# Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-reis-naar-de-philippijnen-de-aarde-en-haar-volken-1886-13236/index.md

Het stuk eindigt met de bekeering van den prins van Toskane en zijn huwelijk met de prinses.--Het is middernacht, en deze eerste feestdag zal, als naar gewoonte, besloten worden met eene _catapusan_, een woord, dat in het dialekt der Bicols, zoowel slot als bal beteekent. Maar heden avond zullen er minstens een half dozijn bals gegeven worden bij den gobernadorcillo en de voornaamste _cabezas_ van den pueblo. Dans en spel zullen tot laat in den nacht voortduren; vooral het noodlottig spel, dat zoo vaak tot ongeregeldheden en ongelukken aanleiding geeft, en dat dan ook de eenige keerzijde is van dit recht prettige feest, waaraan de gansche bevolking met de grootste opgewondenheid deel nam, en waarbij toch niets voorviel, dat de tusschenkomst der overheid noodig maakte.

Den zes-en-twintigsten October waren wij weder te Manilla. Den vijfden November gingen wij aan boord van de _Pasig_, die ons naar het zuiden moet brengen. Wij hadden op deze vaart met ruw weer en tegenwind te worstelen, waardoor onze reis niet onbelangrijke vertraging ondervond. Eerst den vijftienden November, des avonds ten zes uren, worpen wij het anker uit op de reede van de kleine, eerst voor korten tijd gestichte spaansche stad op de noordwestkust van het eiland Soeloe.

Soeloe, als centrum van den handel van belang, heeft niet minder beteekenis uit een politiek en vooral uit een godsdienstig oogpunt: men zou het in zekeren zin het Mekka van het uiterste Oosten kunnen noemen. Het sultanaat van Soeloe is een der oudste mohammedaansche staten in het noordelijk gedeelte van den Maleischen archipel; ondanks veelvuldigen strijd, gevaren van allerlei aard en vaak dreigenden ondergang, heeft dit rijk zich tot heden weten staande te houden. De staatsinrichting is tegenwoordig nog dezelfde als vroeger; het eigenlijke gezag is in handen eener oligarchie van _dalos_ (feodale baronnen), boven wie de sultan staat, wiens macht over de vasallen, naar omstandigheden, meer of minder groot is. De eilanders leggen zich op handel, maar vooral niet minder op zeerooverij toe: welk laatste bedrijf hen herhaaldelijk in botsing bracht hetzij met de Spanjaarden, hetzij met de Hollanders. Zeeroovers in merg en been, bezochten deze eilanders telkens en telkens de kusten der Bisayas-eilanden, verwoestten de pueblos en voerden de inlanders als slaven weg. Nog niet lang geleden, had professor Semper, die zich in het noordoosten van Mindanao bevond, het slechts aan een gelukkig toeval te danken, dat hij niet door de zeeroovers werd opgelicht.

Herhaalde malen had Spanje expedities naar Soeloe gezonden; bijna altijd keerden zij terug, na een aantal gevangenen te hebben bevrijd, den vijand verslagen en den sultan gedwongen, een traktaat van vrede en vriendschap te onderteekenen. Als hunne dorpen in brand waren gestoken en hunne prauwen vernield, waren de datos, onder de bedreiging der spaansche kanonnen, steeds gereed aan de eischen van den overwinnaar toe te geven en onder eede alles te beloven wat van hen gevraagd werd. Maar traktaten, beloften en eeden werden aanstonds weer geschonden, zoodra het gevaar geweken was. In deze met klippen en riffen bezaaide zeeën, waarvan nog geene goede kaarten bestaan, en waar de europeesche kruisers in hunne bewegingen belemmerd worden door de regelmatige passaatwinden, hebben de lichte prauwen, die zich zoowel van zeilen als van roeiriemen bedienen, een groot voordeel. Zoodra de Spanjaarden vertrokken waren, begon de zeerooverij op nieuw, met al den ijver van eene industrie, die geleden verliezen moet trachten in te halen. De sultans schenen, reeds sedert eenigen tijd, de meerderheid van Spanje te gevoelen en te beseffen aan welke gevaren dit handhaven van den zeeroof hen en het land blootstelde. Vermoedelijk zouden zij, hadde het in hun macht gestaan, de bezworen traktaten getrouwer zijn nagekomen: maar het stond juist niet in hunne macht. Hun gezag strekte niet veel verder, dan de heffing van een derde van den buit door hunne onderdanen behaald, eene schatting, waaraan allen zich zonder tegenspraak onderwierpen; het was hun evenwel onmogelijk, de talrijke schaar van datos op de honderd-vijftig eilanden en eilandjes, tot het sultanaat behoorende, behoorlijk in bedwang te houden; bovendien rustte het gezag van den sultan in de eerste plaats op de godsdienst, en het voegde hem, als hoofd van een mohammedaanschen staat, al zeer slecht, de rol op zich te nemen van beschermer der katholieke bevolking van de Philippijnen. Deze geduchte alleenheerschers moesten metterdaad buigen voor den wil van hunne vasallen; zij waren wel genoodzaakt, de voortdurende geweldenarijen en plundertochten van de oppermachtige datos door de vingers te zien, al konden zij zich ook niet ontveinzen, welke daarvan in het eind de noodlottige gevolgen moesten zijn.

