Part 9
Dikke regenstralen sabelden neer en kletterden op de straat, opsputterend. Een paar lantarens staken als druipende vuisten uit de natte muren der huizen. Aan het eind van de straat was een kolk, tusschen twee sluizen. Een schip lag daar te druipen, log en koud ineengeplompt, met glimmerig dek. De schipper in blauw-baaien hemdrok pompte. Met horten spuwde de pomp kleine brokjes water uit. Eén der brugwachters stond te visschen, de andere, met de kraag van zijn blauwe jas opgeslagen een zwart eindje pijp in den mond, duwde met een langen haak de sluisdeuren open. Zijn handen waren rood en opgezwollen van de regen. Frans bleef naar hem staan kijken, tot hij verdween in zijn geelhouten huisje met kleine raampjes. Een paar bakjes met klimop stonden treurig in de smalle kozijnen. De blaadjes wind-trilden bij beetjes.
Frans liep de smalle ka langs, de handen in de jaszakken, als een oud ventje en was nu spoedig t'huis. Zijn moeder wrong zijne natte kleeren uit. »Waarom was hij niet in school gebleve? »Ete had ze niet. Van avond zou vader misschien wat geld meêbrenge, want hij was niet t'huis gekomme en werkte dus zeker.« Frans bleef in een oud kiekje, dat zijne moeder tot borstrok gemaakt had door er de mouwen af te snijden, een poos voor de lage ramen kijken, die dik met stof en zeepsopspatten bezet waren. Eene waschvrouw aan den overkant was voor den regen naar binnen gegaan. Naast haar kuip, die door een engelsch hemd en een deken toegedekt was, lag een hoop vuil goed in een klein plasje.
Toen het tijd voor school werd, kleedde zijn moeder hem aan en ging met hem meê. De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden troepjes vrouwen met kinderen te wachten. Zijne moeder sloeg haar sloof om Frans heen. Frans vroeg waar kleine Leentje was. Die was bij de buurvrouw, zei zijne moeder. Ze had naar vader gezocht en had vergeten, het kind terug te halen, toen ze t'huis gekomen was. Dat kwam doordat Frans zoo nat t'huis kwam.
De schooldeur ging open. Voor en na verdwenen de kinderen in het vierkante gat en de vrouwen gingen paarsgewijze heen, met hun klompen de dunne modder opspattend. Met de eene hand tilden ze hare rokken op.
Frans ging schoorvoetend naar binnen. »Niet met de zuster prate,« verzocht hij. Doch zijne moeder vroeg aan zuster Angelica, of hij voortaan bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr, om er een hond door te jagen. En dan een kind, dat zoo weinig aan z'n lijf had.
De zuster, die door Leentje reeds ingelicht was, zei: dat hij om huis geschreeuwd had. Ze hadden hem brood wille geve; maar hij wou niet. Er zat een leelijken kop op dien jongen. Hij was wel bedaard en stil, daarvan wou ze niets zegge; maar hij kon soms zoo norsch en koppig zijn. Die kop most gebroke worden, dat was z'n moeder verplicht. Anders kwam er niks van hem terecht. En dan speelde hij nooit is met andere kindere, er zat niet bij. Geen tier kon je er in krijge.
De moeder gaf haar gelijk. Ze wist niet naar wien hij een aard had. Zij was voor haar trouwen zoo stil niet geweest en wou wel weten, dat ze toen lang geen kniesoor was.
Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. »Met geweld, zuster, gerust, ik geef u permissie.«
De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen de ouderen op de banken en liepen mekaar na. Er was tusschen den middag geen raam open geweest en de kachel had aldoor fel gebrand, zoodat een klammige warmte uit de kleederen der kinderen opsteeg en hun handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weêr, de kinderen baden en zongen, iets lijziger dan 's morgens, en kregen hun leiën. Er werd een plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door den wolf verscheurd. Alleen het roode kapje van het meisje en de witte tanden van den wolf waren op een afstand te onderscheiden. De brekebeenen, die déze plaat niet konden nateekenen, mochten hun krachten beproeven aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een appel, een peer, een knol, een peen, een tros druiven, een aardappel, een hoopje aardbeien en een komkommer.
