Een nest menschen

Part 4

Chapter 44,326 wordsPublic domain

»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.

»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. 't Was een gloeiend schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op een steenen vloer rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je vader en je moeder je aan 't werk zetten.«

»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.

»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«

De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.

Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik ze het inpeperen!«

Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«

»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed om te halen.«

Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.

Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren bleekblauwe gaten gekomen en het grijze gordijn rolde zich op tot grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant en lachte zichzelf weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen zeer deed.

Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. 't Is een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.

»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft ze rijksdaalders in d'r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij en een ander de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt 's Zondags maar op laarsjes met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen zitten »te stikken van 't lachen.«

»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. 't Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat ik zeggen wil, 't is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij haar om.... om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft. 's Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan 's Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! 'k Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«

»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.

»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«

»Maar je zei:....«

»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een kleine jongen. In 't voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«

»Gisteravond was ze ook al op den snor.«

»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef heel bedaard zitten. Wat kan 't mij schelen? Maak je maar niet dik, dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en met d'r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) »als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen weggestopt, tot d'r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of 't mij kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d'r man ziek was--het is notabene d'r man niet eens--en dat hij versterkende middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d'r oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is 't niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven, of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van 's nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden dag geen draad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik was aan 't kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar op mijn hoofd aan den armenbezoeker dacht. Als 't niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien gulden onkosten op gevallen.

Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, dat is gauw klaar!«

De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die ze van een groot stuk vol maden afsneed. 's Zaterdags ging ze altijd de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.

Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van 't maal. Dit bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, kwam bij vrouw Helms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder belofte van spoedige teruggaaf.

Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle tint. De donkere daken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.

Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen op en op den lichten achtergrond bewogen zich nog slechts eenige purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.

Het westen had nu een kleur als messing.....

Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman van zijn ambacht.

Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding haar verhaal.

»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: »Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw, hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt alles niet vooruit weten, is 't waar of niet? Nu dan, of ik al hoog of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.«

»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze een broertje dood.

Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.

Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen door het gordijntje te zitten koekeloeren.

»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met een prijsje uit de loterij kwam. Hein zou er met zijn doode vingers afblijven, dat geef ik je op een briefje. 'k Zou wel zalig oppassen, dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«

En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje thee naast zich en haar kat aan haar voeten......

»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!«

»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel.

»Open, of ik trap de deur in.«

»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«

»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.

»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:

»Atju we moeten, elkander groeten.«

Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.

Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.

»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men op het portaal.

»We hebben hem verleid.«

En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« de trap af.

»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de dampen aan!«

Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: de honderdduizend is op ons lot gevallen.«

»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« Haar gelaat klaarde wat op.

»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: »Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« En toch heb ik hem zelf naar 't kerkhof gebracht en ik heb zelf de briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«

»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je het zeker van het lot?«

»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: »Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!«

»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld gekocht!«

»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me schamen om er over te spreken.«

»Je schaamt je niet om er van te vreten.«

»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«

»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, maar dat is ook op en al.«

Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan »de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.

»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: »D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?« Hij begon te deklameren:

»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«

»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.

»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haar schotel met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande deur van 't keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende oogenblik er weer op toe te springen.

Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier bezitster de kaart wou laten leggen--het gekef van Fidel waarschuwde, dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.

»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in 't vat ligt, dat en zuurt niet.«

Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.

De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«

»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, doe ik het jullie.«

»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.

»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.

»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie meêgegeten, toen ik klein was?«

»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.

»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«

»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader op zee voer.

Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; maar hij zei:

»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.«