Den negen-en-twintigsten Februari 1876 verscheen het spaansche leger, dat zeven dagen te voren bij Paticolo was ontscheept, voor de wallen van Tianggi. Het eskader lag op de reede. Des avonds wapperde de spaansche vlag op de veroverde bolwerken, en werd de stad, door haar verdedigers verlaten, aan de vlammen prijs gegeven.

Van deze oude stad, die door het bombardement werd vernield, is tegenwoordig geen spoor meer over. De spaansche genie-officieren hebben de heuvelen achter de oude stad gedeeltelijk afgegraven, daarmede de moerassen en poelen gedempt, en door aanplemping van een gedeelte der zee een terrein gewonnen, waarop zich aan den voet van boschrijke bergen ter hoogte van zeven- tot achthonderd el, de nieuwe stad verheft, die nog wel klein is, maar toch neiging toont om zich uit te breiden.

Al deze werken van de genie werden door inlandsche veroordeelden uitgevoerd, die tot drie kategoriën behooren: de veroordeelde militairen, die strafkompagnieën vormen en militaire dienst verrichten, terwijl zij tevens gebruikt worden voor verschillende werken; de _deportados_, die krachtens maatregelen van het administratief gezag hunne vrijheid verloren hebben; en de _presidiarios_, de eigenlijke galeiboeven of kettinggangers.

Het garnizoen is ongeveer vijfhonderd man sterk en bestaat uit inlandsche genie- en infanteriesoldaten; de officieren zijn bijna zonder uitzondering Spanjaarden.

Toen wij te Soeloe aan land stapten, was het gansch niet gemakkelijk, in de nog zoo jeugdige stad, die nog in de eerste periode harer ontwikkeling verkeerde, een onderkomen te vinden. Eindelijk gelukte dit toch, dank zij de welwillende tusschenkomst van den kolonel don Lopez Ventura Nuño, waarnemend gouverneur, en de eerwaarde paters Frederico Vila en Juan Carreras, aalmoezeniers van het garnizoen. De half bebouwde straten zijn buitengewoon druk en levendig; de winkels van de chineesche kooplui zijn opgevuld met nieuwsgierigen, die komen hooren of er ook tijdingen zijn; en bij elken voetstap ontmoet men schildwachten met geladen geweren.

Men verwacht de _juramentados_.

