Een nest menschen

Part 8

Chapter 84,102 wordsPublic domain

Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwen der kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.

Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê.

Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.

KINDERVREUGD.

Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op te eten, die moeder 's morgens in de kast had klaargezet.

Maar nu regende het.

Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:

--Zouwe Lou en Jan op straat zijn?

Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.

Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:

--Weet ik het? 't kan me niet schelen ook.

--Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!

De jongen ging slenterend den trap af.

Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een hoekplankje bij het eene raam--meer was in het vertrek niet te zien.

Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp van een nest jonge vogels in de dakgoot.

--Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel een heelen dag wille slape.

Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.

--Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?

--Foei, niet vloeke. Dat's groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer kan alles zien en hoore.

--Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al lang. Waar is God? Op aarde, in den Hemel en op alle plaatsen. Weet God alles? Ja, God weet en ziet alles.... Ik zit ommers een leering hooger dan jij.... Daar heb je ze al.

Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d'r eige morg' ochend weer kepot boene.

Een gemompel beantwoordde haar.--De twee kinderen kwamen op hun kousen boven.

--Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.

De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.

--We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?

--Moedertje spele? stelde Leentje voor.

--Heb je wat?

--Neen.... ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d'r werkhuis meegebracht.

--Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.

--We kenne uit gekkie spele.

--Nee, daar is niks an!

--Ajakkie. nee!

--Wacht jullie effe--Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: Eerst hebbe, dan lebbe.

Lou hielp ze uit den brand.

--Meid, durf je dat uit de kast te neme?

--Denk je, dat 'k zoo'n bange schijtert ben as jij!

--Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.

--Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d'r haar. En as 't op is, is 't koke gedaan.

--D'r is nog genog te koop, vulde Jan aan.

Leentje en Lou maakten deeg. Jan's diensten werden daarbij onnoodig gekeurd. Eindelijk zei Leentje:

--Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou niet van die mensche, die met d'r arme in den weg zitten. Ze doen ordiner wat kwaads.

Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.

--Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het wel geve zal. Hard loope, hoor!

Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze 'n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.

De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren komfoor, waarop het pannetje siste.

Leentje zorgde voor de toekomst:

--Nou hebben we nog geen stroop.

Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.

De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.

--Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.

--Zonde, wat is dat?

--Kwaad.

--Ik krijg nooit geen slaag van moeder. 'k Zou het niet toelate ook. 'k Zou moord roepe en ze in d'r handen of in d'r beenen bijte, dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.

--Je had het den man niet motte wijsmake.

--Watte? 't Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, dat je die....

--Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.

--Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie van z'n vader, als deze dronken was.

De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje meel in het pannetje.

--Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.

--Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!

--Nee, dat 's flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je 't nou nog van Lou zei. Maar wat mótte we doen?

--Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.

--Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.

Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik zou je danke, dan heb ik geen man noodig.

--Nee, zei Jan, dat wil ik niet.

--Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en Frans zal houwe, of t'i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk trekke.

Lou zat aldoor in 't pannetje te roeren.

Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op 't vuur. 't Kan nog wel een dag brande. 'k Zal maar ineens an de blaasbalk gaan trekke.

En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, in de lucht.

Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.

--Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t'huis komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik een pandje make.

Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend in een stoel. Jan deed Frans in alles na.

--Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d'r dak valle. Ik ken de manne, 't is lastig goedje. As je d'r met iets ankomt as ze pas van d'r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in een huishouwe, zei Leentje ernstig.

Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:

--Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.

--Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en 't is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele....

--Laat 'm in 's hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons heele armoedje kepot.

--En wat zou dat? stoof Frans op: 'k mot er zellef voor werke.

--Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hoore rammele.

Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.

--Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.

--Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m'n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zoo'n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.

Jan zat als versteend.

--Werachtig niet. 't Is van de hoepels en de.... Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.

Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.

--Je mot drie cente hebben.

Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.

Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?

--Meid, maak zoo'n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.

--Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder zal er niks van merke.

Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.

Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op was].

Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom stelde hij voor, kerkje te spelen.

--Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.

Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk zei hij: Amen! met een langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou hij daarom dit keer maar nalaten.

--Ik had een rooie zakdoek voor m'n neus en een witte voor m'n gezicht motte hebbe. D'r is d'r geeneen, die preekt, of hij heeft twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.

Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een goedkeurend woord van zijn zusje.

--Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.

--M'n hoofd staat er niet naar.--Ze tobde over de stroop.

Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het plechtig op.

Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.

De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de jongens vol bacchantische geestdrift aan:

De Amsterdamsche keukemeid En die kan zoo lekker kooke....

Maar de meisjes waren voor vertellen.

Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te bewegen. Het vertellen hield op.

Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees en benauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.

OP DE BEWAARSCHOOL.

