Een reis naar de Philippijnen De Aarde en haar Volken, 1886

Part 2

Chapter 2 3,606 words Public domain Markdown

Den 10_den_ Juli nemen wij afscheid van den heer Rolland en keeren naar Malakka terug, langs denzelfden weg dien wij gekomen zijn, maar dien wij toen niet hebben kunnen zien, omdat wij 's nachts reisden. Deze weg, die om de geheele provincie loopt, nu eens door de bosschen, dan weer door plantages, wordt zeer goed onderhouden en door posten van mata-mata bewaakt. Wij komen door verschillende maleische dorpen, die allen op elkander gelijken: in het midden een paar winkels van chineesche kooplieden, een politiewachthuis, en verder, te midden van struikgewas, bloeiende heesters en kokospalmen, omringd door buffels en die sierlijke bultige inlandsche runderen, de verspreide hutten, waarin het overdag altijd stil is, maar waaruit u des avonds vaak melodisch gezang tegen klinkt. Door den prikkel van godsdienstigen waanzin opgezweept, en in de woede van het gevecht, is de Maleier vaak ontembaar woest en onverschrokken, maar in het gewone leven is hij zachtaardig en boven alles op zijn gemak gesteld. Onder zijne veranda gezeten, rookt hij zijn sigaar en wiegt zijne kinderen, uren achtereen, terwijl de vrouw hout hakt, water put en alle huishoudelijke werkzaamheden verricht. De kinderen zijn even kalm en zwijgend als hun vader: zeer zelden zal men hen zoo luidruchtig en vroolijk zien als de kinderen bij ons in Europa.

In den omtrek van Malakka verandert het landschap van karakter: het woud verdwijnt en de hutten van bamboe worden vervangen door sierlijke, smaakvolle villa's, voor het meerendeel toebehoorende aan chineesche kooplieden, die hun fortuin gemaakt hebben en zich nu hier komen vestigen, ver van de drukte en het gewoel van Singapore en Penang. Hunne fraaie equipages maken eene schitterende vertooning naast de armzalige inlandsche rijtuigjes van de aanzienlijke Maleiers, altijd opgevuld met vrouwen van allerlei leeftijd, die zich bij onze nadering, voor den vorm, het gelaat bedekken met haar mousselinen sluier.

De steeds dienstvaardige pater Pouget brengt ons naar de missie van Ayer Salak, waar wij ons vrij lang in het latijn onderhouden met jonge Manthras, die hunne opvoeding ontvangen hadden in het kleine seminarie te Penang. Met den beminnelijken geestelijke gaan wij ook een bezoek brengen aan het gesticht der zusters van het heilige kind Jezus, meer bekend onder den naam van Dames van Saint-Maur: welk gesticht een succursaal is van dat te Singapore. In deze kostschool, waaraan tevens een weeshuis voor meisjes verbonden is, vindt men vertegenwoordigers van alle rassen, die het land bewonen. Een fransche zuster, bijgestaan door eene engelsche, is sedert twintig jaren belast met het bestuur dezer inrichting: het zou inderdaad niet gemakkelijk zijn, een voorbeeld te vinden van edeler toewijding, van grooter ijver en van een beter besteed leven. Alle kinderen zijn even vroolijk en opgewekt: zij zien er zeer netjes uit en leven onderling in de beste verstandhouding, ondanks het verschil van ras; zij zongen voor ons eenige fransche liederen, die zeer goed klonken. De superieure, die zeer zeker tot oordeelen bevoegd is, verzekert ons dat de kleine Manthras door gehoorzaamheid en gewilligheid ver uitmunten boven hare andere leerlingen. Maar de meisjes, die in het weeshuis opgevoed worden, keeren nooit naar haar stam terug: doorgaans trouwen zij een Chinees, die haar een behoorlijk bestaan kan verzekeren.

Den 13_den_ Juli gaan wij aan boord van de _Japan_, waar wij een maleischen rajah en zijne echtgenoote aantreffen. Ook deze boot behoort aan eene chineesche maatschappij. Den volgenden dag werpen wij het anker uit op de reede van Singapore. De heer Brasier de Thuy, directeur der _Messageries maritimes_, verschijnt aan boord en neemt ons mede naar zijne gastvrije en smaakvolle woning, waar wij een alleraangenaamsten dag doorbrengen.

