# Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-reis-naar-de-philippijnen-de-aarde-en-haar-volken-1886-13236/index.md

Na een langen rit midden door de rijstvelden, komen wij aan den voet van den berg Samat, een uitlooper van de sierra de Marivelès, ten westen van Balanga. Wij laten onze paarden achter in eene hacienda, die aan don Cypriano behoort, en beginnen den berg te beklimmen. Onze tocht wordt bemoeilijkt door de rijstvelden, die tot eene aanmerkelijke hoogte reiken en een veel minder overvloedigen, maar wat het gehalte aangaat veel beteren oogst opleveren dan die in de vlakte. Ieder veld is omringd door een corral (palissade), hetgeen noodig is om de wilde zwijnen af te weren; maar wij zijn telkens genoodzaakt over die hekken heen te klimmen, wat op den duur vreeselijk vermoeiend is. Na verloop van eenigen tijd bereiken wij de grens van de plantages der Tagalocs, en steeds klimmende, komen wij aan het gebied der Negritos. Op den top van een terp, te midden van een pas ontgonnen plek, waar men nog de overblijfselen der omgehouwen en half verbrande boomstammen ziet, staat de kleine, maar vrij zindelijke hut van het opperhoofd, in vorm en bouw geheel overeenkomende met de hutten der Tagalocs. Van deze hoogte heeft men een prachtig uitzicht: wij overzien de geheele baai van Manilla, omlijst door een amphitheater van blauwe bergen; voor onze voeten strekt zich tusschen de zee en de eerste heuvelen, de bebouwde vlakte uit, een bloeiende tuin, gevormd door de regelmatige vierkanten der rijstvelden, afgewisseld door sierlijke boomgroepen en doorsneden met talrijke beken. Achter ons verheffen zich hooge bergen, met ondoordringbare wouden bedekt. In de nabijheid, op de andere hoogten, ziet men de kleine akkers en hutten van de overige leden van den stam.

Het opperhoofd, die bij onze komst geheel naakt was, haast zich den mooien rok aan te trekken, waarop hij niet weinig trotsch is; hij en zijne vrouw beginnen nu uit alle macht te schreeuwen om hunne onderdanen bijeen te roepen; hun geschreeuw klinkt als een echo van hut tot hut, en weldra is de geheele stam, een twaalftal mannen en ongeveer evenveel vrouwen, rondom ons vergaderd.

Terwijl deze arme lieden hun hart ophalen aan de levensmiddelen, die wij hebben medegebracht, nemen wij de woning van hun opperhoofd wat nader in oogenschouw. Daartoe is niet veel tijd noodig, want de hut bevat letterlijk niets dan twee bogen, vijf of zes pijlen en een half dozijn borden, de hemel mag weten tot welken prijs in den naburigen pueblo ingeruild. Hoe uiterst eenvoudig de levenswijze der Negritos ook moge zijn, toch heeft de aanraking met de Tagalocs althans eenige behoeften bij hen gewekt: zij begeeren tabak, wat katoen, ijzer voor de punten hunner pijlen; in ruil daarvoor geven zij rijst, harst en honig uit de bosschen. In den regel worden zij gruwelijk beet genomen en bestolen, want zij hebben niet het flauwste begrip van het spaansche geld, en ook de knapste koppen onder hen raken de klus kwijt als zij verder dan vier of vijf moeten tellen.

Na afloop van den maaltijd laten wij hun eenige flesschen _anisado_ (ongesuikerde anisette) en een kistje sigaren geven, van welk een en ander zoowel de vrouwen als de mannen haar deel nemen. Eenige stukken katoen, enkele halskettingen en messen, zijn meer dan voldoende om de gunst der wilden te winnen, die, om hunne dankbaarheid te toonen, een dans uitvoeren, welke ondanks zijn min of meer krijgshaftig karakter, toch tot de plechtigheden behoort, waarmede het huwelijksfeest wordt opgeluisterd.

