Een nest menschen

Part 1

Chapter 13,909 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)

EEN NEST MENSCHEN.

DOOR

AUG. P. VAN GROENINGEN.

MET VOORWOORD VAN P. TIDEMAN.

AMSTERDAM.--S. L. VAN LOOY.

1895.

INHOUD.

Bladz.

Voorwoord I Haagsche Leen 1 Eene doode musch 43 Besmettelijke ziekte 79 Een schaftuur 95 Eenzaam 113 Kindervreugd 129 Op de bewaarschool 141 Een dagje uit 159

VOORWOORD

De bedoeling van deze woorden vooraf aan dit sterk-persoonlijk sprekende deel van Aug. P. van Groeningen's werk, vroeg werk van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende, stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.

Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid, Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens zelf-dwang tot eenvoud.

Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig: hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij.

De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn, met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige vastheid te bouwen weg.

De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van zijn objektief vermogen.

Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wier meegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor de lotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig, diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, 'n somberen blik gunnend op de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleen machtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met den elektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderop is onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid van maatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen.

Wat is zijn Wil?

Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke) openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des Amsterdammer's van 11 Maart 1890.

»Trachten te-doen door laten.«

»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.

»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme, met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft, een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél te zeggen door wéinig te zeggen...«

»Mijn streven is over de stof te heerschen...«

Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden onder al 't eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt.

»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«

»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: ('k Geloof dat de stof niet erg realistisch is.)

»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het passieve--d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet, het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van dit levensverschijnsel hoefde 'k niet ver van huis te gaan. Men vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen, al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen, dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...«

Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden dier 4 deelen.

De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.

De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.

De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo is Van Groeningen.

Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen, bewijzen buitenom Van Groeningen's zelf-bewustheid, aangehaald in die »voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste, zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen, Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland in de Comédie humaine.

Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met »Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust in Van Groeningen.

De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in magistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij niet getroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Recht voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel's proza voor zich zelf wel annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk, van wezen voelde hij 't: alleen, met allen-verschillend; in zijn groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving; dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo is bekend dat hij in '88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch neen! Want zoo is het te voelen en te weten.

Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm, het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar, nu-eens en nog-eens maar; 't is bewust, dit ook is laten met een doel het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.

Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen, en werkte 't door. Hij had geen tijd naar anderen te luisteren.

Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met een edeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken den kunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de waarneming en laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen woord ontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak.

7 Sept. '95. P. TIDEMAN.

HAAGSCHE LEEN.

I.

Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.

Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. 's Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde. Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.

Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.

In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er 's morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroom lagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg....

Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.

Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.

Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.

»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«

De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.

»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«

»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«

»Een dief!«

»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«

»God Almachtig hoort me« ....

»Gij en zult niet zweren.«

»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.

»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie 't zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:

»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is 't waar of niet?«

De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.

»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«

»Viseteeren, viseteeren!«

De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:

»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,« »Moeder, daar leit een schutter in de goot.«

Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«

Nu floot de man: »Turf in je ransel!«

Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen. Hij zei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«

»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.

»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«

»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.

»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.

»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker. Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.

»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«

Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.

»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t' avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.

Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.

»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«

»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«

Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.

»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.

»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«

En Leen keek uitdagend rond.

»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die 's Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k Heb een groot huishouwen.«

»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.

»Aannemen!«

»Die is secuur raak!«

»Hij heeft zijn bekomst!«

Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.

Toch waren niet allen op de hand van Leen.

»Wil je er je liefde van maken?«

»Een rijtuig halen voor de trouw?«

»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«

Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.

Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.

»Een lieve geleijonker!«

»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey's en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.

En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.

Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.

Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf--want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden--barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigen oogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.

»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!«

»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«

»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«

De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.

»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«

Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:

»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«

Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.

Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. 's Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemand in de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.

's Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«

Het hoofd van dit gezin was 's morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«

Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!«

Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroeg wie er smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.

»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.

Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«

»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.