# Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-reis-naar-de-philippijnen-de-aarde-en-haar-volken-1886-13236/index.md

Dit groote, vruchtbare eiland, waarvan het bergachtige binnenland nog voor een goed deel onbekend en moeilijk te genaken is, wordt door verschillende volksstammen bewoond, die in vier groepen kunnen worden gesplitst:

1°. De Bisayas, allen katholiek en aan het gezag van Spanje onderworpen; tot de Bisayas rekent men ook een aantal inlanders, die sedert geruimen tijd onderworpen en tot het Christendom bekeerd zijn. Men vindt de Bisayas bijna uitsluitend in de pueblos of vintas, bijna allen langs de kust of in hare nabijheid gelegen. Het aantal dezer inboorlingen wordt geschat op omstreeks honderd-vijftig-duizend zielen.

2°. De Maleiers of Moros, allen Mohammedanen, vooral in het zuiden gevestigd, in het stroomgebied van de Rio Grande en rondom sommige meren van het binnenland.

3°. Een zeker aantal Chineezen, koelies en kooplieden, in de pueblos gevestigd.

4°. De _Infieles_, inboorlingen van zeer verschillend ras, wilde heidenen, die geheel onafhankelijk zijn en de binnenlanden van het eiland bewonen.

De Moros en de Infieles worden te zamen op driehonderd-duizend zielen geschat. Maar deze schatting kan hoegenaamd geene aanspraak op juistheid maken, en is eigenlijk niet meer dan eene gissing, daar deze bevolkingen voor een groot deel geheel onbekend zijn.

In den avond van den zevenden April voeren wij de straat van Sarangani binnen, gevormd door de eilanden van denzelfden naam en de landpunt Panguian. Een kanonschot weergalmt, en wij houden stil. Na verloop van eenige minuten verschijnt bij ons aan boord de luitenant bij de marine don Enrique de Ramos y Azcaraga, vergezeld van den dokter don Gabriel Lopez y Martin. De heer de Ramos, kommandant van het maritieme station van Davao, kruiste hier sedert eenige dagen met een zijner _faloas_, kleine, weinig diepgaande kustvaartuigen, die zoowel door zeilen als door riemen kunnen worden voortbewogen. Hij moest de langs de kust gevestigde Moros in het oog houden en tevens de Sarangani-eilanden in kaart brengen.

De heer de Ramos, van onze aanstaande komst verwittigd door een brief van onzen consul Dudemaine, treedt ons te gemoet; hij verzekert ons dat wij, ten behoeve van onze nasporingen en onderzoekingen, geen gunstiger terrein kunnen kiezen dan de provincie Davao. Hij voegt daarbij, dat wij in alles op hem kunnen rekenen en dat hij ons naar vermogen behulpzaam zal zijn.

Wij zetten nu de vaart voort langs de westelijke kust van de golf van Davao, waarvan de hooge bergen, de bosschen en velden hetzelfde karakter vertoonen, dat wij reeds aan de zuidkust van het eiland hebben leeren kennen. Boven deze bergen verrijst, aan den westelijken gezichteinder, de Malutun, aan welks voet de Rio Grande vloeit. Dicht bij Davao en aan de kust verheft zich, met indrukwekkende majesteit, de Apó, de groote vulkaan, wiens boschrijke hellingen en diepe valleien, nog nimmer door den voet van een Europeaan betreden, ons reeds dadelijk na onze aankomst uitlokken tot eene bestijging.

In den namiddag van den tienden April werpt de _Pasig_ het anker uit op anderhalve mijl afstands van de kleine rio van Davao, waarvan de monding door eene bank wordt versperd. Aan land gegaan, worden wij met de meeste hartelijkheid ontvangen door den eerwaarden pater Minovès, pastoor van Davao, die er op aandringt dat wij onder zijn dak zullen inkeeren. Vreezende hem overlast te zullen aandoen, nemen wij onzen intrek in twee aan elkander grenzende huizen in de stad, waar wij ons installeeren en weldra, dank zij de hulpvaardigheid der Spanjaarden, van alles wat wij noodig hebben zijn voorzien. Wij nemen muchachos in onzen dienst, huren een rijtuig en koopen paarden, zoodat wij overal in den omtrek uitstapjes kunnen maken.