De kinderen knarsten met hun griffels. Een kwartiertje was Leentje met de grootste bezig. Ze zei: spa-a; slee-e en de anderen schreeuwden haar na. Eindelijk zei de zuster, dat het dien middag toch niet ging en dat de kinderen dus maar wat moesten gaan teekenen.
De goot op het plaatsje pitte-pette: de regen scheen opgehouden te hebben. Soms even zwiensde het water langs het zink en plits-pletste op de gele steentjes. Glimmende droppels licht zaten verspreid tegen de bewasemde ruiten en biggelden van tijd tot tijd een eindje naar beneden.
Het begon al vroeg donker te worden. Het licht schimde door het overwarme schoolvertrek, waarin een hooge kachel stond te gloeien. De hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien. Als twee donkere vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het toenemende donker trokken hunne voeten op en de beelden werden twee wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten. De kinderen konden niet meer op hun leiën zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken, doch in dit waren geen gaslichten aangebracht.
Er werd gebeden en gezongen en Leentje deed de ketting van de deur. Toen ze de deur opende, zwiepte de regen haar in het gezicht. Ze sloeg haar rood-wit-gestreept-katoenen schortje over het hoofd en hield het met de linkerhand onder haar kin vast. De punten zwibberden schik-schokkerend-klip-klap langs haar gezicht. In de donkere ruimte tusschen de deurstijlen verschenen vrouwengezichten, onder flauw beglimplichte regenschermen. Ze noemden een naam, die door Leentje hoog-gillend in de school gestooten werd, tusschen de duisternis. De kinderen kwamen met slapende voeten aandribbelen. Ze werden door hunne moeders in jassen en doeken gerold en groetten de zuster, die stijf rechtop naast Leentje was komen staan. Flauw-wit schemerde haar kap, als ze het hoofd boog om terug te groeten. Zwijgend stond ze daar en liet de kralen van haar rozenkrans tusschen de vingers glijden.
Tegelijk, dat een man de lantaarn bij de bewaarschool opstak, werden ook de ramen van de school aan den overkant verlicht. Strak holoogden de ramen. Het licht schimmerde over de natte straat, tusschen de voeten van de silhouetten der menschen door, wierp strepen schamplicht langs de natte rokken der vrouwen en glom langs het plafond der zusterschool. De doffe ruiten hadden een flauwen goudgloed.
Een woelig geluid drong uit het achterlokaal in het verlaten vertrek, waar nog slechts enkele kinderhoofdjes in het halfdonker op de bankjes verspreid stonden. Heel in de verte naderde het geratelwiel van een rijtuig, op de ongelijke steenen ophotsend. Het kwam nader en werd toen dunner en onduidelijker.
Leentje hielp de laatste kinderen aankleeden. Geeuwend zei de zuster: wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit.--Zou zuster Monica d'r kindere nog langer houwe? Ga 't is vrage, Leen!
Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed was. Terwijl ze Frans aankleedde zei ze:--Je kon het an de kindere wel zien. Ze ware zoo slaperig as de wiedeweegaai.--Ze boog plotseling het hoofd en schuinoogde naar zuster Angelica, die haar echter niet gehoord had en met haar rozekrans spelend in de lichte hokjes stapte, tusschen de schaduwlijnen die de raamsponningen op den vloer wierpen. Van tijd tot tijd geeuwde ze en eindelijk liep ze naar het plaatsje en opende de schooldeur. Ze stond zwart tegen den gouden achtergrond, die van licht en leven tintelde. De kleine, vroolijke, mollige zuster Monica verbood met haar lieve stem de lastige kinderen, die aan haar armen en haar zwart nonnenkleed hingen. Ze ging door het holle voorvertrek en het jolige troepje maakte zich van haar los en liep lachend de straat op.
Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat gebracht.--Jullie moeders komme niet opzette, zei Leentje. We kanne je van nacht niet houwe.
Koud klamden Frans de kleêren aan het lijf. Hij liep door de donkere straat, tusschen de overhangende gevels. De lantaarns leken dun en teêr en hun treurige, bekoper-randgele vlammetjes met zwarte hartjes strakten in den regen, die grijsgestreept neersabelde in het opeengepakte kildonker tusschen de huizen, welke als verschroeide, uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind en koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de zwartgroening van de kolk, die tegen den steenen kant opkabbelde in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van het brugwachtershuisje, die een gezellig licht uitwierpen, zat een man te eten uit een dampend ijzeren pannetje. Frans keek naar de sluis. Tusschen de sluisdeuren brabbel-zwalpte het water met witte bruisjes. Uit tal van reten lekte het in fijne dunningen, dooraderd van straaltjes lantaarnlicht.
De straten waren hol en leeg en lijnden moeielijk voort in de dompige atmosfeer. De lantaarns leken met een stamp in den grond gezet en streken langwerpige lichtplassen van zich af over de natte kleibollingen.
Een buurmeisje, dat boter en kaas gehaald had en op een stukje krant in de handen droeg, zei tegen Frans, terwijl ze nu en dan van de kaas snoepte: Je moeder heeft zoo gehuild. Ik heb het zelf gehoord. Je vader is dronke t'huis gebracht door drie mannen en hij heeft haar geslage. As ik jou was, ging ik gauw is kijke.--Frans liep op een drafje het steegje in. De lamp was nog niet op. De waschvrouw stond te boenen bij het licht van een petroleumlamp, die voor het raam gezet was. Het glinsterende, rookende zeepsop schuimvlokte langs haar armen. Ze had een witte doek om haar hoofd geslagen en stond in een plas licht voor de kuip, waarnaast vuilwit en rood en blauw goed op een viezen hoop lag, door den regen in elkaar geslensd.
In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een twijfellicht, dat de enkele meubelen even liet onderscheiden. Op een stoel voor het raam zat zijne moeder. Een dof, reutelend gesnork klonk uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen ruwe vloeken en heesche uitroepen. Plotseling richtte hij zich soms op en slingerde lange verwenschingen rond zich. Frans was stil bij zijn moeder gaan zitten. Ze legde zijne hand in de hare.
Een ongezellige koude kleumde in het vertrek.
Zacht vertelde de vrouw aan Frans, dat zijn vader 's middags t'huis gebracht was. Hij had een halven dag gewerkt maar door den regen hadden ze moeten uitscheiden. Toen was hij in een herberg gaan zitten.--Eten had ze niet, kleine Leentje had straks ook al om eten geschreeuwd. Moeder was blij, dat ze sliep. Frans moest maar gauw naar bed gaan, dan lag hij warm. Misschien kwam er van nacht wel uitkomst. Of ze de lamp aanstak? Er was nog maar een beetje olie in, en dat moest ze sparen. Je kon niet weten, wat er van nacht gebeurde.
Eensklaps begon de dronkaard in den hoek benauwd te gorgelen. En de vrouw barstte plotseling in woede los: Stik maar! ellendeling!
EEN DAGJE UIT.
Het liep naar negen uur, toen hij ontwaakte. Een poosje bleef hij liggen soezen, den vorigen dag overpeinzende, zich koesterende in de gedachte, dat hij vrij was. Vrij van het eentonige dagelijksche werk, dat z'n zenuwen opvrat, jaren achtereen. In een onstuimige opwelling had hij zich al de kleine ergernissen van het lijf geschud. De korf was deze bij te klein geworden.