De bewaarschool ging aan. De vrouwen gaven hun meerendeels huilende kinderen aan de deur af en een helpster bracht ze naar hun plaatsen. Zuster Angelica bleef met de moeders nog wat praten, die onder druipende, glimmende regenschermen elkaar stonden te verdringen, luid kwebbelend. De non hield de tippen van haar sluier met de witte rechterhand bij elkaar, om haar streng, koud en bleek gelaat tegen den regen te beschutten. Vóór de doffe schoolramen stonden een paar druipende handwagens, glimmerig van het nat, en waarin half-verrotte stukjes koolblâren vastkleefden. Een drietal zinken goten in de nabijheid klitterden hun water op de straat, nú met forsche gulpen, door den wind opgejaagd, dán zachtjes, dun klipklitterend. Breede rimpels vaarden over den grooten plas bij de deur, telkens als de wind uitschoot. De vrouwen hadden dan beide handen noodig om haar parapluies rechtóp te houden. Zij beklaagden de kinderen, die, dun gekleed, met roode, geweekte gezichten en handen aankwamen, druipend en bibberend in elkâar geslonsd.

Een klaterig geroezemoes van kinderstemmen en klompengestommel rolde door het schoollokaal, een plomp, vierkant vertrek. Door den achterwand, grootendeels bestaande uit een glazen beschot, zag men, over een klein plaatsje met eene pomp heen, in een tweede lokaal, waarin de oudere kinderen zaten, die op de banken klommen om naar de huilende kleinen te kijken.

Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd rondturende naar de witte wanden en naar het kruisbeeld van wit gips, op een kruis van ebbenhout uitgestrekt, tusschen eene Maria Onbevlekte Ontvangenis en een Jozef, die stijf rechtop tegen den muur stonden.

Leentje, de helpster, bracht maar steeds kinderen aan. Ze deed ze jassen en hoofddeksels af en stapelde de trommeltjes met boterhammen, die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden driehoek. De kast was vol uitwasemingen der natte kleêren.

Leentje was zeer aardig voor de kinderen. Ze sprak ze vriendelijk toe en troostte hen de tranen weg, die bij sommigen tusschen de wimpers glommen.

De statige zuster aan de deur had woorden. Koud drongen haar woorden naar binnen naast de zenuwachtige, lauwe geluidstukjes van eene vrouw.

--Zeg, eerwaarde zuster, m'n kleine Jan krijgt 's middags geen wateremelk, en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee cente.

--Hoor is, vrouwtje, op praatjes van kindere mot je niet afgaan. We trekke niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel?

--Wel zeker zuster, maar....

--Nu dan, dan kunne we onze diskussie stake.

--O, ik houw ook niet van diskedië, maar, ziet u, het is eige vleesch en bloed, mot u maar denke. Wel bedankt zuster! Dag zuster!

Statig boog deze. De vrouw nam met de linkerhand--in de rechter droeg ze haar ouwe parapluie--haar beslikte rok op en ging heen met een lachje van voldoening, dat ze zoo goed haar fatsoen wist te houden. Als ze een voet optilde, kwamen dik-gestopte roode kousen met zwarte voeten boven haar klompen uit, waarin van onder groote gaten waren.

--Leentje, je kunt de deur sluiten, zei de zuster en ging naar binnen.

Leentje nam de zware ijzeren ketting in de hand en boog zich om de deur heen, om te zien, of er nog kinderen kwamen. De lange, smalle straat lijnde zwaar voort, stil en leeg. Een menigte plassen glommen onder de grijze lucht, die aan het einde der straat afgestoken werd door een dompigen, zwaren toren, die plomp op den grond stond.

Leentje liet haar oogen door de straat gaan, tot ze bleven rusten op de ramen van de school aan den overkant. Een bleek, gebrild hoofd met kortgeknipte haren, waaraan dikwijls een pen was drooggemaakt, keek haar aan en knikte half deftig, half jolig; maar jolig op eene bijzondere manier. Leentje kreeg een kleur en flapte de deur dicht. Na een oogenblik echter stond ze weer tegenover het bleeke hoofd, dat even de oogen sloot en toen achter de onderste betraliede doffe ruiten wegzonk. Toen ze nu voor de tweede maal de deur sloot, bromde ze: zoo'n kwibus.--

Het schoolvertrek was vol van een nattig, ongezellig licht, dat door de krijtwitte ruiten binnendrong. Helder waren alleen de vier bovenste ruiten, waartegen zich de gevel van de school aan den overkant plaatste, in drukkende platheid.

De zuster deed een gebed, waarna de kinderen op zingenden toon het wees-gegroet baden, de groote massa met een naren dreun, een eentonig vlak, waarop lichtere stemmetjes nu en dan krullen en spiralen ornamenteerden. Hier en daar liep er een vooruit en na iederen zin kwamen eenige doffe galmen, waardoorheen haastige beetjes brabbelden.--Vervolgens zongen ze eenige liedjes met kerkmelodiën: »Heilige Jozef, kinderhoeder«--en tenslotte, op de vroolijke wijze van een studentenlied: »De winter komt ons zijn afscheid brengen«. De zuster gaf telkens den toon aan en de kinderen zongen verder, zonder eenige maat, lieten hun stemmen over elkaar buitelen en doorslaan, en eindigden met een overmatig schreeuwen, als in overmoedige wanhoop.

Zoo werd het half tien.

De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen. Een doffe stilte, nu en dan even onderbroken door snerpende krassen op de leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar, zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been en plukte aan haar rok en aan de knoopen van haar japon, met een verveeld gezicht.