Den 15_den_ Juli begeven wij ons aan boord van de _Panay_, die geregeld tusschen Singapore en Manilla vaart.

II

Het eiland Luçon.

Den 21_sten_ Juli voeren wij de baai van Manilla binnen, die ten westen wordt bestreken door de hoogten van de sierra de Marivelès. Twee uren later bespeurden wij, te midden van het weelderige groen, de roode daken van de hoofdstad der Philippijnen, schilderachtig rustende aan den voet van blauwachtige bergen.

Nauwelijks heeft de _Panay_ het anker laten vallen, of onze landgenoot, de heer Louis Génu, agent te Manilla van het huis Guichard en Zoon te Parijs, van onze aankomst verwittigd, verschijnt op het dek en neemt ons mede. Gedurende onze tweejarige reis zullen wij dikwijls genoeg met den heer Génu in aanraking komen, en steeds zullen wij in zijn huis hetzelfde vriendelijke en hartelijke onthaal vinden, terwijl zijne grondige bekendheid met menschen en toestanden in het vreemde land ons van onschatbaar nut zal zijn. Toen ik eindelijk ziek bij hem terugkwam, vond ik daar eene zoo zorgvuldige verpleging, dat ik ongetwijfeld mijne gezondheid zou hebben terug gekregen, indien niet de door het tropische klimaat veroorzaakte krankheden, zoodra zij zekeren graad van ontwikkeling bereikt hebben, den terugkeer naar Europa volstrekt noodzakelijk maakten.

De stad Manilla gaat tegenwoordig snel vooruit; vroeger beperkt binnen de wallen der oude vesting aan den linkeroever der rivier, is de eigenlijke stad thans omringd door een gordel van zeer aanzienlijke voorsteden, waarvan sommigen zich tot de naburige dorpen uitstrekken. De bevolking der stad, de voorsteden daaronder begrepen, bedraagt vijf-en-zeventigduizend zielen. Over het algemeen kan men zeggen, dat de kolonie steeds in vrij bloeienden toestand verkeerd heeft: natuurlijk met uitzondering van enkele minder gelukkige tijdvakken, die trouwens in de geschiedenis van geen enkel land worden gemist. Deze voorspoed is ongetwijfeld te danken aan de wijze van bestuur, die reeds aanstonds door de koloniale regeering werd ingevoerd en waarbij rekening werd gehouden met den volksaard en de eigenaardigheden der inboorlingen.

De eer van de ontdekking der eilandengroep komt aan den onsterfelijken Magelhaens toe; maar de groote zeevaarder had nauwelijks den tijd om zijne ontdekking te overzien. Den 31_sten_ Maart 1521 stapte hij aan wal in het noordoosten van Mindanao, nabij de uitmonding van de rivier Agusan; en reeds den 26_sten_ April daaraanvolgende werd hij door de inwoners van het kleine eiland Mactan vermoord. Zijn onderbevelhebber keerde weldra naar Europa terug met het schip _Victoria_, het eerste dat de reis om de wereld heeft volbracht.

In 1542 werd eene nieuwe expeditie uitgerust onder bevel van Villalobos; door tegenwind opgehouden, bracht men het niet verder dan tot in het gezicht van dezen archipel, waaraan de spaansche admiraal den naam van de Philippijnen gaf, ter eere van den kroonprins, den zoon van Karel V, die later als Philips II over de uitgestrekte spaansche monarchie regeeren zou. Onder zijne regeering nam Spanje voor goed van deze eilanden bezit. In 1564 landde Miguel Lopez de Legaspi op het eiland Pojol, tusschen de eilanden Leyte en Cebu, op welk laatste hij zich vestigde; in 1571 stichtte hij Manilla op het eiland Luçon, het voornaamste van den geheelen archipel; in de volgende jaren breidde de spaansche heerschappij zich langzamerhand uit over Luçon en de groep der Bisayas-eilanden.

De bevolking van de Philippijnsche eilanden verschilde toen niet wezenlijk van de tegenwoordige. De inboorlingen van maleisch ras, de Tagalen, Bisayas enz., toen nog afgodendienaars, hadden het grootste gedeelte van het land in bezit. De Negritos waren reeds naar de bergen van het binnenland terug gedrongen; de mohammedaansche Maleiers, sedert onder den naam van Moros bekend, waren op Soeloe, op Palawan en eenige andere punten van den archipel gevestigd; zij hadden zelfs te Manilla een eigen rijk gesticht, Tondo genaamd, dat al spoedig voor de spaansche wapenen bezweek.