Het stadje Davao, ook onder den naam van Vergara bekend, is de hoofdplaats van de provincie Nueva Guipuzcoa, die het zuid-oostelijk gedeelte van Mindanao omvat; langs de zuidelijke kust van het groote eiland strekt zich deze provincie uit van de baai van Sarangani, waar zij aan de provincie Cottabato grenst, tot de baai van Maijo, aan den Stillen-oceaan; de noordelijke grens is onbepaald, want het binnenland is nog meer of min onafhankelijk. In dat binnenland, tusschen de met dichte wouden bedekte vulkanische bergen, leven in wilden toestand, de tot verschillende stammen behoorende, zoogenaamde _Infieles_ langs de kusten, voornamelijk aan de mondingen der riviertjes en beken, hebben zich de Moros gevestigd, wier onophoudelijke rooftochten eindelijk de rechtstreeksche tusschenkomst van de spaansche regeering en de vestiging van haar gezag in deze streken hebben uitgelokt. In 1847 verkreeg Oyanguren, een officier van beproefde dapperheid en zeldzame energie, van de regeering te Manilla vergunning, om voor eigen risico, eene expeditie te ondernemen tegen de Moros van Davao. Hij kreeg van het gouvernement niet meer dan eenige wapenen en ammunitie, benevens verlof om eene compagnie vrijwilligers aan te werven. De laatste der _conquistadores_ vertrok op een kleine brik, liep te Caraga aan den Stillen-oceaan binnen, wierf daar tweehonderd vrijwilligers aan, en begaf zich met die kleine macht naar Davao, dat hij zonder slag of stoot bemachtigde; vervolgens breidde hij al spoedig zijn gezag uit over de geheele kuststreek, die nog tegenwoordig de provincie vormt. Sedert dien tijd had de spaansche heerschappij geen ernstigen aanval meer te doorstaan; de woede en verbittering der Moros uitte zich in moordaanslagen en rooverijen, die nu in den laatsten tijd, na de vestiging van een marietiem station te Davao, met kracht worden onderdrukt. Dit station, waarover het bevel is opgedragen aan een luitenant ter zee, bestaat uit drie faloas, bemand met vijf-en-zeventig inlandsche matrozen, en een klein arsenaal, waarvan de werklieden, dank zij de uitnemende vriendelijkheid van den heer de Ramos, ons de beste diensten bewijzen. Het bestuur over de provincie is opgedragen aan een bataillonskommandant, die eene kompagnie van ongeveer tweehonderd inlandsche soldaten onder zijne bevelen heeft. Deze krijgsmacht is voldoende om in de kuststreek rust en orde te handhaven. Spanje heeft wijselijk geene pogingen aangewend tot gewelddadige onderwerwerping van het binnenland: militaire expeditiën van dien aard, in bijna onbekende, half bewoonde bosch- en berglanden, te midden van vijandige stammen, eischen offers van geld en menschenlevens, die meestal in geene verhouding staan tot de verkregen, en daarbij nog altijd onzekere uitkomst. De spaansche regering heeft zich voor goed op de kust gevestigd en wacht nu den verderen loop der gebeurtenissen af: de ondervinding van de laatste tijden heeft reeds bij herhaling bewezen, dat deze politiek, met vastheid en beleid gevoerd, onder alle opzichten de beste is. De provincie Davao is gezond, zelfs langs de kust, behalve op de plaatsen waar wortelboomen groeien, en waar de inzakking van den grond moerassen heeft gevormd: deze laatsten zijn echter gelukkig zeldzaam. De heerschende ziekten zijn diarrhee, dysenterie en derdendaagsche koorts; de inlanders zijn daaraan vooral onderhevig; het is niets vreemds, Bisayas te ontmoeten, die jaren achtereen, nu en dan, soms maanden lang met de koorts sukkelen. Europeanen worden minder dikwijls door die koortsen aangetast; maar geschiedt dit, dan woedt de ziekte bij hen in veel heviger graad. Mits zij zich aan een zeer strengen leefregel houden, kunnen de Europeanen hier gezond blijven. Dit geldt natuurlijk alleen van volwassen mannen: zoowel hier als elders, werkt het tropische klimaat bepaald nadeelig op geheel het organisme van blanke vrouwen en kinderen.