De mannen scharen zich in een kring: ieder legt zijne linkerhand op de heup van zijn voorman en zwaait met de rechterhand zijn boog en pijlen. Zoo draaien zij langzaam, met afgemeten passen, in het rond, daarbij telkens den hiel van den linker voet met kracht nederzettende. In het midden van den kring staan drie vrouwen, die zoo luid mogelijk een lied zingen, waarvan de melodie niet veel meer is dan één aanhoudend gegil. Een jonge Negrito, die van tijd tot tijd op een tamboerijn slaat, dringt haastig in den kring door, draait om de vrouwen heen, verwijdert zich, komt weer terug en is onophoudelijk in beweging, juist als een dief die op een of ander voorwerp loert, maar bang is om betrapt te worden. Onze tolk zegt ons, dat die knaap den duivel moet verbeelden, of ten minste den Tagaloc, die in de oogen der Negritos met den booze gelijk staat; het is ons evenwel niet mogen gelukken nadere inlichtingen in te winnen omtrent dit zoo belangrijk personage, wiens tegenwoordigheid alleen voldoende is om het bewijs te leveren dat ook bij de Negritos het besef van en het geloof aan het bovennatuurlijke bestaat. Trouwens, hoe zou het ook anders mogelijk zijn: dit besef toch behoort tot het innigste wezen van den mensch en openbaart zich dan ook overal en ten allen tijde.

De dansers worden beloond met nog een paar flesschen anisado en sigaren; vervolgens noodigen wij hen uit, met den boog te schieten. Wat wij vermoed hadden, bleek waarheid te zijn: de Negritos zijn zeer onhandige schutters. Dit is mede een der redenen van den voortdurenden achteruitgang van hun ras. Onophoudelijk vervolgd en gekweld door andere wilde stammen, die hun meerderen zijn, kunnen de Negritos ter nauwernood eenige bananen en andere planten kweeken, en zijn zij voor hun levensonderhoud in de eerste plaats afhankelijk van de jacht; maar door hunne onhandigheid en onbeholpenheid is dit een hoogst onzeker middel van bestaan. De Negritos van de provincie Bataan zijn in dat opzicht bevoorrecht boven velen van hun stamgenooten. Zij leven in vrede, zonder door iemand bemoeilijkt te worden; wij hebben dan ook alle gelegenheid om ons geheel op de hoogte te stellen van hunne levenswijze en gebruiken, te meer daar zij hieromtrent volstrekt niet achterhoudend zijn.

Het opperhoofd is natuurlijk tevens de hoogste rechter: hij doet uitspraak in alle geschillen en vonnist over alle misdrijven. Zijn er grijsaards in den stam, dan is hij verplicht, ook hun raad in te winnen. Zij kennen maar ééne straf, de doodstraf, die niet alleen op moord, maar ook op diefstal en overspel en bijna alle andere misdrijven staat. Echter komen, uit den aard der zaak, zulke gevallen zeldzaam voor. Het gedrag van de jonge meisjes laat doorgaans niets te wenschen over: het minste vermoeden van het tegendeel zou haar alle kans doen verliezen om een echtgenoot te vinden. De Negrito koopt zijne vrouw niet, zoo als men verwachten zou dat het geval was; hij geeft slechts een klein geschenk aan zijn aanstaanden schoonvader, die in ruil daarvoor, bij wijze van uitzet, aan zijne dochter eenige dingen ten geschenke geeft, welke haar persoonlijk eigendom blijven. Het huwelijk gaat met groote feestelijkheden gepaard; de bruid en de bruidegom moeten in twee dicht bij elkaar staande, zeer buigzame jonge boomen klimmen; het opperhoofd buigt die boomen tot elkander, en wanneer de voorhoofden der jonge lieden elkander hebben aangeraakt, is het huwelijk voltrokken.

De eigendom is behoorlijk geregeld. De akker is het eigendom van dengeen, die den grond heeft ontgonnen, en van zijne erfgenamen. Als bij den dood van het hoofd des gezins de moeder nog leeft, wordt de nalatenschap in twee gelijke deelen verdeeld: de eene helft komt aan de moeder toe, de andere aan de kinderen, die hun portie onderling deelen. De liefde der ouders voor hunne kinderen is zeer groot, en de kinderen betoonen hun ouders den verschuldigden eerbied. Uit de zorg, die men voor de graven draagt, blijkt dat de wederkeerige genegenheid niet met den dood ophoudt. Tot mijn leedwezen is het mij niet mogen gelukken, met juistheid te weten te komen, welke voorstellingen de Negritos zich maken omtrent het leven aan genezijde des grafs.

