Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886
Part 5
Na opnieuw eene beek te hebben doorwaad, komen wij in een groot weiland, waar wij met geregelde tusschenpoozen geweerschoten hooren knallen. Wij bevinden ons op het schietterrein van den sultan, die steeds zijn namiddagen doorbrengt met het kijken naar schijfschieten; het paleis, een uitgestrekt, maar uiterst landelijk gebouw, van bamboe en riet opgetrokken, verrijst tegenover ons; ter linkerhand wordt het weiland begrensd door eene diepe beek; aan de overzijde van die beek ligt het dorp Maïbun, dat zich tot aan de zee uitstrekt. Wij stijgen van onze paarden en begeven ons naar Mohammed Yamaloel Alam. De sultan, door zijne hovelingen omringd, zit in een prachtigen leuningstoel, onder eene vrij armzalige kiosk van nipa. Naast hem staat zijn zoon, Brahamuddin, die er verstandig en slim uitziet. De sultan en de prins zijn beiden op het rijkst uitgedost in prachtgewaden van chineesch satijn; hunne krissen en ringen schitteren van edelgesteenten. De heeren van het hof zijn veel eenvoudiger gekleed; maar hunne krissen, waarvan de fijn geciseleerde greep met paarlen, diamanten en robijnen is versierd, zijn niet minder prachtig. Deze heeren zagen ons met niet zeer vriendelijke blikken aan; de sultan bewaart eene kalme waardigheid en beantwoordt welwillend onzen groet; op zijn bevel worden stoelen voor ons gebracht; wij zetten ons neder en de hovelingen gaan voort met schieten.
De sultan zelf schiet nooit: hij beoordeelt alleen het schot der anderen. Men gebruikt oude geweren, van Borneo afkomstig, zeer rijk versierd en vreeselijk zwaar, en die bovendien in niet al te besten staat verkeeren. Twee slaven laden de geweren en leggen die vervolgens op een soort van vorken, die in den grond gestoken worden. Ik knoop een gesprek aan met den sultan, die zeer goed maleisch spreekt, en zich in die taal met gemak en sierlijkheid uitdrukt. Hij verontschuldigt zich, dat hij wegens ongesteldheid niet op mijnen brief heeft geantwoord; de ware reden is, dat hij dien brief niet heeft kunnen lezen, want ik had, volgens maleisch gebruik, zonder accenten geschreven: de arabische letters, waarvan de Soeloeneezen zich bedienen, vereischen echter noodwendig accenten, die de Maleiers nooit gebruiken.
De avond valt, en de sultan keert naar het paleis terug, waarheen hij ons uitnoodigt hem te volgen.
De buitengewoon groote hut, die den weidschen naam van paleis draagt, rust, als alle woningen op deze eilanden, op palen, waaraan buffels en paarden zijn vastgebonden, die in een stinkenden mestpoel staan. Men klimt langs een ladder naar het paleis; gaat dan een soort van vestibule door, en treedt vervolgens de audiëntiezaal binnen, die de geheele lengte en de halve breedte van het gebouw inneemt. Ter linkerzijde wordt deze zaal van den harem gescheiden door gordijnen en eene breede estrade van bamboe; rechts loopt langs den wand eene bank, waarvoor de slaven neerhurken en ook alle Soeloeneezen, die wenschen binnen te treden: want op dit uur staat het paleis voor ieder open, en kan ieder, slaven zoowel als vrijen, voor den sultan verschijnen en hem zijne belangen voordragen.
De plankenvloer is doorzichtig; het ameublement schittert door zijne afwezigheid; langs de wanden hangen eenige gongs; ettelijke bougies, op glazen kandelaars geplaatst, verspreiden een vrij voldoend licht. Op den achtergrond, onder een troonhemel van veelkleurig katoen, staat de troon, of liever bevindt zich de estrade, waarop de sultan plaats neemt; hij zit op turksche wijze en leunt tegen prachtig geborduurde kussens. De vermoedelijke troonopvolger zet zich nevens hem; een weinig meer achterwaarts zit een _hadji,_ een pandita uit Afghanistan, die, na velerlei lotgevallen, eindelijk aan het hof van Soeloe is terecht gekomen; hij is de vertrouwde raadsman van den sultan. De datos staan in de nabijheid van den troon, de rechterhand geleund op den greep van hun kris.
Men brengt voor ons leuningstoelen en eene tafel; men presenteert ons eerst zeer slechte chocolade, en kort daarna verschillende gerechten met fijne, maar brandend heete sausen en specerijen toebereid.