De sultan van Soeloe heeft het spaansche protektoraat erkend; misschien geeft hij wel aan het rustige en gemakkelijke leven, dat hij thans geniet, de voorkeur boven eene souvereiniteit, die niet veel meer dan in naam bestond en hem telkens werd betwist. Maar de datos, die daardoor vrij wat meer in hunne belangen worden gekrenkt, kunnen bezwaarlijk vrede hebben met een gezag, dat een einde maakte aan de zeerooverij en hen daardoor van een zeer voornaam deel hunner inkomsten beroofde. Hunne ontevredenheid en hun verzet vindt een machtigen steun bij de _panditas_, (mohammedaansche priesters), die natuurlijk de verklaarde vijanden zijn van Spanje en van de katholieke missionarissen. De datos kunnen dus niet besluiten, zich aan het spaansche oppergezag te onderwerpen, en zij ontzien geen middel om daartegen in verzet te komen. Zij kunnen daarbij rekenen op hunne onderhoorigen, onrustig en krijgshaftig van aard, en daarbij van alle tijden gewoon, onvoorwaardelijk aan de bevelen hunner hoofden te gehoorzamen. De oude wetten van Soeloe begunstigen daarenboven zeer de aanwerving van mannen, die tot alles bereid zijn. Volgens de wet toch behoort de schuldenaar, die niet aan zijne verplichtingen voldoen kan, met zijne geheele familie, als slaaf aan den schuldeischer; en de zorgelooze onnadenkendheid van deze Maleiers is zoo groot, dat het niet veel moeite kost, hen schulden te laten aangaan, die zij nimmer zullen kunnen afbetalen. De ongelukkige schuldenaar is nu zijne vrijheid kwijt; zijne familie kan, zoo de meester dat wil, wijd en zijd verstrooid worden. Dikwijls wordt hem dan de gelegenheid geboden, om zijne familie los te koopen, door, met opoffering meestal van zijn eigen leven, zoo veel Christenen te dooden als hij kan. De schuldenaar neemt dat aanbod aan; hij verbindt zich bij plechtigen eed, en wordt nu _sabil_ of _juramentado_.

De juramentados weten zeer goed, dat ook als het hun gelukt, bij verrassing in de spaansche stad door te dringen, alle kans op een veiligen terugtocht voor hen verloren is. Er bevinden zich altijd op de reede eenige adviesjachten en kanonneerbooten; en op het eerste sein, begeeft zich de bemanning naar den wal. Aan de landzijde wordt de toegang verdedigd door een toren en twee forten, die eene hooge en stevige palissade bestrijken, waarvan de zeer weinige poorten zorgvuldig worden bewaakt; bovendien zijn nog langs de palissade, op twintig schreden afstands van elkander, groote schilderhuizen geplaatst, waarin vier soldaten met geladen geweren de wacht houden.

Iedere juramentado, die den aanval waagt, gaat dus een wissen dood te gemoet; en misschien is er meer dan een onder hen, die over zijne onvoorzichtige belofte spijt gevoelt en zich gaarne zou terugtrekken, maar men heeft dit geval voorzien en zijne maatregelen genomen. Zoodra men een zeker aantal van deze ongelukkigen bij elkaar heeft, worden zij aan de leiding toevertrouwd van ervaren panditas, die hen op geregelde tijden laten vasten, met hen strooptochten door de bosschen ondernemen en ter bedevaart trekken naar de graven der gesneuvelde juramentados, om daar te bidden. De aldus gewekte geestdrift wordt nog meer aangevuurd door lange predikatiën bij het betooverend maanlicht, en hartstochtelijke, wegsleepende schilderingen van de genietingen van het mohammedaansche paradijs. Is dan ten slotte de vereischte graad van opwinding en razernij verkregen, dan wordt tot den aanval op de spaansche stad besloten.

Zulk een komplot, waarbij zoo veler belangen betrokken zijn en dat zoo lange voorbereiding vordert, kan onmogelijk geheim blijven: de geldzucht, somwijlen nog machtiger dan het fanatisme, ontboeit steeds veler tong. De gouverneur van Soeloe is bijna altijd gewaarschuwd voor het dreigende gevaar; alleen kan men hem niet met juistheid zeggen, wanneer de aanval zal plaats hebben, want dat weten de juramentados zelven niet. Toen wij te Soeloe kwamen, werd juist zulk een aanval verwacht. Een mijner buren, een dappere kapitein, die reeds herhaaldelijk met de juramentados in aanraking was geweest, deelde mij dit een en ander mede, en voegde er de waarschuwing bij, dat wij op onze hoede moesten zijn. "Ga niet op straat zonder een revolver, zeide hij tot mij; en waag u vooral niet buiten de palissade."

