Een Midzomernachtdroom

Chapter 5

Chapter 53,831 wordsPublic domain

DEMETRIUS. Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief aan de kaars.

HIPPOLYTA. Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.

THESEUS. Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen, is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk zijn en eens afwachten.

LYSANDER. Ga voort, Maan.

Maan. "Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de maan is; ik het mannetje in de maan; deze takkenbos mijn takkenbos; en deze hond mijn hond".

DEMETRIUS. Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.

(Thisbe komt op.)

THISBE. "Dit 's ouden Ninny's graf, waar is mijn lief?"

LEEUW. "Ooh!"

(De Leeuw brult; Thisbe loopt weg.)

DEMETRIUS. Mooi gebruld, Leeuw.

THESEUS. Mooi gevlucht, Thisbe.

HIPPOLYTA. Mooi geschenen, Maan.--Waarlijk, de maan schijnt niet zonder bevalligheid.

(De Leeuw rijt Thisbe's mantel stuk en gaat heen.)

THESEUS. Mooi geklauwd, Leeuw.

DEMETRIUS. En daar kwam Pyramus.

LYSANDER. En daar verdween de Leeuw.

(Pyramus komt op.)

PYRAMUS. "Ik dank u, maanlicht, voor uw zonneglans, Ik dank u, maan, daar gij zoo helder straalt, Want bij dien gouden lichtgloed is er kans, Dat mij 't gezicht van trouwe Thisby smaakt.

Maar stil!--wat leed! O lot, hoe wreed! Wat jammer is dit hier? Mijn oog, o ziet! Dat kan toch niet; Mijn hartlap, mij zoo dier! Uw mantel goed Bevlekt met bloed? O, alle Furiën, kom! O, noodlot, schaf Mijn leven af, Blusch, doof, verplet, breng om!"

THESEUS. Die hartstocht zou, als de dood van een geliefde vriendin er bij kwam, toch wel haast in staat zijn iemand naar te maken.

HIPPOLYTA. Bij mijn ziel, ik beklaag den man.

PYRAMUS. "Waarom, natuur, deedt gij den leeuw ontstaan? Verslikte een leeuw de schoonste jonkvrouw niet, Die is,--neen was!--waar is zij heengegaan, Die, lieflijk lachend, 't leven loven liet?

Weg, tranenschaar! Kom, zwaard, doorvaar De borst van Pyramus! Hier links geprikt, Waar 't hart mij tikt, Dus sterf ik, dus, dus, dus! Nu ben ik dood; Mijn ziel die vlood En zweeft in hooger dreef; O, tong, word blind! O, maan, verzwind! O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef!"

(Hij sterft. Maneschijn af.)

DEMETRIUS. 't Is zonde, zonde, hij kwam juist op dreef.

LYSANDER. Zou er geen hoop zijn, dat hij leven bleef?

THESEUS. Mijn heelmeester moge hem verplegen; wat de kunst vermag, zal gedaan worden, want er zijn er geen twee zoo in heel Athene.

HIPPOLYTA. Hoe komt het, dat Maneschijn is weggegaan, voor Thisbe terugkomt en haar minnaar vindt?

THESEUS. Ze zal hem bij sterrenlicht vinden.--Daar komt zij al, en haar jammerklacht is het besluit van 't stuk.

(Thisbe komt op.)

HIPPOLYTA. Mij dunkt, ze heeft geen lange weeklacht noodig voor zulk een Pyramus; ik hoop, dat ze kort zal wezen.

DEMETRIUS. Een stofje kan de schaal doen overslaan, wie beter is, Pyramus, of Thisbe.

LYSANDER. Zij heeft hem met haar liefelijke oogen alreeds opgespoord.

DEMETRIUS. En ze jammert als volgt:

THISBE. "In slaap, mijn schat? Wat, wat is dat? O, Pyramus, ontwaak! O, spreek, o, spreek! Wat ziet ge bleek! Wat! zijt ge dood? o wraak! Uw leliemond, Uw neus zoo blond, Uw wangen van saffraan, Zijn heen, zijn heen, O bruidjes, ween, Dat lookgroen oog vergaan! Drie zustren, gij, Komt thans tot mij! Hoe melkwit is uw hand! O doopt ze in 't bloed; Uw schaar verwoed Doorsneed zijn levensband! O tong, geen woord! O zwaard, ga voort, Doorweek mijn boezem mee; Vaart, vrienden, wel; Thipsy sneeft snel; Atjé, atjé, atjé!"