De levenswijze der Tagalocs is natuurlijk veel minder eenvoudig; maar zoowel hier als in de andere provinciën werden wij getroffen door de goede verstandhouding, die bij hen tusschen meesters en dienstboden, tusschen patroons en werklieden bestaat. Gedurende ons verblijf te Balanga, hebben wij bij herhaling den avond doorgebracht bij de aanzienlijkste inwoners en bij den gobernadorcillo. Als men binnenkomt, is het bijna onmogelijk, de heeren van de dienstboden te onderscheiden: beiden gaan barrevoets en dragen dezelfde kleeding, beiden groeten op dezelfde wijze en kauwen betel. Eerst als wij gezeten zijn, verlaten de talrijke dienstboden de kamer; zij blijven dan doorgaans voor de steeds geopende deur staan, want het gebeurt niet zoo heel dikwijls dat zij een Europeaan ontmoeten, met uitzondering van priesters en ambtenaren. Hunne houding is vrijmoedig en tevens eerbiedig; blijkbaar scheppen ook zij groot behagen in de tonen van de piano en van de harp of guitaar, die nooit op eene tertullia, soireetje, bij de Tagalen mogen ontbreken. Het ameublement van deze woningen, zelfs bij de meest gegoeden, is hoogst eenvoudig. Behalve de muziekinstrumenten, zooals de uit Parijs of Madrid afkomstige en dus zeer dure piano's, ziet men niets dan eenige zeer ordinaire meubelen: stoelen van rotting in allerlei vorm, eenvoudige tafels, godsdienstige platen tegen de wanden, somtijds ook een godsdienstig boek, in de laatste jaren te Manilla gedrukt en dat, door papier en druk, herinnert aan de boeken der zeventiende eeuw. Somwijlen ziet men ook, onder eene glazen stolp, eenige beeldjes, die een of ander tafreel uit de gewijde geschiedenis voorstellen. Deze beeldjes, die te Manilla vervaardigd worden, zijn in den regel van ivoor en zeer goed bewerkt: de kleederen der figuren prijken met ornamenten van massief goud.

Over het algemeen is alles wat tot de eeredienst betrekking heeft op grootschen voet ingericht. De kerken, de torens en _conventos_ (pastoriën) zijn de eenige gebouwen, die geheel van steen worden opgetrokken. Als men des avonds door de stille, sluimerende pueblos gaat, wordt de aandacht aanstonds getrokken door eene groote helder verlichte nis in den steenen voorgevel der kerk; in die nis prijkt het gekleurde beeld van den heiligen schutspatroon, onder wiens hoede de geloovigen veilig rusten.

Natuurlijk heeft hunne bekeering tot het Christendom niet alle sporen van hun vroeger bijgeloof uitgewischt. Slechts een enkel staaltje daarvan. Toen wij op zekeren avond langs een boschje van bamboe gingen, verhaalde onze gids ons, dat 's nachts, bij lichte maan, reusachtige witte ruiters, door honden gevolgd, door dit boschje rondrijden, onder luid gezang en geblaf der honden; de ontmoeting van deze spookgestalten is altijd noodlottig: hij die deze bovenaardsche ruiters ziet, begint te kwijnen en sterft na verloop van korten tijd. Hebben wij in dit sprookje eene min of meer gewijzigde lezing te herkennen van het bij ons in Europa zoo bekende verhaal van den Wilden Jager? Den 15_den_ Augustus vertrokken wij van Balanga en keerden naar Manilla terug, van waar wij, een paar weken later, ons naar de provincie Albay begaven.

Ook deze reis ging aanvankelijk over zee. Onze vriend, de heer Génu, brengt ons aan boord van de _Cébu_, en stelt ons voor aan den kapitein, don Liborio de Tremoya, die zich aanstonds, met echt castiliaansche hoffelijkheid, te onzer beschikking stelde.

De kust van Luçon volgende, kwamen wij den volgenden dag, 3 September, op de hoogte van het eiland Marinduque, dat zeer bevolkt en uitnemend bebouwd is, vooral in het westelijk gedeelte. Het groote eiland Mindoro, meer naar het zuidwesten gelegen, was vroeger de korenschuur der Philippijnen. Mindoro was ontgonnen en gekoloniseerd door paters Jezuïeten en bereikte onder hunne leiding en bestuur een hoogen trap van welvaart. De opheffing der Orde, in de vorige eeuw, die onder zoo menig opzicht verderfelijke gevolgen na zich sleepte, bracht ook aan het eiland Mindoro een doodelijken slag toe. De razzias der Moros--de mohammedaansche Maleiers van Palawan, Mindanao, Soeloe, Borneo en andere eilanden,--voltooiden den ondergang van het eens zoo bloeiende gewest. De zeer geslonken tagaalsche bevolking heeft zich bijna uitsluitend aan de kust teruggetrokken. Eenige half wilde Manguianen zwerven door de dichte wouden van het binnenland, waar de vergeten ruïnen sluimeren der vroeger volkrijke en welvarende pueblos.