De etiquette van het hof is niet zeer streng. Iedereen, de sultan daaronder begrepen, rookt of kauwt betel; de bedienden, de vrouwen loopen heen en weer, en buigen zich over ons heen om ons te zien eten. Maar, wanneer men tot den sultan het woord richt, geschiedt dat toch op een toon van diepen eerbied; wie hem het een of ander aanbiedt, doet dat steeds met beide handen en in gebogen houding, als bracht men een offer.
Toen onze maaltijd was afgeloopen, schorste de sultan de behandeling van staatszaken en knoopte een gesprek met ons aan. Hij is bereid, zich te laten photografeeren; er wordt bepaald, dat wij met dat doel over eenige dagen zullen terugkomen, en dat wij dan in een der huizen van den sultan te Maïbun zullen logeeren; op ons verzoek om ons een escorte te geven naar het meer van Panamaut, dat uit een zoölogisch oogpunt zeer merkwaardig moet zijn, volgt eene beleefde, maar stellige weigering. De sultan is beducht voor alles wat zijne rust zou kunnen verstoren. Hij geeft vrij duidelijk te kennen, dat hij ons gaarne overal in zijne staten zou laten rondtrekken; maar dat hij onmogelijk voor onze veiligheid kan instaan, tenzij hij ons een leger als escorte medegaf. Hij wenscht zich niet bloot te stellen aan de onaangename gevolgen, die het voor hem zou kunnen hebben, indien ons een ongeluk overkwam.--Wij blijven, te midden van den sigarendamp, lang met den sultan praten, die ons allerlei inlichtingen vraagt omtrent den toestand en de wederzijdsche machtsverhoudingen van de verschillende europeesche staten, met name van Spanje. Hij heeft een eigen stoomboot, die geregeld tusschen Maïbun, Laboean en Singapore vaart; maar toch schijnt hij niet op de gedachte te komen, om zich engelsche en spaansche dagbladen te verschaffen, die hij toch gemakkelijk zou kunnen laten vertalen, hetzij door personen aan boord van zijne boot, hetzij door weggeloopen inlandsche soldaten of kettinggangers, die hij in het geheim aan zijn hof ontvangt.
De sultan maakt dus zeer gaarne van de vrij zeldzame gelegenheid gebruik, om europeesche reizigers te ondervragen. Zijne vragen getuigen overigens van nadenken en verstand. Hij tracht zich op de hoogte te stellen van de militaire hulpmiddelen, vooral van de zeemacht van iederen staat, en verzoekt mij telkens de cijfers te herhalen van de manschappen, schepen en kanonnen, die hij maar niet schijnt te kunnen onthouden. Verder vroeg hij naar allerlei bijzonderheden omtrent de reis van den Shah van Perzië naar Europa, waarin hij zeer veel belang scheen te stellen. Om deze vragen van den sultan niet onbeantwoord te laten, moest ik de toevlucht nemen tot mijne fantazie, ten einde aan te vullen wat mij aan juiste wetenschap ontbrak. Weer kwam toen het gesprek op de legers en vloten der europeesche staten, en ten slotte ook op de regeeringsvormen: ik beproefde evenwel geene poging om den sultan eenig begrip te geven van de tegenwoordige staatsinrichting van Frankrijk.
Dit gesprek duurde zeer lang: Rey en ik konden bijna de oogen niet meer openhouden. De sultan bespeurde het, en noodigde ons uit, te gaan slapen, terwijl hij nog voortging met audiëntie te verleenen. Wij haastten ons aan die uitnoodiging gevolg te geven, en strekten ons uit op eene met matten belegde estrade tusschen den troon en den harem. Weldra sliepen wij in, ondanks het aanhoudend gepraat; maar in den loop van den nacht werden wij zeker tienmaal gewekt door eene slavin, die, op haar teenen loopende, op een boven onze hoofden hangenden gong kwam slaan. Zoodra zij dit gedaan had, trok zij zich haastig in den harem terug; bij het oplichten van het gordijn, zagen wij, bij het wemelend licht van eenige walmende lampen een aantal vrouwen en kinderen, te midden van een verwarden rommel van kistjes, koffers en kussens.