Mijn reisgenoot en medehelper, de heer Rey, ondervindt in het eind ook de onvermijdelijke gevolgen onzer levenswijze. Tot dus ver had hij slechts met lichte, voorbijgaande ongesteldheden te kampen; nu is zijne gezondheid in zoo hevige mate geschokt, dat hij zijn werk niet langer kan voortzetten, en een onverwijlde terugkeer naar Europa voor hem noodzakelijk is. Met diep leedwezen neem ik afscheid van mijn vriend, met wien ik nu ruim een jaar heb gereisd, zonder dat ooit de goede verstandhouding tusschen ons in het minst werd verstoord. Ik vergezel den heer Rey aan boord van de _Pasig_, en neem met een hartelijken handdruk van hem afscheid: moge de zeereis hem goed doen.

Met dezelfde boot vertrok de kommandant don Faustino Villa Abrille y Alvarez, gouverneur van Davao, die zijn ambt heeft overgedragen aan den kommandant Rajal. Sedert wij hier zijn, hebben de oude en de nieuwe gouverneur ons om strijd met de meeste voorkomendheid bejegend en alles gedaan wat in hun vermogen was, om ons de vervulling onzer taak gemakkelijk te maken.

Vijf maanden lang hield ik mij te Davao op, waar ik mijn hoofdkwartier heb gevestigd en van waar uit ik in steeds wijder kring uitstapjes in den omtrek maak. De Infieles van deze streek, de Bagobos vooral, bezitten uitmuntende paarden; iedereen, mannen, vrouwen en kinderen, rijdt in deze bergachtige streken te paard; en deze dieren worden hier met niet minder zorg behandeld en verpleegd dan in Algerië. Maar ondanks hunne reputatie als ruiters, zitten deze inboorlingen toch niet stevig in den zadel: door den eigenaardigen vorm van den stijgbeugel kunnen zij hunne knieën niet goed gebruiken en moeten zich dus in evenwicht houden: van daar dat een val van het paard volstrekt geene zeldzaamheid is, vooral bij de groote bewegelijkheid der ruiters. Daar komt bij dat zij, ook te paard zittende, steeds een lans in de hand hebben, waardoor de kansen om een ongeluk te krijgen, aanmerkelijk vermeerderd worden. Onlangs was ik met twee opperhoofden uit den omtrek van Davao op de herten- en zwijnenjacht. Wij bevonden ons aan den zoom van een uitgestrekt, zacht golvend weiland, rondom door bosschen omgeven; achter ons waren eene menigte _sacopes_ en slaven bezig, met groot geschreeuw, het wild op te jagen en naar het weiland te drijven. Weldra schoot een hert uit het bosch te voorschijn; wij jagen het dier na, dwars door het hooge gras, dat een aantal kuilen en greppels voor hot oog verbergt; de inlandsche paarden weten met merkwaardig instinkt die gevaarlijke plekken te vermijden: zij voelen aan de weekheid van den bodem, dat een poel of greppel in de nabijheid is en springen er over heen. Ditmaal had een der paarden zijn sprong niet goed berekend en viel. De ruiter werd natuurlijk over den kop van het paard heen geslingerd, en kwam op zijne lans terecht, die ongelukkig in den grond was gedrongen, met de punt naar boven. Gelukkig was de wond niet doodelijk; door eene zorgvuldige behandeling mocht het mij gelukken, hem te genezen; maar de ongelukkige dato zal zijn leven lang eene belemmering in de ademhaling behouden en hij zal van de drijfjacht moeten afzien.

Men vindt in den omtrek van Davao verschillende inlandsche stammen, die zich zeer wezenlijk van elkander onderscheiden.

De Bisayas geven den naam van Atas aan de Negritos, die ik tot dusver nog enkel als slaven heb ontmoet, en ook aan andere stammen, die ten noordwesten van den Apó leven. Deze laatsten hebben betrekkelijk een vrij hoogen trap van beschaving bereikt en vormen een geordende maatschappij; zij zijn de eenigen, die zich met de Moros durven meten, aan wie zij een onverzoenlijken haat gezworen hebben; en hunne stoutmoedigheid wordt niet zelden met goeden uitslag bekroond.

De Tagabawas, die in zeden en levenswijze niet veel van de Atas verschillen, schijnen echter meer vredelievend en tot toenadering gezind. Hunne kleeding bepaalt zich in den regel tot het hoogst noodige; maar bij feestelijke gelegenheden behangen zij zich letterlijk met halskettingen en allerlei soort van sieraden.