THESEUS. Maneschijn en Leeuw zijn overgebleven om de dooden te begraven.

DEMETRIUS. Ja, en Muur ook.

SPOEL (opspringend). Neen, zeker niet; de muur is neergehaald, die hun vaders scheidde. Behaagt het u nu ook den epiloog te zien of een zelfbedachten dans tusschen een paar van ons gezelschap te hooren?

THESEUS. Geen epiloog, verzoek ik u, want uw stuk heeft geen verontschuldiging noodig. Geen enkele verontschuldiging; want als de spelers allen dood zijn, kan er van geen enkel iets kwaads gezegd worden. Inderdaad, als hij, die het stuk geschreven heeft, zelf voor Pyramus gespeeld had en zich aan Thisbe's kouseband had verhangen, zou het een treffelijk treurspel geweest zijn; en dat is het nog, inderdaad; en zeer opmerkelijk gespeeld. Maar komt, uw zelfbedachten dans; en laat den epiloog weg.

(Een dans van de Handwerkslieden.)

Twaalf riep daar middernacht met koop'ren tong;-- Ter rust, gij paren; 't is dra geestentijd. Een stuk van de' uchtend, vrees ik, slapen wij Zooals een deel der nacht is doorgewaakt. Dit tastbaar dwaze spel deed toch de nacht Haar tragen gang vergeten.--Komt, ter rust!-- Zóó duur' nog veertien daag de feestlijkheid; Dat iedere avond nieuwe vreugd bereid'!

(Allen af.)

(Puck komt op, met een bezem op schouder.)

PUCK. Hongrig brult de leeuw nu weer; Huilend groet de wolf de maan; Snurkend ligt de ploeger neer, Nu zijn dagtaak is gedaan; Nauw één vonk in de asch nu gloort; Uilgekras klinkt in de nacht; En de kranke, die het hoort, Huivert, dat het graf hem wacht, 't Is nu middernacht, de tijd, Dat de graven openstaan, En, van hunnen boei bevrijd Alle geesten waren gaan; En wij elfen, die met dans Om 't gespan van Hecaté Zweven, doch voor zonneglans Vlieden, met het duister mee, Zijn nu lustig; niet een muis Store dit gewijde huis; 'k Veeg het met den bezem schoon, Dat geen smetje zich vertoon'!

(Oberon en Titania, met Gevolg, komen op.)

OBERON. Spreidt uw lichtgloed om u heen, Want geen vonkje geeft hier schijn; Iedere Elfe repp' de leên, Vlug en lucht als 't vogelkijn, En herhale wat ik zing, Zinge 't lustig, danse en spring'!

TITANIA. Zing,--en klink' op ieder woord Van het lied het juist akkoord! Vorm een keten en verspreî Zoeten zegen, elfenrei!

(Gezang en dans.)

OBERON. Danst tot de uchtendzonneglans, Elfen, in dit huis uw dans. Zeeg'nend zweven onze schreên Om het schoonste bruidsbed heen. Groeien, bloeien, jaar op jaar, Zal het kroost van 't edel paar; Eeuwig bind' de teêrste trouw Deze drie paar man en vrouw; En de spruiten van hun bed Blijven vrij van elke smet; Hen ontsier' geen moedervlek, Geen misvorming of gebrek, Dat een ouder in zijn kind, Schriklijk ducht en gruwlijk vindt! Sprenkelt, Elfen, op den grond Dezen heil'gen dauw in 't rond; Wijdt er iedre kamer mee Van 't paleis, tot vreugde en vreê: Eeuwig worde, die er woont, Met het hoogste heil gekroond! Flink uw plicht Nu verricht;-- Treft mij weer bij 't morgenlicht!

(Oberon, Titania en Gevolg af.)