In gezelschap van onzen vriendelijken gids brengen wij ook een bezoek aan het dorp Maïbun, waarvan de op palen gebouwde hutten zoowel uit- als inwendig zich onderscheiden door verregaande onreinheid. Midden in zee, op hooge palen rustende, verheffen zich de ruime magazijnen van de chineesche kooplieden, die den geheelen in- en uitvoerhandel van Maïbun in handen hebben. Deze handel is belangrijk: de uitvoer beslaat uit pareloesters (_montiara_, _tipay_), die wel zelden parelen bevatten, maar waarvan de schelpen het zeer gewaardeerde parelmoer opleveren; voorts uit gutta-pertsja en verschillende soorten van hars, _trepang_, koffie en andere gewassen. Het voornaamste invoerartikel is gekleurd katoen, dat door de duitsche huizen te Singapore wordt geleverd. De duitsche fabrikanten weten de door de Maleiers meest geliefde kleuren en patronen vrij goed na te bootsen; de inlandsche stoffen, die met groote zorg uit de hand bewerkt worden, winnen het natuurlijk zeer verre in kwaliteit; maar de geringe prijs van het fabriekwerk maakt dat dit, jammer en schande genoeg! overal aftrek vindt. De Chineezen te Maïbun voeren ook wapenen, ammunitie, krissen en staal in. Ook wordt er een levendige handel in slaven gedreven.
Terwijl onze gids zijne zaken afdoet met een chineesch koopman, is de vrouw van den koopman, eene Maleische van het zuiverste ras, bezig met het borduren van een prachtigen tulband: het werk is een waar kunststuk, maar vordert zeer langzaam. Zoowat om de vijf minuten roept de borduurster eene slavin, die haar eene aangestoken cigarette brengt en een klein kind, dat zij telkens de borst geeft. Is de cigarette uitgerookt, dan neemt zij de naald weer ter hand, steeds betel kauwende. De slavin rookt en pruimt afwisselend. Dit is de gewone manier van leven der soeloeneesche vrouwen van den gegoeden stand.
In het paleis teruggekeerd, worden wij door den sultan ontvangen, die ons tegen den volgenden maandag ontbiedt voor het maken van zijn portret, en die den gevangene van den heer Schuck ter dood veroordeelt. Wij stijgen te paard en keeren naar Tianggi, zoo als de eilanders de spaansche stad noemen, terug.
Ik weet niet wat er van den ongelukkigen veroordeelde is geworden; heeft hij de doodstraf moeten ondergaan, dan is het voor hem toch maar beter geweest dat hij niet te Maïbun is terecht gesteld. De strafbepalingen van den Korân worden hier zelden toegepast, maar de strafwet van Soeloe is vooral niet minder streng: eigenlijk kent zij maar ééne straf, de doodstraf. En hoe wordt die voltrokken? Nu eens dient de veroordeelde, aan een paal vastgebonden, tot schietschijf voor de hovelingen; dan weer beproeft een dato zijn revolver op hem; een ander maal wordt hij aan een boom gebonden, en heeft ieder Soeloenees het recht, hem met zijn kris een steek toe te brengen, zoodat de rampzalige letterlijk gekorven wordt.
Een paar dagen later vertrokken de heer Rey en ik op nieuw naar Maïbun, om het portret van den sultan te maken. Wij bevonden dat daar inderdaad eene vrij groote hut tot onze beschikking was gesteld; deze hut was nieuw en dus tamelijk zindelijk, maar zij bevatte hoegenaamd niets dan een ledigen ketel, benevens een ouden slaaf die ons bedienen moest. Maar wij hebben levensmiddelen medegebracht; wij maken onzen maaltijd gereed en strekken ons op den planken vloer uit om te slapen.
Den volgenden morgen ontvingen wij het bezoek van een dato, een aanzienlijk heer, die ons uit naam van den sultan kwam begroeten. Op zijne onbeschaamde vraag, of wij ook nog iets noodig hadden, gaven wij maar geen antwoord, ten einde geene onaangenaamheden uit te lokken.--Wij begeven ons naar het paleis, waar de sultan ons vriendelijk ontvangt. Echter is hij blijkbaar niet op zijn gemak; vermoedelijk heeft men hem allerlei dingen wijsgemaakt ten aanzien van zijn portret. Zijne omgeving slaat ons met onverholen achterdocht gade, ongeveer op de manier van een hond, die een verdacht bezoeker bij zijn meester aantreft. Echter verzoekt Mohammed ons, den volgenden dag terug te komen; in den morgen zullen wij onzen toestel gereed maken, en 's namiddags het portret van Zijne Hoogheid photografeeren.