De Guiangas, de Samals, de Tagacaolos en nog een paar andere, min of meer talrijke stammen, leven in halve barbaarschheid en voor een deel ook in onophoudelijke vijandschap, zoowel met de blanken, als vooral met de mohammedaansche Maleiers of Moros, die zich langs de kusten hebben gevestigd, en die ook geene gelegenheid laten voorbijgaan om de Infieles te bedriegen en op de meest schaamtelooze wijze te exploiteeren.

V

Beklimming van den vulkaan Apó.

October 1880.--Bij mijn terugkomst te Davao, verneem ik van den gouverneur Rajal, dat hij een onderhoud heeft gehad met den dato Mani, het opperhoofd van een der talrijkste en machtigste stammen, die de oostelijke hellingen van den vulkaan Apó bewonen, en den toegang tot den berg, die in hunne oogen eene heilige plaats is, zoowel aan de Spanjaarden als aan de Infieles ontzeggen. Deze dato Mani hield zich overtuigd, dat zijn gebied voor de Spanjaarden onbereikbaar was: die overtuiging was hoogst waarschijnlijk gegrond op den ongelukkigen afloop van enkele pogingen tot beklimming van den Apó. Maar daar hij voor Davao een zeer lastige nabuur was, nam de vorige gouverneur, op een zekeren morgen, twintig soldaten met zich en omsingelde Mani met zijn geheele kamp; hij onderwierp zich en verkreeg vergiffenis. De kommandant Rajal heeft nu van Mani stellige toezeggingen verkregen: de dato zal zich niet verzetten tegen de bestijging van den vulkaan; meer nog, hij zal zelf onze gids zijn en zal ook geen slaaf offeren om den toorn van zijn god te bezweren.

De vriendelijke gouverneur, die den tocht zoo spoedig mogelijk ondernemen wil, noodigt mij uit, hem te vergezellen; welke uitnoodiging ik met graagte aanneem. Met onze toebereidselen zijn wij spoedig gereed. Wij zullen eenige muchachos medenemen; de gouverneur zal zich bovendien doen vergezellen door acht soldaten, met remmington-geweren gewapend, die ons als geleide en tevens als dragers zullen dienen. Het komt er vooral op aan, zoo nauwkeurig mogelijk de hoogte te bepalen van den Apó, die nog nooit is bestegen geworden. De zoo bij uitnemendheid beleefde en hulpvaardige kommandant van het maritieme station van Davao, don Enrique de Ramos, is dadelijk bereid, mij zijne hulp te verleenen. Zes maal per dag, op bepaalde uren, zal hij den barometer, den thermometer en den hygrometer van het station raadplegen; van dezelfde instrumenten voorzien, zal ik gedurende de beklimming, zooveel mogelijk op dezelfde uren, mijnerzijds waarnemingen doen; uit de vergelijking onzer aanteekeningen zullen wij dan de hoogte trachten op te maken.

5 October.--Reeds den vorigen avond zijn de inlandsche soldaten, onder kommando van een europeeschen sergeant, over zee naar Sibulan vertrokken. Ten zes uren in den morgen stijgen wij te paard; de Apó, waarvan de top half door den morgennevel omsluierd is, verdwijnt weldra geheel uit ons oog, want wij bevinden ons in de dichte bosschen, die zich langs zijn voet uitstrekken en zijne hellingen bedekken.

Ons kleine gezelschap bestaat uit den eerwaarden pater Mateo Grisbert, aan de missie van Davao verbonden, uit de heeren don Ramon Lon y Al-bareda, tweeden luitenant bij de infanterie, don Ramon Cordero, don José Maria Campo, en don Rafael Martinez.

Na een vrij langen rit door het bosch, komen wij weder op het strand; het fijne, vochtige zand is eene uitkomst voor de paarden, die weldra in vliegenden galop voortstuiven. Omstreeks drie uren in den namiddag komen wij te Binogao, eene groote hut op het strand van Sibulan, waar wij onze soldaten vinden en den dato Mani, vergezeld van een honderdtal Bagobos te voet en te paard, allen gewapend met een bolo (kris) en eene lans. Mani beweert, dat hij om ons eer te bewijzen een zoo talrijk gevolg heeft medegebracht, en wij houden ons maar of wij hem gelooven. Na eene korte rust begeven wij ons op weg; wij keeren der zee den rug toe en beginnen den berg te beklimmen, daarbij het pad volgende, dat naar de rancheria van Mani voert, waar wij des avonds ten zeven uren aankomen.