Op de hoogte van Marinduque begint de kust van Luçon van karakter te veranderen: de bosschen en wouden worden nu telkens afgebroken door uitgestrekte velden met _cogon_ beplant, eene grassoort die in den geheelen archipel onafzienbare terreinen bedekt. Doorgaans woekert zij welig voort op verlaten akkers en plantages; zij is van weinig nut, en wordt somwijlen gebruikt als dakbedekking voor de hutten der inlanders. Bij gebrek van ander voedsel, geeft men de jonge plantjes ook wel aan buffels en paarden. Hoe verder wij komen, hoe woester en eenzamer de kust wordt: de boschrijke heuvelen worden, naar men zegt, alleen door enkele _remontados_ bewoond, wier ongunstige reputatie vrij wel overeenkomt met die der bandieten van de Abruzzen. Ik begrijp niet, hoe het iemand kan invallen, in deze onbewoonde wildernissen het beroep van roover te gaan uitoefenen.

In den vroegen morgen van den 5_den_ September varen wij de golf van Albay binnen, en houden ons dicht onder den noordelijken wal, om de talrijke banken te vermijden, die zich langs de zuidkust, ver in zee uitstrekken. Ter wederzijde van de golf verheft zich eene keten van boschrijke bergen. Tegenover ons, op den achtergrond, verrijst de trotsche Mayon, de groote vulkaan van Albay, ruim zeven-en-twintig honderd meters hoog; de onderste helft van den regelmatig gevormden berg is geheel begroeid; de eigenlijke kegel is met asch en lava bedekt, waarin de geweldige tropische regenvloeden diepe sporen hebben gegraven.

Omstreeks half zeven liet de _Cébu_ het anker vallen voor het stadje Legaspi, op ongeveer twee mijlen afstands van Albay, de hoofdstad der provincie, gelegen. Wij vertrekken aanstonds met het rijtuig van een spaansch koopman, don José Ortiz, naar Albay, en ontmoeten onderweg den beminnelijken gouverneur der provincie, den alcade don Juan Alvarez Guerra, aan wien wij door onze landgenooten, de heeren Grénu en Dudemaine, zijn aanbevolen. De alcade zegt aanstonds dat wij ons als zijne gasten hebben te beschouwen; en de daad bij het woord voegende, geeft hij ons logies in de Casa real, het gouvernementshuis.