Den volgenden dag laat de sultan weten dat hij ongesteld is en ons niet ontvangen kan. Wij worden onophoudelijk lastig gevallen door allerlei bezoekers, die ons de ongerijmdste vragen doen, en ons duidelijk te kennen geven, dat zij ons voor toovenaars houden, die onder voorwendsel van, langs onnatuurlijken weg, het portret van den sultan te maken, hem willen dooden, of althans zijne beeltenis wegvoeren.--Zoo gaan een paar dagen voorbij, en nog steeds blijft de sultan opgesloten in zijn harem. Eindelijk maken wij ons gereed om te vertrekken, en laten de loods afbreken, die wij voor het paleis hadden opgeslagen; eensklaps verschijnt nu de prins Brahamuddin, half naakt, en bidt ons niet heen te gaan, daar zijn vader ons den volgenden dag zal ontvangen.
Dien dag verschijnt de sultan dan ook, bleek, maar prachtig gekleed, omringd door al de heeren van zijn hof, wier kleederen en wapenen schitteren en vonkelen in de zonnestralen. De toestel wordt in gereedheid gebracht, de afstand bepaald; maar op het noodlottig oogenblik treedt de sultan terug en stelt zijn zoon in zijne plaats. Eene doodsche stilte heerscht in het ronde. De toestel wordt geopend en gesloten; en na verloop van eenige oogenblikken, kan ik het welgeslaagde portret van den prins aan den verbaasde omstanders vertoonen. De sultan is nu buiten zich zelven van verrukking; hij legt zijn hovelingen het zwijgen op, en laat zich in verschillende houdingen, zittende, staande, alleen en door anderen omgeven, photografeeren; hij zou nu wel iedereen willen nopen, zijn portret te laten maken.
Den 18_den_ Januari 1880 namen wij afscheid van al onze vrienden op Soeloe, en gingen aan boord van de _Royalist_, die ons naar Sandakan, op de noordoost kust van Borneo, moet brengen.
IV
De baai van Sandakan.--De haven van Davao.
20 Januari 1880.--het is onstuimig weer; de zee gaat hoog, en een koude regen onttrekt aan ons oog de eilanden en riffen van den archipel van Tawi-Tawi, die zich tusschen Soeloe en Borneo, van het noordoosten naar het zuidwesten uitstrekt, en de zee van Mindoro van die van Celebes scheidt. Tegen tien uren des avonds werpen wij het anker uit in de baai van Soendakan, voor Elok Poera, hetgeen in het maleisch zooveel beteekent als de schoone stad.
Zes maanden geleden stond er nog geene enkele hut op deze heuvelen, voor welke nu waarschijnlijk eene schitterende toekomst is weggelegd: Elok Poera is tegenwoordig de hoofdplaats van de _North British Borneo Company_, die van de sultans van Soeloe en Broenei een grondgebied van veertigduizend vierkante mijlen in het noorden van Borneo, in vollen eigendom en met afstand van alle souvereiniteitsrechten, ontvangen heeft.
De resident (directeur der Compagnie), de heer W. B. Pryer, ontvangt ons met de grootste beleefdheid en dringt er op aan, dat wij onzen intrek in zijne woning zullen nemen; zelf een entomoloog van naam, beschouwt hij ons als collega's. Daar in zijn huis nog gewerkt wordt, slaan wij zijn vriendelijk aanbod af; hij stelt daarop de nieuwste hut van Elok Poera tot onze beschikking.
Nadat wij eenige dagen hadden doorgebracht met het maken van uitstapjes in de omstreken van Elok Poera, vertrok ik naar de rivier de Sagalioed, die zich in de golf van Sanbakan uitstort, achter Hadji Poeloe. Ik wensch een bezoek te brengen aan de Buled Upih, een inlandschen stam, die uit een anthropologisch oogpunt bijzonder de aandacht verdient. Des avonds werpen wij het anker uit bij het dorp Timban, dat door uitgewekenen uit Soeloe wordt bewoond.