Forsch bruischte het bloed door z'n lichaam en zweepte hem op. Vlug schoot hij een sjamberloek aan en wierp een raam open, om de walgelijk-lauwe lucht in de kamer te verfrisschen. Haastig ontbeet hij. De akelig-rechte, stijve gevels, allen van een zelfden model, gluurden hem door de ruiten aan. Een zwoele lomerigheid, die van de strakblauwe lucht omlaag suizelde, sloeg de groentenventers met stomheid en de bakkers, die brood rondbrachten, zwetende onder hun stroohoeden, belden met lamme armen. In huis hing een saaie stilte, een warm halfduister, langs de gestukadoorde wanden naar het plafond opklimmende en langs de trappen naar beneden doezelend. In de kamer was het smoorheet. Het sombere behangsel en de zware overgordijnen voerden maar steeds warmte aan, die onophoudelijk de kamer inkringelde. Terloops keek hij eenige tijdschriften in; maar wierp ze spoedig van zich.
--Bah! hoe eeuwig saai!
Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen af. Met een smak trok hij de voordeur achter zich toe. Een trage galm trok een donkere, vibreerende streep door de lauwe lucht op de trap.
Hij was den hoek omgeslagen en liep nu op den lijnrechten Singel, blakerende in den zonneschijn, die de kale, magere boompjes verschroeide en het blikkerende water scheen te drogen. Hij baande zich een weg door de stofwolk van verveling, die boven de witgrijze, pulverige steenen hing te twintelen. Het prikkelde hem de lui, die met gebogen hoofd voortsloften, achter zich te laten, aardigheden zeggend aan de dienstmeiden, die met gloeiende gezichten, losgemaakte mutsen en bloote, rooie armen de belknoppen stonden te poetsen, zwijgend en puffend. Een oogenblik bleef hij staan voor een boekwinkeltje, wierp een blik op de slaperige, godgeleerde titels en ging dan verder, zich met z'n rotting een fikschen slag tegen het been gevend. De tramwagens, die hem voorbij kropen, waren vol stof en zweet, die de lieden, welke er in zaten, deden stikken. Den koetsiers was het teveel, de teugels aan te halen en de suffende paarden, die een sukkeldrafje hadden, liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te heffen boven de stofwolk, die ze zelf opwierpen. Zoo kropen ze voort, kleiner en kleiner wordend op den weg, die als een gele streep langs het water lag. Nu en dan hoorde men een dun belletje met een zweterig stemmetje, spoedig wegsmeltend.
Op een groot, wittig plein, naast een brug, zat een oud man onder een zeildoeken tentje vreedzaam een pijp te rooken, omgeven van 'n vak bloempotten, die de oogen deden schemeren door hun schitterende, helle kleuren, aangezet tot barstens toe. Een paar vlinders fladderden rond, op en neer dansend in den zonneschijn.
Toen kwam hij op een lijnrechte kade naast een breed water, met een warrel schepen, door zonneschijn overgoten. De teer liep langs de naden. Een grijsaard met blauwkatoenen slaapmuts, geduldig bossen talhout op elkaar stapelend, was het eenig levend wezen, dat men op die schepen zag. Een troep vischvrouwen, in den smallen reep schaduw bij de vischmarkt opeengepakt, leunden op hunne wagens, zwetend en zwijgend, op den afslag te wachten. De spiegelruiten voor de akelig lege, vervelend holle winkelkasten, schampten het sterke licht af. Eenige jongens stonden op trapleertjes de ruiten te poetsen als in een nevel van licht, die de randen van hun vormen opslorpte.
Eensklaps sloeg hij 'n nauw, donker zijstraatje in, van plan, een neef te bezoeken, die daar in de buurt een aardappelzaak moest hebben. Sinds jaren hadden ze elkaar niet gezien.
