Part 3
Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen. Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.
Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.
Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men iets te gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.--Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden--ik weet niet, of er ooit zoo iemand was--door de vraag des waards bezweek.
Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.
Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen--daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.
In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazen werd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.
Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.--Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en... Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men kon nooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul--een half ei is beter dan een leegen dop. Allicht had ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.
»Woon je ver weg?«
»Neen.«
»Stik« dachten ze gelijktijdig.....
»Wou je nog een glas?«
»Neen, ik heb nog!«
»Barst!« dachten ze.
De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep--hij kende het klappen van de zweep--dat zijn gast in de rats zat.
De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.
Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:
»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«
»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«
»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«
De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.
»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. 'k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!«
De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem....
»Loop naar den bliksem!«
Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.
Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«
De vrouw keerde zich om.
»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!«
»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo'n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«
»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«
Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.
»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«
Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.
»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.
»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«
»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«
»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan's vrouw onder algemeene hilariteit.
»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«
Onder een homerisch gelach beval Jan statig:
»Ga heen, Jo, je past hier niet.«
»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«
Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.
De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.
»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:
»Neen, voor den donder! neen, neen!«
»Maak plaats, jongens!« beval Leen.
Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.
De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.
Zij beproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.
»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.
»Neen, verdomme!«
Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan's vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.
Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.
Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.
Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijd op. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem--geheel ontbloot--waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.
Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.
Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.
»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«
»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«
»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!«
Lou haalde hare schouders op.
»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«
Lou zocht een ander plaatsje.
Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«
Maar dat gebeurde niet. Door Leen's slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf. Zij was letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«
Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.
»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«
Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.
Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«
Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.
»Ja, Jan, maar.....«
»Hier of ik spring in 't water.«
»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«
»En nu, opgerukt, marsch!«
En ze ging.
»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.
Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«
Men verspreidde zich.
Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«
De haven werd stil en ledig.
EENE DOODE MUSCH.
»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«
Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens weder terug.
»Anneke, tanneke, tooverheks!«
»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«
Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, zoodat het sarrende deuntje ophield.
Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed. Dat ze niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.
Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.
Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«
»'k Moet op straat.«
»Neen!«
»Ja, ik moet!«
»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen hebben!«
Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.
»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist eens opzoeken.«
»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel voordeeliger uit, zie je!«
»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen medicijnflesch... Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts feest is bij kaartlegsters. Dan komt Heintje Pik ook. Dat 's waar, ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d'r poot zuigen! Weet je wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«
Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat te vertrekken.
De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het zuiverste water.«
De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, balkte hij op eens:
»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«
Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«
»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«
En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En in zijn kommetje turende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel omgaat. Je bent ook eene mooie!«
»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.
»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap.
»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.
»Ik ga paaltje springen.«
De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na het intermezzo zegt ze:
»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«
»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.
»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?« Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: »Piet Bartelsz.«
»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar boven, vader!«
»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.
Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer in en zei:
»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«
»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«
»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk rijk. Hij bulkt van het geld.«
»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.
»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven. Een mooi vak, een best vak!«
»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger.... Vet zal het je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den man aan met een kritischen blik.
»Wie is die brombeer?«
»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.
»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je er af. Mijn principaal«....
»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al een vette acht gulden!«
»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.
»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.
»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«
»Bloedzuiger,« bromde oom.
Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.
»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«
»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« zei vrouw Helms.
»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!«