Inmiddels gingen er eenige dagen voorbij, zonder dat er iets gebeurde, en reeds begon ik te gelooven dat men zich zonder reden ongerust had gemaakt. Maar in den morgen van den drie-en-twintigsten November, toen ik mij op de markt bevond, hoorde ik eenige geweerschoten, gevolgd door verwarde kreten; toen werd het weer stil. In een oogenblik was de markt geheel ledig; ik stond alleen op het verlaten plein, op korten afstand van twee schildwachten, die hun geweer laadden. Op het eigen oogenblik snelt eene vrouw aan, gevolgd door een onbeschrijfelijk smerigen inlander, wiens gelaat bijna vaal groen is, en die een kris in de hand houdt, druipende van bloed. De vrouw schreeuwt: _los juramentados!_ en loopt mij in dolle vaart omver; twee geweerschoten knallen boven mijn hoofd; ik richt mij op en zie den juramentado, in de borst getroffen, vallen, maar aanstonds weer opstaan en met opgeheven kris op de schildwachten losstormen; de eene soldaat stoot hem zijne bajonet in de borst; nog wendt hij wanhopige pogingen aan om zijn vijand te treffen, tot eindelijk de andere soldaat den razende neerschiet.

Van alle kanten knallen geweerschoten; in de voornaamste straat zie ik eenige mannen in een grooten bloedplas liggen; midden op den weg gaan drie juramentados, met opgeheven kris en onverschrokken doodsverachting, een peloton soldaten te gemoet. De geweren worden aangelegd; en als de rook wegtrekt, liggen daar de drie juramentados naast elkander voorover op den grond. Eindelijk zijn wij van onze aanvallers verlost.

Ik wist wat mij als geneesheer te doen stond. Wij spoeden ons naar het hospitaal, en ontmoeten onderweg den gouverneur, den dapperen kolonel don Ventura Lopez Nuño, kalm en ernstig, hoewel zijn donkere oogen flikkeren van toorn. In het hospitaal vinden wij werk genoeg. De juramentados hebben, aan dooden en gewonden, vijftien slachtoffers gemaakt. En welke wonden! Hier is een lijk, waarvan het hoofd is afgehouwen; dat daar is bijna in twee stukken gekloofd. De eerste gewonde, dien ik in behandeling neem, is een soldaat van het derde regiment, die de wacht had bij de poort, waardoor de aanvallers zijn binnengedrongen. Zijn linkerarm is op drie plaatsen gebroken; zijn schouder en borst zijn letterlijk gekerfd. Terwijl ik hem verbind, verhaalt hij mij hoe de aanval begon. De aan de schildwachten gegeven bevelen werden nauwkeurig opgevolgd. Ieder Soeloenees, man of vrouw, die de poort wilde doorgaan, werd onderzocht en aangehouden, wanneer men eenig wapen bij hem vond. De juramentados, ten getale van elf, hadden zich in drie groepen verdeeld, die elkander op weinige schreden afstands volgden; zij droegen bossen rijst en _cañas_ (uitgeholde stukken bamboe om water mede te putten), waarin zij hunne wapens verborgen hadden. Twee hunner kwamen eerst aan de poort; op het oogenblik toen de schildwachten zich bukten om de cañas te onderzoeken, trokken al de juramentados te gelijk hunne krissen: een der schildwachten werd dadelijk overhoop gestoken; zijn kameraad, hoe ook gewond, heeft nog de noodige kracht om zijn geweer af te schieten; hij doodt een der aanvallers, maar de anderen stormen over hem heen, en verspreiden zich in de stad, die geen hunner meer levend zou verlaten.

Den volgenden dag was men weer van den schrik bekomen. Te Soeloe is men aan dergelijke verrassingen tamelijk gewend; en bovendien kan men er nu zeker van zijn, dat vooreerst de aanval niet zal worden herhaald. Wij kunnen dus onze onderzoekingen hervatten, en doen telkens grootere uitstapjes in het binnenland en langs de kust.