De onderwerping der Philippijnen vorderde niet veel tijd; ook duurde het niet lang of de inboorlingen waren, door den ijver der spaansche zendelingen, tot het Christendom bekeerd. De organisatie der nieuwe kolonie was nu spoedig voltooid: de Spanjaarden schaften alleen de slavernij af, maar waren voor het overige verstandig genoeg om de bestaande hiërarchie in hare hoofdtrekken in stand te houden en de aloude maatschappelijke inrichtingen te eerbiedigen. Het denkbeeld, dat oostersche maatschappijen op dezelfde wijze en naar dezelfde regelen moeten worden ingericht en geregeerd als onze westersche, was toen nog in niemands hoofd opgekomen.

In de plaats van de sultans en andere souvereine vorsten trad de koning van Spanje op, vertegenwoordigd door den gouverneur-generaal, die zijne residentie te Manilla had. De _datos_, meer of minder onafhankelijke hoofden en landheeren, werden _capitanes, gobernadorcillos_ of _tenientes_, en werden gehandhaafd in hun rang als hoofden der dorpen en vlekken, die naar gelang van hunne beteekenis den naam ontvingen van _pueblos_ of _visitas_, of wel den ouden naam van _barangay_ behielden. Een zeker aantal dorpen of gehuchten vormden te zamen een pueblo: eene administratieve indeeling, overeenkomende met ons kanton, onze gemeente en onze parochie, want eene zelfde parochie omvat dikwijls verschillende dorpen. Aan het hoofd der parochie staat de pastoor (_padre cura_), wien de zorg voor de godsdienstige belangen zijner parochianen is opgedragen, en die metterdaad eene zeer groote macht uitoefent. De gobernadorcillos, bijgestaan door de tenientes en door de notabelen of _cabezas_, nemen ongeveer dezelfde functiën waar als bij ons de maires, de vrederechters en de ontvangers; zij zijn verantwoordelijk voor de inning der belasting, die bij wijze van hoofdgeld geheven wordt en den naam draagt van _tributo_.

Ziedaar in hoofdtrekken het stelsel van bestuur, dat reeds in de eerste tijden na de verovering op de Philippijnen werd ingevoerd en dat tot op den huidigen dag is gehandhaafd, tot groot voordeel zoowel van de bevolking als van de spaansche regeering, wier gezag nooit ernstig werd bedreigd. De massa der bevolking was al spoedig gewonnen voor een gouvernement, dat de slavernij afschafte en in de plaats van de willekeurige afpersingen en knevelarijen der datos eene vaste belasting hief en bepaalde heerendiensten voorschreef. En de hoofden zelven, van hun door niets beperkt gezag beroofd en door hunne hoorigen in den steek gelaten, mochten zich nog gelukkig rekenen, althans een deel van hunne macht en de aan hun rang verschuldigde eer te behouden, hoewel hunne nieuwe functiën niet erfelijk waren, maar zij telkens door het gouvernement werden benoemd. Uit den aard der zaak echter bleven deze betrekkingen gedurende zeer langen tijd, in zekeren zin, een familiegoed van de geslachten der vroegere hoofden; men vindt nog tegenwoordig te Manilla afstammelingen van de oude souvereinen des lands; deze familiën genieten de algemeene achting en worden ook door de regeering, die weet niets van haar te vreezen te hebben, met onderscheiding behandeld.

De lezer zal te beter dit stelsel van koloniaal bestuur kunnen waardeeren, wanneer wij later de binnenlanden zullen bezoeken van het groote eiland Mindanao, dat voor een deel nog onafhankelijk is, maar waar het spaansch gezag zich voortdurend uitbreidt. Het stellen van vaste regelen in de plaats van de willekeur der hoofden, en het opdragen van de handhaving der wetten en reglementen aan de aanzienlijken zelven, die daarvoor aan het gouvernement verantwoordelijk zijn, was een verstandige maatregel, die op de Philippijnen steeds proefhoudend is gebleken. Op die wijze worden de belangen van het volk behartigd en wordt tevens de aristokratie niet in haar rechten en in haar gevoel van waardigheid gekrenkt; bovendien wordt ook het centrale gouvernement niet gemengd in alle bijzonderheden van plaatselijk bestuur en huishouding, en is het ontheven van de altijd onaangename taak om voor de inning der belasting te zorgen.