In het heete, doffe licht van den winkel zag hij een rij eenvormige bakken, als troggen, blauw van buiten, vuil wit van binnen. Een paar maten, wier gepoetste koperen naamplaatjes wat licht pakten, lagen te knipoogen in het heete aardappelstof, dat den winkel doortrok. Het hysterisch getinkel van den bel schoot witte kringels door de gele atmosfeer. Een man in paars boezeroen deed de bewitgordijnde deur van het achtervertrek open en schoot op een beroerd saaie manier een paar muilen aan, die voor het dorpeltje stonden te gapen. Na opheldering en wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid, ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden toon. Het schreeuwend-pretentieuse ontbrak hier. Bij de groote deurramen, die op een kil tuintje uitzagen, zat een bleek, melancholies meisje, die aan 'n haakwerkje bezig was en even 't hoofdje ophief, om den bezoeker te groeten, met een stillen, bleeken groet. Aan de tafel zat een warme schommel van 'n stijve vijftig, aan blauw-wollen kousen voeten te breien. De heer des huizes, die z'n sloffen had uitgedaan, wierp zich in z'n stoel. Statig zei hij: Daar is neef Henri. Het meisje hief levendig het hoofd op en keek neef oplettend aan. Toen stond ze op om naar hem toe te komen, vol kinderlijke blijdschap; maar Henri voorkwam haar. Ze gaven elkaar hartelijk de hand.
»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder de vrouw was opgestaan, de kous in haar hand. Haar goedig gezicht met dikke plooien werd met een zweem van ongeloovige verrukking en blije verrassing naar neef gericht. Met schitterende oogen keek ze hem door haar bril aan.
»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.«
»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k Was nog pas«.....
»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n onbeleefdheid niets gemerkt en zei: Wel, gossiemijntijd, wat lijk je veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai?
Aai brandde z'n lippen aan z'n heete kop koffie en bromde misnoegd: weet ik het?
Neef kreeg natuurlijk ook koffie en zat weldra al z'n adem uit z'n longen te blazen. Onderwijl ondervroeg tante hem, of ze rechter van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en hield zich bezig met bleeke overdenkingen, neef van tijd tot tijd steelsgewijze aankijkend. Arie leunde achterover in z'n stoel, de beenen ver uitgestrekt, de duimen in de armsgaten van z'n vest, de borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als hij door z'n zenuwachtig kwebbelende vrouw tot getuige werd geroepen, antwoordde hij met 'n enkel woord, wrevelig, laatdunkend. Niets kon hem deren! Hij zat in 'n wolk van kouwe majesteit.
Maar Henri merkte, dat hij alleen sprak en 't hinderde hem. Hij werd woedend op z'n tante, die hem met haar botten glimlach zat aan te starogen. Hij hoorde nog, dat al de andere kinderen getrouwd waren en de jongens fatsoenlijke baantjes bekleedden. Ze hadden een zorgvuldige opvoeding gehad, die handen vol geld kostte, zooals Arie zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen ons zijn? Dit zei hij op dikken, zelfgenoegzamen toon, met de plompe duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte Henri tegen nicht op, min of meer gedwongen. En ze antwoordde met 'n licht zuchtje: Ik ben niet gelukkig geweest.
't Was frisch in het vertrek. Neef kreeg een kil gevoel en 'n afstotende magneetkracht werkte op z'n zenuwen. Van hartelijkheid was in dit gezin geen spoor te vinden. De ontvangst van z'n tante kwam hem voor, exceptioneel te zijn. Ieder stond op zichzelf. De witte neteldoeken gordijnen, door magere koordjes met schrale kwastjes opgehouden, in hun eentonige netheid ontnamen het licht, dat van buiten kwam, alle warmtestralen. Een walgelijke geest van doodende tevredenheid vulde de kamer met 'n koude klaarte, die zich tegen hem aanwierp met 'n korten slag. De zelfgenoegzame man met z'n ringetjes leek 'n bloedzuiger, zat van voldane begeerte, die daarom zijn prooi had losgelaten.
Het burgerlijke liberalisme.
Toen Henri weer op straat was, voelde hij 'n ledig om en in zich. De holle straten, waarin de zon nog niet had geschenen, waaierden hem een vochtige lucht tegemoet. In een koffiehuis, dat hij binnentrad, waren de kelners bezig met het afnemen en wrijven van de tafeltjes en namen geen notitie van hem. Eenige kranten, nog vochtig van de pers, lagen in wanorde op een paar tafeltjes verspreid, als vuile witte vlekken. Een muffe, vochtige donkere lucht hing in de zaal, die galmde, als er 'n stoel werd verzet. De weinige woorden, die de knechts en de juffrouwen van het buffet wisselden, klonken hol als uit een graf.