Als een zacht opkomend windje begon het onder de kinderen te suisen, even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en daar met brokjes ondersteund, tot de zuster in haar gesprek gestoord werd. Ze ging rond om naar de handen te zien. Een vuile jongen met gescheurde kleeren, waardoorheen zijn bloote lichaam zichtbaar was, werd op bevel van de zuster door Leentje naar het plaatsje gesleurd. De pompzwengel piep-bonsde en de jongen begon te schreeuwen, dat het water zoo koud was. Alle kinderen keken er naar en die uit het achterste lokaal gingen daartoe op de banken staan. Telkens als hij schreeuwde, lachten ze.

Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met het natte haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik ontluikten de oogen van den tienjarigen jongen en keken de zuster honend aan.

Leentje keek nu de leiën na en prees of laakte. Plotseling boog ze zich over een kleinen, blonden krullebol met roode wangen en blauwe kijkers, en gaf hem een kus. Een bleek jongetje, dat naast hem zat, keek vluchtig toe en wendde snel het hoofd af.

De kinderen moesten hun leiën onder hun bankjes leggen en er werd een sprookje verteld. Met ingehouden adem luisterden ze toe, dicht bij elkaar geschoven, met open monden en uitgerekte halzen. De stugkop, met zijn steil, nat haar, kneep in vervoering zijn buurjongetje in de armen, doch toen de zuster, die tegen het raam geleund haar rozenkrans bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan. Zijn buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn gebalde handen ontspannend om zich aan de tafel vast te houden. Vele kinderen zaten, half over de bank geleund, te rijden.

Na het vertellen werd nog even gezongen en het was halftwaalf. De zuster vroeg, wie der kinderen alleen naar huis gingen. Leentje pakte ze zoo goed mogelijk in en ze stommelden weg. De ketting werd van de deur gedaan en de kinderen wrongen zich tusschen de vrouwen heen, die onder hare regenschermen op een hoopje stonden. Namen werden gezegd en galmend door de school geroepen en door de zuster, die bij het plaatsje stond, aan zuster Monica, uit het achterste lokaal, gezegd. Telkens stond er dan een kleintje op en waggelde naar de kleerkast, waar Leentje het aankleedde. De zuster nam het aan eene hand en bracht het naar zijne moeder. De jongens, die alleen naar huis gegaan waren, liepen door de nauwe straat te schreeuwen, de petten en jassen in de hand rondzwaaiend. Een trekhond schoot blaffend uit een nauw steegje op hen aan en vervolgde hen tot ze de straat uit waren.

Eindelijk waren de moeders afgetrokken. De deur werd gesloten. De zusters gingen door een achterdeur heen en Leentje bleef met de overblijvers achter. Ze haalde een bruine kan met melk van de hooge kolomkachel en deed er water uit de pomp bij. Toen deelde ze de trommeltjes met boterhammen uit en vroeg, wie er melk moesten hebben. Slechts een paar hadden het geluk en mochten beurtelings een slokje uit de kan nemen. Wier moeders niet voor melk betaald hadden, kregen uit een grooten tinnen kroes een paar slokken water.

Een kleine, bleeke jongen zat nog even onbeweeglijk als onder het vertellen. Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd had, merkte ze hem op.

--Frans, mot jij niet ete?

--'k Heb geen brood. Moeder had niet.

De kleine krullebol, een zoontje van een hoedenfabrikant, had als gewoonlijk te veel. Leentje zei, dat hij een paar boterhammen aan Frans moest brengen.

--Ik mot naar huis. Moeder heeft gezegd, dat ik t'huis most komme.

--Kom, jonge, je moeder zal niet wille hebbe, dat je alleen gaat. Kijk me nou zoo'n snotblaag is simme.

--Ik mot naar huis.

--En waarom heb je dat niet eerder gezegd? Kijk is hoe het regent? Als ik jou was, zou ik de boterhamme maar neme. Moeder heeft misschien toch geen ete, net zoo min as van morrege.

Het kind voelde, dat de oogen der anderen op hem gericht waren. Hij werd wrevelig en huilend liep hij naar de deur. Leentje hem na.

--Ho eve! mot je je jas en je pet niet hebbe, stoute jonge?

De jas was onder de andere niet zoo gemakkelijk te vinden, Leentje werd boos. »Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!«

--Daar is t'i, dáár, met die groene voering.

--Neen! en ze rukte alles door elkaar. Eindelijk toch vond ze het stuk. Zij kleedde Frans aan, duwde hem de pet over de oogen en zette hem de deur uit.

--Daar, ondeugd! nu sta je in den regen. Wij gaan lekker spele. Hoe is 't? Wil je blijve?

Frans liep hard weg. Eenige huizen verder keek hij om en toen hij Leentje niet meer zag, ging hij met het hoofd tegen den muur staan snikken. Een vrouw, die in een steegje stond te wasschen, riep: Ga naar huis, jongen, je zult doorwaternat worde. 't Regent, dat het giet. En tot eene buurvrouw riep ze: Een ander mensch zou blij zijn, als t'i er in kon blijve.