Een nest menschen

Part 2

Chapter 24,120 wordsPublic domain

»Ik ben een... toe dan: een... een!«

Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.

Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.

Daar stond hij nu.

»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«

»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«

»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.

»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!«

»Mijn wát?«

»Die man, die bij je t'huis is!«

»Bedoel je mijn man?«

»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij hokt maar met je« riep men.

Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«

»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.

»Die heb je niet.«

»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.

»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.

»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«

Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.

Allen lachten.

»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.

De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.

Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerels applaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.

Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«.....

Als Leen uitging, sloot ze den man op.

In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjes konden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.

De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.

Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.

In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.

Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want de kleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.

's Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. 's Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.

De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.

Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes--en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo'n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.

's Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.

Zijn ochtendwandeling mocht hij 's winters na laten, 's avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.

Hoewel hij alleen 's Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.

En 's zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms, vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan 's Hemels wraak over hen af.

Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.

Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d'r smoel.«

Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet--want het kind was bang voor haar--maar als het eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zei ze ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«

Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.

Eens op een winteravond was Leen vroeg t' huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben--waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.

Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen de revue in het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van 't dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.

Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:

»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«

»Maar Leen« ...

»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«

»Maar Leen! je hebt gezien ...«

»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«

»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.

»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.

»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't redderen wil komen? 'k Zie je eenszoolief in ... in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«

»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!«

»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.

Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduw der zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.

»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«

Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t'huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.

De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanacht had hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.

Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.

Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«

II.

Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naar de Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis--waarin en waarboven het kantoor was gevestigd--uit- en in-stroomden. Ze praat'ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als 't koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.

Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«

Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen, die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.

Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.

Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, die aan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.

Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.

Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.

De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«

Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen--geen droppel kreeg hij meer op krediet--dat alles was waar; doch--hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoel van den een gekwetst door op beschermenden toon tot hem te zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t'huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!--nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.

Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.

Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.

Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou--met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was--in de geheimen van haar bedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen--die Leen heel goedkoop inkocht--al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.

Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.