Het ligt niet in mijn plan om ditmaal over de stad Manilla en hare omstreken te spreken; wellicht bestaat daartoe later gelegenheid. Evenmin kan ik hier uitweiden over de hartelijke en gastvrije ontvangst door hunne excellenciën, den betreurden kapitein-generaal don Domingo Mariones y Morillo, en den schout-bij-nacht don Rafael Rodriguez de Arias y Villavicencio; en over de vriendelijkheid en voorkomendheid van alle Spanjaarden, geestelijken, ambtenaren, partikulieren, met wie wij in aanraking kwamen.

Den 31_sten_ Juli vertrokken wij naar Balanga, de hoofdstad van de provincie Bataan, aan de westkust van de baai van Manilla gelegen. Uithoofde van de banken en ondiepten, kunnen de booten niet te Balanga zelf aanleggen, maar moeten op vrij grooten afstand van de kust het anker uitwerpen. De heer Génu heeft echter een brief geschreven aan een zijner vrienden te Balanga, don Cypriano del Rosario, _escribano_, zooveel als griffier en notaris, die eene sloep zal afzenden om ons af te halen.

Des morgens ten acht uren vertrekken wij van Manilla. Onze stoomboot, die tweemaal per week langs de noord- en de noordwestkust van de baai vaart, is zeer klein, en er gaat eene sterke branding. Wij zijn bijna de eenige passagiers van de eerste klasse; de boot is verder opgevuld met chineesche kooplui en met Tagalen, vergezeld van hunne onafscheidelijke pupillen, de voor de openbare gevechten afgerichte hanen. Menschen en beesten hebben allen te lijden van de zeeziekte, waardoor wij althans verschoond blijven van het oorverdoovend gekraai, dat de hanen laten hooren, zoodra zij een mededinger in het oog krijgen.

Wij houden stil tegenover de rio de Orani, op ongeveer vier mijlen van de kust. De banca, prauw, van don Cypriano is ter plaatse tegenwoordig; wij herkennen haar dadelijk, te midden der andere vaartuigen, aan de vele driekleurige vlaggen, waarmede haar eigenaar haar te onzer eere versierd heeft. De overscheping gaat niet gemakkelijk, want de branding is nog sterker geworden, en wij verstaan geen woord van hetgeen de schipper ons aan het verstand wil brengen. Eindelijk zijn wij dan toch in de prauw en zetten koers naar het strand. Onze twaalf roeiers, wien het zweet langs het lichaam druppelt, hebben eene zware taak; de lange prauw, door de golven omhoog getild, zweeft telkens ter helfte in de ledige ruimte, en schijnt op het punt van te breken; dan wipt zij voorover en dompelt zich eensklaps in de holte der golf, waarbij een wolk van schuim de roeiers overspat, die daarop met gillende kreten antwoorden. Onder den wal gekomen, roeien wij midden door den doolhof der _corrals_, paalwerken, van de visscherijen; en bereiken eindelijk, na herhaaldelijk te hebben vastgezeten, de rio de Balanga, die ter wederzijde is omzoomd door hutten, van gelijke gedaante als die der Maleiers te Malakka, maar veel zindelijker. Don Cypriano wacht ons met zijn rijtuig, en brengt ons door het vroolijke, volkrijke vlek. In de woning van onzen gastheer worden wij door zijne echtgenoote ontvangen met de gebruikelijke begroeting: _Han tomado Ustedes posesion de su casa_. Uwe Edelheid heeft bezit genomen van haar huis. Die woorden zijn intusschen meer dan eene ijdele formule; zij zijn oprecht gemeend, en de spaansche ridderlijkheid en gastvrijheid verloochent zich ook op de Philippijnen geen oogenblik.

