Part 5
»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je zult zien!«
»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel keek hem leelijk aan.
»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«
»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje doe je heel wat!« meende Helms.
Neel knikte ontkennend.
»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt al je levensdagen in een gangetje gewoond«....
»Hohó!«
»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooit sprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef elk een kleinigheid«....
»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.
»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.
»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.
Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.
Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was toch maar eerst gewoon bosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo wat en nu woont hij in een villa!«
»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«
»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«
»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«
»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«
»Ja! en?«....
»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«
»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.«
»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo rijk als Kresus.«
»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«
»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«
»Ja.«
»Heeft ze kinderen?«
»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen we vast of.... ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d'r graf meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, want je bent nu tusschen hangen en worgen.«
»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.
»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De aardappelen werden geteld. D'r man zaliger had geen lor in te brengen, hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,« (zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d'r man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, zei ze. Bocht kon ze niet velen.«
»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«
»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«
»Een kwartje?«
»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.
»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«
Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met koffie en vertrok.
»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.
»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.
»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, om eens een kijkje in dat hok te nemen.
Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«
»Neen, alleen wat brood met kaas!«
»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«
»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.
De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk van het dier.
Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door den vuurgloed heen en eindigden in een zwarten stapel, aan de randen verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa's uit, die een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten leken groote vonken, in de duisternis verspreid....
Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.
De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende kachel.
»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur wel gesloten.«
»Zou je denken?«
»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die kachel eens: de mijne is er heilig bij.«
»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«
»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen niet om te halen, wel?«
Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken, al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: »Wat kom jullie doen?«
»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement wat brengen. Heb je iets warms?«
»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«
»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief, het is warm in 't lief. Ik houd anders wel van iets hartigs. Als 'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:
»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen--Kalen; want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor aardappelenbak.--Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« »Toch was hij neef.«
»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«
»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijn beroerde klauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«
»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«
»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.
»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«....
Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd: »anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.
Men besloot, de kwestie open te laten.
»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«
»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. 't Zou al casueel zijn, als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest op audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«
»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.«
»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze over een erfenis kwam malen.
»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«
»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.
»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.
»Eens in je leven? Wel, wel?«
»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«
»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«
»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd hebben, want het is niet waar. Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.
»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog met zijn sliksporen op mijn sporten.«
»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«
»Wat is er van het prijsje?«
»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige streek. Wat scheelt je oude?«
»Wat zeg je daar? Is er niets«....
»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We hebben pret genoeg gehad. Ik ben«....
»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.
BESMETTELIJKE ZIEKTE.
In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevels zweetten de besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die 's morgens voor den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.
In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot den middag in zijn goor ledekantje naar de vlammen te kijken en liep de andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z'n moeder, met een taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, en die op een vuilniskar reed, bracht 's morgens de theestoven weg, terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. 's Avonds zat hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z'n vrouw bij het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.
Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.
»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.
»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik zou je danken! Dan krijg je zoo'n verrekt briefje op je deur en je klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en 't is hier toch al niet opgeschept!«
»Enfin, we zullen afwachten!«
»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«
Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgende dagen telkens in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje, maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude valwinden, die op z'n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de liefkozingen van het monster, de pokken.
Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit bed wou nemen.
»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?«
»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een jankende vent, 't is wat lekkers! Meteen zal 'k een bedje in de keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we worden bekend als de bonte hond.«
»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.«
»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't is maar 'n kind. Erger zou 't zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met m'n donder!«
»Ik zal wel waken, als 't noodig is.«
Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun dekentje, vol gaten en tot den naad versleten. Daar lag het te turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!«
Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de doffe trillingen sneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees ineenkrinkelde.
De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op 'n mesthoop!
En 's avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het zwakke lichaampje deed schudden, met ijskouden tocht het levensvonkje beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.
Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes in de zijne.
»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.«
De derde dag, 's Zaterdagsavonds, zei de man:
»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij liet z'n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z'n bezige handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z'n versuft brein. Hij gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z'n handen.
Tot z'n verwondering spoorde z'n vrouw hem aan, om een dokter te gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was 'n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er niets van in, meende ze.
De geneesheer voer hevig uit.
»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«
»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.
De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z'n pet in de handen rond.
»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er toch op de wereld.«
Toen hij weg was, ging de vrouw op 'n vreeselijke manier te keer. Ze vervloekte hemel en aarde. 't Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, het er weêr af te scheuren.
Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen dag met den tang rond zich te slaan, leelijk vloekend. In het huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar lijden, dat 't gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.
Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!«
»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt me de keel uit.«
De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«