De heer Guerra brengt ons weldra in aanraking met de verschillende leden der europeesche, en ook met de voornaamste vertegenwoordigers der ook hier zeer talrijke chineesche kolonie. Te Albay vindt men een aantal chineesche handelshuizen, die zeer belangrijke zaken doen; en in de pueblos worden bijna alle handwerken en beroepen door Chineezen uitgeoefend, de overal meer en meer de inlanders verdringen en in economischen zin van zich afhankelijk maken. Deze chineesche bevolking, wier aantal van jaar tot jaar groeit en de Philippijnen dreigt te overstroomen, bevat zeer verschillende elementen; ongetwijfeld vindt men onder die scharen van landverhuizers een zeker aantal schurken en bandieten, die vroeg of laat in den kerker terecht komen; maar verreweg de meesten, slim, vol overleg, matig, onvermoeid, maken hun fortuin. Daar komt bij dat zij elkander trouw helpen; bijna iedere Chinees, die te Manilla aankomt, heeft eene aanbeveling bij zich aan een of anderen landgenoot, die hem aanstonds met raad en daad bijstaat. Zij, die zoodanige aanbeveling missen en bijna naakt aan wal stappen, pakken letterlijk alles aan wat hun voor de hand komt. Door de zonnestralen geblakerd of druipende van den regen, zwoegt de Chinees van den morgen tot den avond: hij is sjouwer, straatveger, boodschaplooper, al wat ge wilt; hij voedt zich met wat vruchten en betel, en vast dikwijls genoeg; zijne gansche kleeding bestaat uit een soort van zwembroekje, waarin hij zijne beurs bergt. Die beurs bevat zijne geheele fortuin en zijne toekomst; gaandeweg vult zij zich; wel slinkt soms eensklaps zijn schat door verliezen bij de hanengevechten, bij het kaartspel of in de loterij, maar in den regel komt hij die verliezen spoedig te boven; en na verloop van korten tijd zit de vuile koelie, in een fijne tuniek gekleed, met blanke handen en een kunstig gevlochten staart, in een winkel of kantoor, of doet hij zaken als makelaar. Heeft hij het zoo ver gebracht, dan doet de Chinees twee dingen, die hem aanvankelijk veel geld kosten: hij laat zich doopen en kiest daarbij tot peter een Europeaan, wiens invloed hem voordeelig kan zijn; en hij trouwt, meestal met een inlandsch meisje. Laten zijne middelen hem dat toe, dan houdt hij er, behalve zijne wettige vrouw, nog eenige anderen op na. Van nu af wordt hij steeds rijker en breidt hij zijn werkkring voortdurend uit. Somwijlen door heimwee gedreven, maakt hij stilletjes al zijne bezittingen te gelde en vertrekt naar Canton, met achterlating van vrouw en kinderen; meestal echter sterft hij op de Philippijnen, een schaar van nakomelingen--_sangleyes_, mestiezen van Chineezen en inlandsche vrouwen--achterlatende, die zijne schatten erven en zijne voetstappen drukken.

III

Het eiland Soeloe.

Wij maakten ons gereed, het eiland Luçon te verlaten; maar hadden nog de gelegenheid om vóór ons vertrek van Albay een feest bij te wonen, waarvan het mij aangenaam is, mijne lezers getuigen te kunnen doen zijn. De nieuwe _gobernadorcillo_, een rijke Bicol, wilde de aanvaarding van zijn ambt inwijden met een schitterend feest, en had daartoe een zondag uitgekozen, aan eene te Albay zeer geliefde heilige gewijd. Sedert ruim een maand hield men zich met de toebereidselen onledig: er zal door de jongelieden der stad een groot drama in verzen worden vertoond, en ook aan verdere feestelijkheden zal het niet ontbreken. Reeds des morgens vroeg worden wij gewekt door het luiden der klokken, door muziek en het afschieten van zwermen; maar de eigenlijke pret zou toch eerst 's avonds beginnen.

Des avonds dan werd er eerst een prachtig vuurwerk afgestoken; en toen veranderde de pueblo geheel van voorkomen. De nieuwe gobernadorcillo weet, voorwaar! hoe het hoort. Alle huizen zijn geïllumineerd; op de hoeken der voornaamste straten, op de drukste punten verrijzen triomfbogen, paleizen, obelisken van bamboe, van onder tot boven met lampions bedekt en eene zee van licht uitstralende; de dicht belommerde lanen prijken met eene dubbele rij van bontgekleurde lantarens. Bij het schijnsel dezer fantastische, tooverachtige verlichting ziet men van alle kanten, te voet, te paard of op buffels gezeten, de lieden uit den omtrek toestroomen, die zich haasten om bij de vertooning van het groote en hartroerende drama tegenwoordig te zijn.

De menigte staat dicht opeen gepakt, op een ruim veld, tegenover het tooneel. Het theater zelf, in acht dagen opgeslagen, heeft alleen ruimte voor de notabelen van den pueblo, die in twee loges plaats moeten vinden. De autoriteiten zitten op het tooneel zelf, evenals de groote heeren aan het hof van Lodewijk XIII in het hotel van Bourgogne. Het orkest, dat wil zeggen, het trompetterskorps van Albay, plaatst zich evenzeer op het tooneel, en blaast er dapper op los, hoewel de muziekanten reeds sedert den vroegen morgen aan het toeteren zijn.--De handeling, die zich voor onze oogen ontrolt, is uiterst ingewikkeld; daarentegen is de tooneeltoestel vooral niet minder eenvoudig dan in de dagen van Shakespeare. Naar men zegt, werd toen aan het hof van Elisabeth de plaats van de tegenwoordige coulissen ingenomen door een eenvoudig bordje, waarop stond vermeld wat het tooneel moest voorstellen; en de verbeelding der toeschouwers was levendig genoeg, om met deze aanwijzing tevreden te zijn. Hier ontbreekt ook dit bordje: de spelers zelven helpen ons op den weg. Bij het optreden roepen zij, bij voorbeeld: "Hoe akelig eenzaam is het hier!"--of wel: "Ik breng sidderend Uwer Majesteit mijn groet!"--en men zou al zeer stompzinnig of zeer onwelwillend moeten zijn, om niet te begrijpen, dat wij ons dan in eene woestijn of wel aan het hof bevinden. Op den achtergrond is het tooneel door een gordijn afgesloten, en daarboven bevindt zich eene soort van estrade, die nu eens als tribune, dan weer als troon, straks als bruidskamer dienst doet; een ladder, die naar het dak voert, verbeeldt de bergen, waarbij ge u verder de duistere afgronden kunt denken waarin geweldige monsters huizen.

