Een nest menschen

Part 6

Chapter 64,202 wordsPublic domain

»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in z'n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den dood van 't kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was 't zeker gaan vervelen en daarom had hij 't maar kapot gemaakt. En hij balde de vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.

Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.

De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«

Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek van twee vrouwen had gehoord. 's Dokters naam was genoemd:

»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een voor, die de rijke niet hebbe wille.«

»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder, wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.«

Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders motten er an.« En hij vloekte ruw.

Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, op elkaar opstapelend, samensmeltend tot 'n afgrijselijk koor, waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er 'n opening in gemaakt, die 'n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed, trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.

»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te werken. 't Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had ingezien. Bah!«

Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. 's Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat 't kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, present te zijn.

»Vooruit ezel! werk! werk!«

Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z'n eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.

In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d'r eigen vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«

Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep hier. Als 'k nou mijn kind eens wou opzoeken, zou 'k niet eens weten, waar 'k 't kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor menschen op de wereld. Bah! Allemaal in 'n put en 'n zwaren steen er op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«

Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het werktuig om zich.

»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de eer, den overledene bewezen en ze gingen terug.

Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.

»Neen.«

De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, op den bok. Heb je ooit?«

Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.

Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.

's Morgens ging hij naar z'n werk, ontevreden en knorrig.

Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteur met 'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek....

»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.«

»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is, motten we 'n nieuwe koopen.«

De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen hebben?« Het geld is er immers voor?

Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.

Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. 't Vuile, berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, 'n klein, bol, mottig ventje, zat midden in 't vertrek op een stoel, toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z'n beurt een rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.

Toen ze 's avonds heen gingen, lieten ze een akelige lucht na van jenever, vuile tabak, carbol en chloor.

Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken zou krijgen.

»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen 't kind dood was en 't huis geredderd was, kwam hij weer naar z'n vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem zien. 'n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou 't niet gebeurd zijn,« meenden de mannen.

»Wierook, wierook!«

Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed 'n paar stukken in 'n test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt te hebben.

Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart naar toe vlogen, als opgezogen.

Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te omwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op 'n stoel en hield de test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van 't hoesten en was als bezeten van 'n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, omhuifd door 'n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.

EEN SCHAFTUUR.

De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, in een doek gewikkeld.

»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.

»Waarom?«

»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van die lekkere diepe!«

»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door zelfzucht laten leiden:

»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.

De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De enkele parapluie's dreven snel over de straat en ook de lieden zonder regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd.

Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes keken spleenziek naar buiten.--Tot tijdverdrijf maten de kinderen met schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett'en. De straat was zeer modderig en waar de steenen door de sleeperswagens verzakt waren, hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje gretig opvingen en weerkaatsten.

Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.

Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.

Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou kunnen worden.

»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, en de borst van den jongen piepte en knerpte.--De man ging hun met vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de machines, dan op de kombuis.

De vader had onderwijl plaats genomen.

»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen toon en met een blomzoet lachje.

Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.

»De jongeheer schijnt boos te zijn.«

»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«....

»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«

»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er zenuwachtig van.

»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij met Jan Rap en zijn maat«....

»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.

»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«

»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude drukte van belang, net als de burgemeester van 't afgebrande dorp. Ik kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op zijn zang!«..

»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen: »'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen aangenomen werk!«

»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek benul.«....

»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee maal twee.«

»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel.«

En de mannen lachten.

»En dat is nog al van 't hondje gebeten.

»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«

»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet koestem is, dan.... dan weet ik het niet.«

»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«

»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de schuld... Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. 't Is makkelijk genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«

»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.

Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten en stooten.

»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.

Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.

De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was--ze had een lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.

De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef voor de kombuis staan. Dadelijk werd voor hem ingeschoven. Ze zaten nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.

»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: de keel was haar als toegesnoerd.

De boterhammen waren op een na verdwenen.

»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.«

»Ik lust niet« zei Leentje.

»Hier Frans!«

»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«

Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.

»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed als vreemden.«

Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak slaag. Elk woord was een vloek.

»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, dat de nagels in het vleesch drongen.

»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop vuur weg.

Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal je leeren, op den poot te spelen.«

Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van machtelooze woede.

»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«

»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, dat beroerde koppen.«

Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg had gehad.

»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.

Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!«

De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken aan: »o vader, o vader, kom t'huis.«

Daar begon de dronkaard:

»Als 't kermis is, als 't kermis is, Dan slacht mijn vaêr een bok, Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder, Al in haar blauwen rok!«

Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.

Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, vond roode Jan. Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat de anderen ook zoo moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij 't eten wilde.

Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij 't vierkant in het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de verdommenis niet. Naar zijn pijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.

Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.

De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking verdween dan ook van het bleeke gezichtje.