Deze rancheria, die zeshonderd-dertien el boven de zee ligt, is zeer groot, en omringd door eenige kleinere hutten en door eene vrij groote uitgestrektheid bouwland: alles omsloten door het dichte woud. Al deze hutten zijn vrij hoog boven den grond verheven en rusten op stammen van boomachtige varens; de groote merkwaardigheid van deze rancheria is eene kleine smidse, voorzien van een aanbeeld, dat door de Infieles en Moros uit den omtrek met naijverige en begeerige blikken wordt aangezien; in deze smidse worden, ondanks de gebrekkige werktuigen, door de inlanders zeer goede bolos vervaardigd.

De vrouwen en de vader van Mani ontvangen ons boven aan de trap of ladder, die toegang geeft tot het adellijk kasteel. De vader van Mani, een meer dan tachtigjarige blinde grijsaard, houdt zich steeds vast aan zijne laatste vrouw, eene jonge Bagoba van veertien jaar.

Den volgenden morgen blijkt ons escorte van inlandsche lansiers met eenige manschappen verminderd, want de Infieles beginnen te begrijpen dat zij een gedeelte van onzen voorraad zullen hebben te dragen. Mani, schijnbaar zoo dienstvaardig mogelijk, stookt onder de hand zijn volk op, dat zij weigeren eenigen last te dragen. Toch is het noodig, dat wij althans eenige mondbehoeften medenemen. Dit gehaspel veroorzaakt vertraging, zoodat wij eerst tegen den middag vertrekken kunnen.

Nadat wij, niet zonder moeite, door eene diepe beek zijn getrokken, komen wij op eene vlakte, die met hooge boomen is begroeid, welke gaandeweg vervangen worden door groote bosschages van bamboe, waarvan de krachtvolle stengels eene hoogte bereiken van dertig tot veertig voet. Een tropische plasregen, van hevige windvlagen vergezeld, noodzaakt ons, gedurende eenigen tijd stil te houden; als wij onzen tocht hervatten, bevinden wij ons weldra aan den rand van een diep ravijn, waarvan de wanden loodrecht afdalen; zeer tot onze spijt, moeten wij hier van onze paarden afscheid nemen. De soldaten krijgen nog iets meer te dragen, en wij beginnen langs de steile, boschrijke helling af te dalen, tot wij eindelijk aan den oever komen van de rio Tagulaya, een breeden en diepen bergstroom, die nu, door de regens gezwollen, met onstuimig geweld door zijne nauwe bedding schiet.

Op zekere hoogte boven de rivier is een enkele bamboestengel van de eene rots naar de andere gespannen; de Bagobos gaan, met hunne bloote voeten, met het grootste gemak over deze meer dan eenvoudige brug; voor ons heeft dat meer moeite in. Aan de overzijde stuit de brug tegen een hoogen, gladden rotswand, waarlangs een liane gespannen is; ons aan die liane vastklemmende, klauteren wij met levensgevaar naar beneden, elk oogenblik dreigende in de bruisende wateren te storten van de Tagulaya, die dertig voet beneden ons, schuimend en kokend, zich een weg baant over en tusschen puntige rotsen. Het is mij onverklaarbaar, hoe onze soldaten, met hunne wapenen en onze bagage beladen, zonder ongeval beneden komen. Als wij eindelijk allen op eene smalle landtong zijn aangekomen, slaan wij daar ons bivouak op, tusschen de eerste boomachtige varens. De plek is wonderschoon; wij brengen daar een kalmen nacht door, in slaap gewiegd door het harmonisch geruisch der wateren.