Spoedig begaf hij zich weer op straat en begon langs de winkels te slenteren. Een lusteloosheid begon zich van hem meester te maken. Onverwacht werd hij op den schouder getikt. Een jong, net heer met militairen knevel en losse manieren keek hem oplettend aan.
--Henri, geloof ik?
Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar, die alle mogelijke dingen bij de hand had en het leven doorrolde, tot hij aan een jong, lief, tamelijk rijk meisje, een wees, bleef hangen. Toen had hij zich uit de kring zijner bekenden teruggetrokken en bezocht met haar Brussel, Parijs, en Napels.
--Wel, woon je hier? En ze gaven elkaar hartelijk de hand.--Ik woon hier al een maand of wat. Dat we mekaar nooit eens tegen 't lijf geloopen hebben! Maar vandaag zal je me niet ontloopen, dat is afgesproken.
--Hoe vaart je vrouw?
--Wist je 't niet? Dood, man, de tering. Was wel te zien. Sentimenteel.--Hij haalde even de schouders op.--Anders een verdomd lief ding. Aangenamen tijd samen doorgebracht. Maar er is niets an te doen. Geen kruid voor gewassen. Sukkelen lang, maar eens is eens. Enfin, 't hoofd maar boven water gehouden. Knerpen en triesten dient nergens toe. 't Maakt je oud voor je tijd... Maar 'k ben allemachtig blij, dat 'k je zie. Een verdomd triestige stad hier 's morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in d'r oogen. En wat doe je? Ik ben een poos aan een dagblad geweest. 'k Kreeg opeens een werkmanie. Maar dat beroerde gezemel. 'k Ga weer naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui zonder bloed, bah!... Rooken? Heerlijk, delicieus.... 'k Ben een paar dagen uit de stad geweest, voor een rechtszaak. Maar daar had je bij moeten wezen.... En hij lachtte, dat de menschen bleven staan.--'k Heb hem vierkant uit 't veld geslagen, de pruik! Een smerig zaakje van 'n vriend, 'k zal je later wel eens vertellen. 't Moest noodzakelijk de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was op m'n »quivive.« 'k Zei!.....
Hij bleef staan, nam z'n rotting onder den arm, pakte z'n vriend bij de schouders en draaide hem om. Toen nam hij heel diep z'n hoed af en maakte een diepe buiging--Edelachtbare!
Met een stem als een fransch tenor, begon hij verbazend rad te spreken en artikelen van het code aan te halen, zoodat het z'n hoorder begon te duizelen. Spreker was geheel in vuur. Hij hoorde niet, dat een dienstmeisje stond te ginnegappen. Hij zag niet, hoe een paar vuile straatjongens hem van onder de kleppen hunner petten aangluipten. Onder 't spreken nam hij z'n rotting in de hand en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat een hond, die in een vuilnisbak wroette, vreesachtig z'n mager lijf ineenstuipte en wegsloop, de staart tusschen de beenen, telkens den kop schichtig omdraaiend en met een paar schuchtere, waterige oogen den man aankijkend.
Zoo stond deze wel een half uur te oreeren en gestes te maken, op een drukke plek in den barren zonneschijn, terwijl hij elk oogenblik gevaar liep, door sleperswagens overreden te worden. Toen barstte hij in 'n zilverigen lach uit.
Plotseling zei 't dienstmeisje met een leelijken, platten tongval: Z'n mond gaat as een lazerusklep.
Hij onderbrak z'n lach. 'n Wolk kwam over z'n geestig gelaat. Ruw baande hij zich een weg door de jongens, met fiksche striemen. Met groote stappen liep hij vooruit.--Bah! Dit zei hij op een zeer verachtelijken toon. Maar langzamerhand kwam hij tot bedaren.
Dat was specifiek Hollands! en hij vaagde de onaangename herinnering weg. Toen vervolgde hij: