer don José Ubach. Deze geestelijken, die voor zich zelven geene ontberingen ontzien en met het minste tevreden zijn, weten mij de uitgezochtste spijzen te bezorgen, passende voor mijne zwakke maag.