Den zevenden Februari ging ik des morgens ten half zes op weg. De kust daalt; de onzekere lijn van het strand, de toenemende menigte wortelboomen _acicenna alba_, die het hoog opgaande hout vervangen, alles kondigt aan dat wij de monding van de Sagalioed naderen. Omstreeks half tien liep ik, bij lage zee, de monding binnen, die door eene bank wordt versperd, waardoor een smal ondiep kanaal loopt. Aan de andere zijde der bank bedraagt de diepte tusschen de vijf en zeven el. De oevers zijn laag en geheel begroeid met riet en wortelboomen, die langzamerhand plaats maken voor nipa. Eene menigte beken storten zich hier in de Sagalioed uit; en nadat mijn gids naar alle kanten heeft rondgekeken, verklaart hij niet te weten, welke van al die wateren de eigenlijke rivier is. Het grootste gedeelte van den dag gaat voorbij met zoeken en opsporen, alles onder de stralen eener brandende zon. Eindelijk, in den namiddag, gelukte het ons, uit te maken welke de rivier is en haar juisten loop te bepalen. De nipa-palmen maken nu weldra op hunne beurt plaats voor de hooge stammen en prachtige boomen van het tropische oerwoud. Door den vloed geholpen, varen wij nu verder tusschen twee hooge levende muren van ondoordringbaar gebladerte, waartusschen de Sagalioed hare wateren voortstuwt, als in eene diepe kloof. Zelfs mijne roeiers zijn blijkbaar onder den indruk van de overweldigende majesteit dezer heerlijke trotsche natuur. Van tijd tot tijd wordt de plechtige stilte dezer eenzaamheid verbroken door ruwe kreten en gebrul. De takken en twijgen langs den oever worden eensklaps door eene onzichtbare oorzaak in eene golvende beweging gebracht; wij hooren het kraken van gebroken takken, van gescheurde lianen, een geruisch van bladeren: dan sterft het geluid langzaam weg en verliest zich in de verte. Behalve een aantal herten en wilde zwijnen, vindt men in deze bosschen ook olifanten, rhinocerossen, orang-oetans en eene groote menigte andere apen. Vergeefs tracht ik er nu en dan een te treffen: het dicht gordijn van takken en gebladerte schudt en ruischt, maar schijnt zelfs voor kogels ondoordringbaar: althans het blijkt niet, dat mijn schot werkelijk getroffen heeft.
Den volgenden morgen kwam ik te Sagalioed, het armzalige dorp van de Buled Upih, die mij vriendelijk on welwillend ontvangen. Deze Buled Upih, wier gelaatstrekken bijna den europeeschen type vertoonen, hebben, volgens mijne waarnemingen, eene gemiddelde lengte van 1.583 meter; hunne kleur is betrekkelijk licht. Zij zijn onverschrokken jagers, en hoewel slechts gewapend met slechte versleten geweren, tasten zij zelfs olifanten en rhinocerossen aan.
Nadat ik zoo ver mogelijk den loop der rivier had gevolgd en de vereischte opmetingen gedaan, waarmede een tiental dagen gemoeid waren, keerde ik naar Elok Poera terug, waar ik den heer Rey vond, die eene mooie collectie had bijeengebracht, welke eerlang nog zal verrijkt worden.
Wij bevinden ons in landstreken, waar krokodillen in menigte huizen: oppervlakkig zou men zeggen dat wij reeds herhaaldelijk met die dieren in aanraking moesten zijn gekomen, maar toch hebben wij er nog geen enkel gezien. Alle Europeanen, met wie ik daarover spreek en aan wie ik mijne verwondering te kennen geef, verklaren dat zij niet gelukkiger zijn geweest dan wij. Thans zal deze ledige plaats in onze verzameling worden aangevuld. Vier Soeloeneezen brengen ons een levenden jongen krokodil, dien zij stevig gebonden hebben, zoodat hij zich niet roeren kan. Het komt er nu op aan, het dier met de noodige voorzorg te villen, zonder het geraamte te beschadigen. Daar ik nog altijd lijdende ben ten gevolge van de beten der bloedzuigers in de bosschen van de Sagalioed, draag ik die gewichtige taak op aan mijn muchacho (jongen) Juan, die minder dan ik door deze afschuwelijke dieren is gehavend. Juan, die mij dikwijls bij onze werkzaamheden geholpen heeft, maar nog nooit zelf eene operatie heeft verricht, toont zich zeer vereerd door het in hem gestelde vertrouwen, en tijgt met grooten ijver aan den arbeid. Hij installeert zich met zijn kameraad, den muchacho van den heer Rey, op zijn gemak onder de veranda; bindt den krokodil op eene plank, en worgt hem met den klassieken strop; vervolgens maakt hij met vaste hand eene insnijding in het vel van het borstbeen. Op het eigen oogenblik doet een verschrikkelijk leven mij van mijne mat opspringen. Juan en de muchacho van den heer Rey liggen achterover op den grond, te midden van planken, instrumenten en kisten; alles is in volslagen verwarring. De krokodil was niet dood: zoodra hij het skalpeermes voelde, verbrak hij zijn boeien en sprong over de balustrade van de veranda. Ik zag hoe hij zich over boomstammen heen, dwars door de struiken, naar de rivier spoedde. In Elok Poera, aan den voet van onzen heuvel gelegen, heeft men dit drama gezien: aanstonds worden alle deuren gesloten, en de anders op dit uur zoo drukke straat van het stedeke is in een oogenblik ledig. Beschaamd en woedend over zijne mislukte operatie, snelt Juan den vluchteling na: hij haalt den krokodil in, grijpt hem bij den staart en weet hem op den rug te wentelen, zoodat hij zich niet meer verdedigen kan. Mijn muchacho nam nu beter voorzorg, en het duurde niet lang, of het skelet van den krokodil prijkte in onze collectie.