7 October.--Ten zeven uren des morgens bevinden wij ons midden in de Tagulaya, die met groot gerucht door een bochtig dal stroomt; de oevers zijn loodrecht; wij zijn dus genoodzaakt de bedding der rivier te houden. Mani verzekert ons, dat wij spoedig een beteren weg zullen vinden; ik houd mij overtuigd dat de valsche dato, die niet durfde weigeren ons naar den vulkaan te geleiden, nu met opzet den tocht zoo bezwaarlijk mogelijk maakt, in de hoop ons daardoor af te schrikken. Vijf uren lang worstelen wij stroomopwaarts, te midden der schuimende wateren, telkens uitglijdende op de gladde rotsen; twaalf malen zijn wij genoodzaakt, dwars door woedende draaikolken, den ziedenden stroom te doorwaden om eene begaanbare plek te vinden; dikwijls reikt het koude water ons tot aan de schouders. Overigens is het landschap betooverend schoon: ter wederzijde stijgen tot eene hoogte van vijftig tot honderd el de donkere rotswanden omhoog, waarlangs kristallen watervallen naar beneden ruischen. Dichte gordijnen van lianen en orchideeën hangen tot op het water af, en verhullen zoo halverwege den ingang van ruime grotten en spelonken, die wij gaarne zouden onderzoeken, indien het mogelijk ware, op dezen weg te blijven stilstaan. Boven onze hoofden vormen de dooreengeweven takken van reusachtige varens en aurentaceën een dicht gewelf, waardoor de zonnestralen met moeite heendringen en de schoonste spelingen van licht en schaduw tooveren op de snelvlietende schuimende wateren. Onze Bagobos, alleen met een glanzend broekje gekleed, met de lans in de vuist, overal over de rotsen verspreid, vormen te midden van deze romantische omgeving, eene fantastische stoffage; waren we niet tot op het gebeente doorweekt, uitgeput van vermoeienis en gekneusd en gehavend, dan zouden wij kunnen meenen te droomen.

Wij verlaten eindelijk de bedding dezer beek, waarvan ik de ellende en de schoonheid niet licht vergeten zal; wij klauteren langs steile bergwanden omhoog en komen eindelijk, half dood van vermoeienis, omstreeks den middag, aan eenige hutten, door kleine maisvelden omringd: dat is de rancheria van Tagaydaya, die aan den dato Bitil behoort, een bondgenoot van Mani. De Bagobos van Tagaydaya hebben nog nooit Europeanen gezien; in den beginne schijnen zij zeer wantrouwend, maar allengs meer op hun gemak komende, geven zij ons volgaarne de weinige levensmiddelen die zij missen kunnen. Een mijner muchachos ruilt vijf kippen in tegen eenige glaskoralen, die niet meer dan vijftien centen waard zijn.

Den volgenden morgen was een onzer reisgezellen, waarschijnlijk ten gevolge van de inspanning van den vorigen dag, ongesteld; een hevige aanval van koorts belet hem, de reis te vervolgen. Ongelukkig laat het zich niet aanzien dat hij spoedig beter zal zijn; wij kunnen hier niet vertoeven en zijn dus genoodzaakt, den kranke te Tagaydaya achter te laten, met den noodigen voorraad chinine, onder de hoede van een zijner vrienden en van twee inlandsche soldaten.

Den negenden vervolgen wij onzen tocht, en beklimmen den berg Pupuq, die op eene hoogte van omstreeks duizend meters een uitgestrekt plateau vormt, dat met lianen en struikgewas is bedekt. De temperatuur van den grond wordt merkbaar hooger, en de lucht is vervuld met zwavelachtige dampen. Aan den voet van de noordelijke helling van den berg Pupuq ontspringt een der bronnen van de rio Tagulaya. Aan de overzijde van deze beek verandert de vegetatie eensklaps van karakter. De boomen en planten, die tot dusver den berg bedekken, maken plaats voor een woud van boomvarens, tusschen de tien en twintig ellen hoog; de stammen zijn, evenals de grond, geheel overdekt met een dichten mantel van mosch en klimop; de vochtigheid is buitengewoon, en overal, op den grond, op de bladeren, langs de stammen, vloeit en druppelt het water. Omstreeks twee uur in den namiddag begint de helling minder steil te worden, en betreden wij de bijna uitgedroogde bedding van een bergstroom, die na den regen eene opeenvolging van bruisende watervallen moet vormen. Gelukkig heeft de beek nu zoo goed als geen water; maar toch kost het geweldige inspanning, om de reusachtige steenblokken en steile rotsen te beklimmen, die ons telkens den weg versperren. De zwaar beladen soldaten kunnen bijna niet meer voort; een hunner zinkt, aan den rand van den afgrond, bewusteloos neer, met alle verschijnselen van dreigende verlamming der longen; met groote moeite sleepen wij hem voort tot aan de plaats, waar wij ons bivouak willen opslaan, op eene hoogte van 2229 meter. Wij bevinden ons te midden van lage varens, waarvan het water afdruipt; dit is te onaangenamer, daar gedurende den nacht mijn minimumthermometer tot 8° boven nul daalt.