Juist toen wij binnentraden was de Prinses van Constantinopel, na allerlei lotgevallen en verwikkelingen, aan het hof van haar vader ontvoerd door een herder, die tevens een machtig toovenaar is, en die de prinses naar ontoegankelijke bergtoppen heeft overgebracht, waar zij door een leeuw en een slang van bordpapier wordt bewaakt. Toen wij ons op het tooneel nederzetten, was de vader van de prinses, door zijn gansche hof omgeven, bezig, op bitteren toon, zijn ongeluk te bejammeren. Hij hield even op, om den gouverneur, die met ons mede gekomen was, te groeten, terwijl de muziek het spaansche volkslied aanhief, door de menigte luide toegejuicht.--Na dit incident ging de vader weer voort. De ongelukkige monarch beveelt zijn hovelingen, de jonge prinses te gaan opzoeken. Juist toen zij gaan vertrekken, verschijnt een gezantschap van Moros, die ook mede willen gaan om de prinses te zoeken; men beleedigt elkander: het komt tot scheldwoorden en uitdagingen: de gezanten en de hovelingen vechten, al dansende, met de sabel in de vuist. De dames van het hof grijpen ook naar sabels, en er volgt een algemeen ballet. Bij herhaling komen, in den loop van het stuk, Moros, dames en hovelingen aldus met elkander in aanraking, en hunne samenspraak eindigt geregeld met zulk een ballet of _moros-moros_, waaraan zelfs al deze stukken hun naam ontleenen.

Het valt mij niet gemakkelijk, den gang van het drama te volgen; maar hier hebben wij het hoofdmoment, het tooneel dat pakt. De prinses van Constantinopel heeft, ondanks al zijne listen en bedreigingen, aan den snooden herder-toovenaar weerstand geboden; en terwijl hij ergens elders vertoeft, zal zij, door hare deugd, die sterker is dan al zijne bezweringen, ook wonderen doen. De prinses daalt langs den ladder op het tooneel af, dat nu eene akelige woestijn moet verbeelden, gevolgd door den leeuw en de slang, die niet vriendelijk jegens haar gezind zijn; maar het bevallige jonge meisje voert zulk een gracieusen dans uit en tikt daarbij de beide monsters met haar staf zoo aardig op den neus, dat leeuw en slang geheel hun roeping vergeten, de voeten der prinses komen lekken en zich tot haar slaven verklaren. Nu verschijnt de dappere prins van Toskane, die smoorlijk op de prinses verliefd is, en wien het eindelijk gelukt is haar spoor te ontdekken. Het publiek, geheel betooverd, houdt den adem in, om toch maar geen woord van de samenspraak te verliezen. De prins heeft een groot gebrek: hij is een _moro_, dat wil zeggen een ongeloovige, en de prinses is ijverig katholiek; zij moet dus zorgen, dat de dappere ridder niet bespeurt, welken gunstigen indruk hij op haar maakt en hoezeer zij zijn heldenmoed bewondert. De prins houdt aan; hij werpt zich op de knieën en smeekt om de gunst der prinses. Deze is half overwonnen. "Misschien," zegt zij, "zou ik naar uwe verleidelijke woorden luisteren; maar zoo lang gij geen afstand hebt gedaan van uw vervloekt ongeloof, hebt gij van mij geene liefde te hopen!"

Het publiek kan zijn geestdrift niet langer bedwingen, maar uit zijne bewondering en ingenomenheid door op de maat te fluiten.