Ons bezoek aan de provincie Balanga had, gelijk trouwens onze missie in het algemeen, voornamelijk een ethnografisch doel. De reiziger, die op zijne zwerftochten door den grooten Indischen archipel, van Luçon naar Java en van Sumatra naar de Molukken, niet anders ziet dan de kusten en de riviermonden, vervalt lichtelijk in de dwaling, dat al deze eilanden door hetzelfde menschenras worden bewoond, en dat men overal enkel Maleiers, meer of minder gewijzigd, ontmoet. Deze Maleiers behooren echter slechts tot het krijgshaftige, veroverende ras, dat zich eerst later op die eilanden gevestigd heeft; door vermenging met andere rassen is hun oorspronkelijke type in meerdere of mindere mate dikwijls gewijzigd, maar de hoofdtrekken bleven behouden, en daaraan kan men nog overal de Maleiers herkennen. In de berg- en boschachtige streken der binnenlanden wonen echter andere rassen, die onderling verschillen en reeds lang voor de komst der maleische veroveraars in het land gevestigd waren. Reeds te Malakka maakten wij op dit verschijnsel opmerkzaam, dat wij overal zullen aantreffen. De Tagalen of Tagalocs vormen de massa der bevolking van Manilla; wij zullen hen ook ontmoeten in de provincie Bataan of Balanga, en zouden hen ook in andere provinciën kunnen vinden. Even als andere verwante stammen, de Bicols, de Bisayas enz., onderscheiden zij zich alleen van de zuidelijke Maleiers door de sterkere vermenging met geel of zwart bloed. Sedert de vestiging der Spanjaarden zijn zij Katholieken en hebben geheel de vormen der europeesche beschaving overgenomen; zij bezitten grooten aanleg niet alleen voor werktuigkunde, maar vooral ook voor teekenen en muziek. Onder leiding van een opmerkzamen, energieken chef, zijn zij, als werklieden of landbouwers, vlijtig en werkzaam; als soldaten of matrozen, dapper en geduldig. Maar aan zich zelven overgelaten, is de verzoeking tot traagheid, die hun in het bloed zit, hun te machtig; onder meer dan een opzicht, doen zij u denken aan de voormalige lazzaroni te Napels, wier geslacht nu ook uitgestorven is. Toen de Spanjaarden in den archipel verschenen, was niet lang te voren de Islam daar ingevoerd; zonder de tusschenkomst der Europeanen zou hij ongetwijfeld binnen korten tijd deze vadsige, vreedzame, lijdelijke bevolking hebben onderworpen, en zouden de Philippijnen thans in de macht zijn van de mohammedaansche Maleiers van Soeloe en Mindanao.

In de bergen die de baai van Manilla omzoomen, van San-Mateo tot de sierra de Marivelès, en op nog een aantal andere plaatsen en eilanden, vindt men een menschenras, ten eenemale verschillend van de Tagalen, de Bisayas en van alle stammen, die tot het groote gele ras behooren. Dat zijn de Negritos, die uit een anthropologisch oogpunt ten zeerste de aandacht verdienen, omdat zij buiten kijf de oorspronkelijke bewoners dezer eilanden zijn. Zij leven in bijna volkomen onafhankelijkheid, als wilden, meer of minder gemakkelijk te naderen, naar gelang van de wijze waarop de omwonende bevolking hen behandelt. Verschillende overwegingen brachten ons tot het besluit dat de Negritos van de sierra de Marivelès, in de provincie Bataan, het gemakkelijkst te naderen en te bestudeeren zouden zijn: ziedaar de reden, waarom wij naar Balanga zijn gegaan.

De uitkomst overtrof onze verwachtingen. Die ongelukkige Negritos, de eerste bezitters van den grond, zijn door de Tagalen van de oevers der zee en der rivieren en uit de vlakten verdreven; daarmede nog niet voldaan, hebben de veroveraars ook den goeden naam van hun slachtoffers in discrediet gebracht: volgens hen zijn de Negritos dieven, moordenaars en brandstichters. De feiten, waarop men zich tot staving van deze beschuldigingen beroept, zijn doorgaans niet te loochenen; maar de Tagalen vertellen er niet bij, dat de aanvallen en geweldenarijen der Negritos meestal niet anders zijn dan daden van weerwraak.

Onder het verlicht en rechtvaardig bestuur van den tegenwoordigen _alcade_ (gouverneur) van de provincie Bataan, leven de Negritos in goede verstandhouding met de Tagalocs, en geven geene aanleiding tot eenige klacht. Het zal ons geene moeite behoeven te kosten, hen te Balanga zelf te bestudeeren, waar zij gewillig komen, en ook in hunne bergen, die wij zonder eenig gevaar kunnen bezoeken.