Evenals Juan, lijd ook ik aan koorts en aan de gevolgen van de beten der bloedzuigers; ik moet dan ook in mijne hut blijven. De meeste nachten breng ik slapeloos door, luisterende naar de niet onwelluidende muziek van den koeling-tangang (een maleisch orkest), die, ter gelegenheid van ik weet niet welk inlandsch feest, zich elken avond laat hooren. Met ongeduld verwachten wij de komst van een vaartuig, dat ons uit onze gevangenschap verlossen zal; die verwachting is aanvankelijk vergeefsch, tot eindelijk, door een gelukkig toeval, de _Kerguelen_, een kruiser behoorende tot ons eskader in de Chineesche-zee, op de reede het anker laat vallen. De gezagvoerder, de kapitein Mathieu, heeft de beleefdheid, om onzentwil van zijn voorgeschreven weg af te wijken, en ons naar Soeloe terug te brengen.
Wij moeten eene maand te Soeloe blijven, in afwachting van eene gelegenheid om naar het zuid-oosten van Mindanao te vertrekken. Ik ben al dien tijd genoodzaakt, het bed te houden; ik mag niet nalaten, met innigen dank melding te maken van de hartelijke zorgen en toewijding van den heer Rey en van den uitnemenden spaanschen officier van gezondheid, don Manuel Rabadan, die zich een waar vriend toonde. Zoo als trouwens altijd, kan ik niet dan met den meesten lof gewagen van de voorkomende vriendelijkheid en hulpvaardigheid van alle Spanjaarden.
Den zesden April gingen wij aan boord van de _Pasig_, waarvan de kommandant, don José Zavala, ons reeds van vroeger zeer gunstig bekend was. De eerste dien wij aan boord ontmoeten, is de bataillonskommandant don Joaquim Rajal y Larre, onlangs tot gouverneur van de provincie Davao, in het zuid-oosten van Mindanao, benoemd; hij geeft ons aanstonds de verzekering dat hij alles zal doen wat in zijn vermogen is, om ons in de vervulling onzer taak behulpzaam te zijn en onze nasporingen te vergemakkelijken.
Mindanao is, na Luçon, het grootste eiland van de Philippijnen; de oppervlakte wordt geschat op 94,400 vierkante mijlen. Ten noorden ligt Mindanao tegenover de Bisayas-eilanden; ten westen wordt het begrensd door de zee van Mindoro, en ten oosten door den Stillen-oceaan. De zuidkust, door de zee van Mindoro bespoeld, is rijk aan diepe baaien of inhammen: onder anderen de baai Illana, de geliefde verblijf- en schuilplaats van de zeeschuimers, wier voornaamste nederzetting de Rio Grande beheerschte.
Het eiland wordt bestuurd door een gouverneur-generaal, die den rang bekleedt van brigadier--een militaire rang tusschen dien van kolonel en van veldmaarschalk--en te Zamboanga resideert; het is verdeeld in vier provinciën of afzonderlijke gouvernementen, Cottabato en Davao in het zuiden, Misamis en Suragao in het noorden. Alleen de kusten zijn bekend, hoewel de hydrografische kaarten van deze streken, voor het meerendeel, nog veel te wenschen overlaten. De hydrografische commissie van de Philippijnen houdt zich nu juist onledig met de opneming van dat gedeelte der kust van het eiland, dat in den laatsten tijd nog niet bestudeerd was geworden.