Overal vind ik sporen van den oorlog: verwoeste woningen, plantages en tuinen, die weer tot een wildernis waren geworden. Somwijlen wierpen enkele inlanders, voormalige zeeroovers, nu gedwongen den grond te bebouwen, mij alles behalve vriendelijke blikken toe. Maar ik was op mijne hoede en altijd goed gewapend.--Op zekeren dag, vermoeid van mijn vruchteloos zoeken naar kruiden en van de gloeiende hitte, zet ik mij neder in de schaduw van een reusachtigen mangoustan, op de grens van eene plantage. Twee inlanders zijn op hun uiterste gemak bezig met het omspitten van den grond; ik roep hen, laat hun een handvol klein geld zien, en noodig hen uit, voor mij een of ander insekt of kruipend gedierte op te zoeken. Zij kijken mij met een half verachtelijken glimlach aan; daarop vat een hunner mij bij de hand, legt den vinger op den mond, en brengt mij bij een koffiestruik. Goed ziende bespeur ik eene prachtige lansslang (_Tropidoloemus Hombroni_), haar groene kleur maakt haar bijna onzichtbaar tusschen het gebladerte, maar haar oogen vonkelen als robijnen.

"Pak haar aan", zeg ik tot den Soeloenees, die in plaats daarvan achteruit springt. Er is geen tijd te verliezen: met mijn stok werp ik de slang op den grond en daarna weer vijftien voet hoog in de lucht; als zij weer op den grond valt, zet ik, eer het verblufte dier tot zich zelf is gekomen, mijn stok op haar nek en houd dien met mijn voet vast, zoodat de slang haar kop niet bewegen kan. Het valt nu gemakkelijk haar met een touwtje aan een stok vast te binden, waarna zij levend op sterk water zal worden gezet: alleen op die wijze behoudt zij ook na den dood haar fraaie kleuren.

Blijkbaar heb ik door deze vangst de achting van den Soeloenees gewonnen. Hij brengt mij naar zijne hut, die ruim en zeer goed onderhouden is; hij is een der weinige grondbezitters, die, hoewel niet tot de kaste der datos behoorende, toch niet door den oorlog en de onderdrukking der zeerooverij te gronde is gericht. Ik vind in zijne woning eene gansche kolonie: oude lieden, zuigelingen, een aantal slaven van allerlei leeftijd, benevens eene menigte vrouwen. Al deze lieden zijn meer dan half naakt. Op Soeloe, zooals trouwens in alle mohammedaansche landen van den archipel, wordt met de voorschriften van den Koran zeer vrij omgesprongen; het klimaat maakt hier bovendien het dragen van dichte sluiers, die het gelaat omhullen, onmogelijk. Als in de spaansche stad mohammedaansche vrouwen een Europeaan ontmoeten, maken zij eene beweging als wilden zij met haar sjerp het gelaat bedekken; maar in de hutten blijft ook die beweging achterwege, en wordt bijna alle kleeding afgelegd.--Mijn gastheer stelt mij zijn gezin voor, en laat mij zijne woning bewonderen. Zijne hut vormt eigenlijk slechts een groot vertrek, dat door een soort van beschot in twee ongelijke helften is verdeeld; kleine koffers, waarin elke Soeloenees zijne fortuin bewaart, wijzen de plaats aan, waar ieder zich des nachts te rusten legt. Het meubilair bestaat verder uit eenige gongs, eenige vazen en potten van chineesch porcelein, een aantal lansen en krissen van allerlei vorm, en een oud verroest vuursteengeweer, dat zeker voor niemand gevaarlijker zou zijn dan voor hem, die het zou willen gebruiken.

Er worden vruchten gehaald; zoowel mannen als vrouwen schijnen bijzonderen smaak te hebben in de kokosmelk, sterk vermengd met rhum, dien ik in eene flesch bij mij droeg. De huisheer vooral was blijkbaar op dien drank verzot, en ontzag zich niet, mijn voorraad duchtig aan te spreken. Het gesprek wordt levendig en algemeen; op den grond neergehurkt of op eene ruime estrade van bamboe neergevlijd, nemen meesters en slaven daaraan gelijkelijk deel. Trouwens tusschen hen heerscht eene groote mate van gemeenzaamheid. Men moet billijk zijn, zelfs tegenover zeeroovers: noch de Soeloeneezen, noch de andere mohammedaansche Maleiers van de Philippijnen, noch zelfs de wilde rassen op de eilanden van den archipel, hebben ooit hunne slaven zoo stelselmatig geëxploiteerd of met zoo verfijnde wreedheid behandeld, als bij voorbeeld de christelijke Yankees. Over het algemeen worden de slaven op Soeloe behoorlijk gevoed, en behoeven zij geen al te zwaren arbeid te verrichten, althans wanneer zij niet gebruikt worden voor de parelvisscherij; straffen zijn zeldzaam en missen die wreedheid, die men anders bij deze volksstammen zoo dikwerf aantreft. Doorgaans is het den slaaf, na eenigen tijd, vergund te huwen en een gezin te grondvesten.--Maar wee het gezin van den vrijen Soeloenees, die door zijne schulden tot slavernij vervalt; wee de gezinnen van zijne slaven; wee het gezin van den voortvluchtigen slaaf! In al deze gevallen is de wet onverbiddelijk: de vrouwen en kinderen, welke ook hun leeftijd moge zijn, worden door den schuldeischer of den beleedigden meester verkocht, en het gezin reddeloos vernietigd. Daarom aarzelen zoo vele christelijke gevangenen van de Philippijnen om te vluchten en bescherming te zoeken bij de Spanjaarden, wier vlag zich overal in de wateren van Soeloe vertoont.