Inmiddels kleeden wij ons in den afschuwelijken zwarten rok, met witte das en wat verder tot het ideaal-smakelooze moderne galakostuum behoort, om, vergezeld van don Cypriano, onze opwachting te gaan maken bij den gouverneur. Het is echter nog te vroeg, en wij hebben al den tijd om eerst een wandelrit te maken. Wij volgen den weg van Abucay, die midden door de vlakte tusschen de zee en de eerste uitloopers van de sierra de Marivelès loopt. Deze geheele vlakte is bedekt met rijstvelden, afgewisseld door moerassen, waaruit de buffels hunne zware donkere koppen opsteken tusschen de groene lotusstengels en het dichte riet; talrijke groepen van arbeiders komen, in hun wit of kleurig gewaad, schilderachtig uit tegen den bruinen grond; op den achtergrond verrijst de berg van Abucay, tot den top met zwaar geboomte begroeid. De hemel is bewolkt en een zacht getemperd licht beschijnt het geheele fraaie, kalme landschap.

Het is reeds laat in den namiddag; wij zetten onze kleine paarden in draf en keeren naar Balanga terug. De alcade, don Estanislao Chaves, ontvangt ons met de grootste hartelijkheid, evenals de heer Perez,_promotor fiscal_, zooveel als procureur-generaal, die zich juist in de _Casa Real_, het gouvernementshuis, bevindt. De heer Chaves noodigt ons allen te dineeren, en wij brengen een prettigen avond door, pratende over de Philippijnen, die al deze heeren door en door kennen.

Reeds den volgenden morgen, dank zij de bemoeiingen van den gouverneur en van don Cypriano, meldt zich een gezelschap Negritos bij ons aan. Deze wilden stellen een onbepaald vertrouwen in den heer Chaves, die hen, langs bedaarden, verstandigen weg en zonder dwang, heeft weten te bewegen om het spaansche gezag te erkennen, zonder van hen de belasting te vorderen, die zij niet in staat zijn op te brengen.

De Negritos, die ons komen bezoeken, zijn naakt, met uitzondering van hun opperhoofd, die wel geen pantalon, maar daarentegen een rok naar de mode van het jaar '30 draagt, benevens een zwarten hoed, waarvan de zijde naar den verkeerden kant is geborsteld. Hoewel zij in het minst geene vrees koesteren, hebben deze arme drommels toch in hun voorkomen en houding iets van de honden van akrobaten, die geduldig het oogenblik afwachten, waarop een zweepslag hun het teeken geeft om door een hoepel te springen. Wij bieden hun verschillende geschenken aan; terwijl mevrouw del Rosario hun een stevigen maaltijd laat voorzetten en vriendelijk met hen praat. Weldra is nu het ijs gebroken; het opperhoofd zegt dat wij, zoowel hier als in de bergen, met hem en zijn stam kunnen doen wat wij verkiezen: van de vrienden van den alcade en den escribano heeft hij geen kwaad te vreezen.

De Negritos zijn zwart-bruin van kleur en hebben daardoor, zoowel als door hun wollig kroes-haar, veel overeenkomst met de negers van Afrika en ook met de bewoners van Nieuw-Guinea, waarvan zij toch ook weder in belangrijke punten verschillen. De vorm van hun schedel is breed; hunne gestalte is buitengewoon klein: volgens onze waarnemingen, is de gemiddelde grootte bij de mannen 1.48 M. en bij de vrouwen 1.46 M. Hun smalle borst, hun magere beenen zonder kuiten en hun naar binnen gebogen voeten geven hun een voorkomen van zwakte en onbeholpenheid; zij zien er echter in het minst niet terugstootend uit en zijn niet veel onzindelijker dan de inboorlingen op het schiereiland Malakka. Dat zijn de voornaamste kenmerken van deze vroegere bezitters van den grond, die weleer al de Philippijnen bevolkten en wier gebied zich vermoedelijk nog veel verder uitstrekte, daar de heeren de Quatrefages en Hamy de eigenaardige kenmerken van hun ras hebben terug gevonden bij sommige schedels in Indië en in Japan. Om hunne levenswijze en hunne gebruiken te leeren kennen, zullen wij hen in hunne bergen opzoeken.