Wij mochten niet verzuimen, een bezoek af te leggen bij den sultan. Mohammed Yamaloel Alam heeft thans zijne residentie gevestigd te Maïbun, een groot dorp aan de zuidkust van het eiland. Ik heb hem een brief in de maleische taal geschreven; maar de dagen verloopen, en ik krijg geen antwoord.

Een duitsch planter, de heer Schuck, die zeer met den sultan bevriend is, biedt zich aan, om mij aan den vorst voor te stellen. Reeds voor de bezetting van het eiland door de Spanjaarden, was de heer Schuck dikwijls in betrekking geweest met de Soeloeneezen; het is dan ook algemeen bekend dat hij geen _Castila_ (Spanjaard) is, hetgeen voor zijne veiligheid en voor het welslagen zijner landbouwonderneming van groot gewicht is. Hij is volkomen bereid nu te onzen gunste gebruik te maken van zijn invloed en zijn gezag bij de Soeloeneezen, en heeft zich daardoor alleszins aanspraak op onzen dank verworven.

Er was overeengekomen dat wij den heer Schuck zouden afhalen, om dan met hem naar Maïbun te gaan. Toen wij bij zijne woning kwamen, herkenden wij die niet meer: zij was geheel veranderd. De galerijen en trappen, die naar de veranda voerden, zijn verdwenen; de woning is omringd door eene stevige heining van palen en rotang. Den vorigen nacht had eene bende stroopers onverwacht een aanval op de hacienda gedaan; de heer Schuck, door het gerucht ontwaakt, had een der aanvallers, die reeds in zijne kamer was doorgedrongen, overhoop gestoken, en vervolgens in allerijl de deuren en vensters gebarrikadeerd. De woning werd nu formeel belegerd; men wierp brandende pijlen op het dak van nipa; maar door eene hevige onweersbui, van stortregen vergezeld, was dit dak gelukkig zoo nat geworden dat het geen vuur vatte. De heer Schuck schoot op goed geluk, bij het licht der bliksemstralen. Eindelijk, bij het aanbreken van den dag, trokken de aanvallers af, drie dooden en een gewonde achterlatende. Over het lot van dezen laatste zal de sultan uitspraak doen.

De weg, die het eiland van het noorden naar het zuiden, van de spaansche nederzetting tot Maïbun, doorsnijdt, biedt nergens ernstige moeilijkheden aan; men bemerkt zelfs duidelijk, dat hij voor den oorlog, toen er op het eiland slaven in overvloed waren, zeer goed moet zijn geweest; tegenwoordig moet men de beken doorwaden, want de boomstammen, die weleer als bruggen dienden, zijn vergaan. De weg loopt eerst door een woud, tusschen de bergen But-Dato en But-Tulah aan de eene, en den Tuman-Tangis aan de andere zijde; dan loopt de weg met kleine krommingen langs de flauw glooiende berghellingen, die naar het zuiden afdalen. Op dien geheelen tocht ziet men niets dan eenige verwoeste en verlaten hutten, in de schaduw van kokospalmen en mangoustans, waarin groote troepen apen springen en dartelen. Eerst in de onmiddellijke nabijheid van Maïbun vindt men eenige ellendige hutten, die bewoond zijn.