PUCK (tot het Publiek). Heeft dit schimmenspel mishaagd, Denkt dan, dat ge in sluim'ring laagt, En 't u,--dan vergeeft gij 't wis,-- Als gezicht verschenen is. Gispt het niet, dat deze nacht U een droom, niets anders, bracht, Want wij geven u misschien Dra wat beters weer te zien. Hebben wij,--dit zegt u Puck,-- Heden 't onverdiend geluk, Dat geen slangenstem ons groet, Weldra maken we alles goed;-- Of noem Puck een leugenaar. Goede nacht nu, al te gaar! Toont handgeklap aan Puck uw gunst, Dan toont hij ras u beetre kunst.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

Een Midzomernachtdroom werd het eerst gedrukt in 1600. In dit jaar verschenen er twee uitgaven van, de eene door Thomas Fisher, boekhandelaar in het Witte Hart in Fleetstreet, de andere bij den drukker James Roberts. Uit de laatste is het in de Folio van 1623 overgegaan. Dat het stuk reeds in 1598 bestond, blijkt hieruit, dat Francis Meres het in zijn Palladis Tamia, in dat jaar verschenen, vermeldt. Men neemt over het algemeen aan, dat het in het laatst van 1594 of in 1595 gedicht is, en er is alleszins grond om deze gissing voor juist te houden. De dichter had toen den ouderdom van dertig jaren bereikt; de tijd van Titus Andronicus lag reeds ver achter hem; hij had door enkele blijspelen, die de kenmerken van een jeugdiger, minder ervaren talent, maar toch ook in hooge mate den stempel van zijn geest dragen, zich geoefend, zijn eerste historiestukken waren voltooid. Het is waarschijnlijk, dat zijn Romeo en Julia reeds ontworpen of zelfs reeds geschreven was. Bovendien waren in 1593 zijn Venus en Adonis, in 1594 zijn Lucretia verschenen, werken, die van schoonheden overvloeien, van groote vaardigheid, oefening en studie getuigen en zijn naam als dichter vestigden; eindelijk waren er onder zijn vrienden reeds vele sonnetten in omloop. Kortom, Sh. was op dertigjarigen leeftijd een gerijpt dichter, die den vorm volkomen meester was en zijn jeugdige en levendige verbeelding geheel in bedwang had. Niets minder was er noodig om een werk te scheppen als de Midzomernachtdroom, waarin alle deelen zoo bewonderenswaardig in elkander grijpen, de figuren uit den heldentijd, Theseus en Hippolyta, niet overheroïsch zijn, de Oud-Germaansche elfenwereld met nieuw leven is bezield, maar, bij alle dolle dartelheid, niet zoo in de handelingen der menschen ingrijpt, of deze gedragen zich allen overeenkomstig hun eigen natuur. Kortom, het houden van de juiste maat in alles, waardoor een zoo harmonisch kunstwerk tot stand werd gebracht, doet ons in dit stuk den gerijpten dichter en kunstenaar herkennen. Wij zien dit nog duidelijker, als wij opmerken,--wat onmiskenbaar is,--dat de dichter met volle bewustheid voor de eischen der ware kunst optreedt en als het ware met een strijdschrift te velde trekt tegen alle onnatuurlijkheid en gezochtheid in de poëzie, het overdreven gebruik van alliteraties hekelt, de eischen der gezonde tooneelspeelkunst handhaaft, de dwaze stomme vertooningen, die een stuk vaak voorafgingen, alle geschreeuw en getier op het tooneel gispt, en dit alles op zulk een wijze, dat de harmonie van het geheel niet in het minst gestoord wordt. En hierbij komt nog de verbazende heerschappij over de taal, die met de meeste natuurlijkheid zich schikt naar de te behandelen onderwerpen, alsmede de versbouw, waarvan hetzelfde moet getuigd worden. Het is ongetwijfeld niet toevallig, dat Sh. in geen enkel stuk zoo weinig gebruik maakt van slepende of vrouwelijke versregels, die hier slechts 5% van het geheel bedragen; het bleek den vertaler, dat in dit stuk inderdaad zooveel mogelijk mannelijke regels moeten gebezigd worden en het gebruik van vele slepende regels den indruk van het geheel zou schaden. Deze vertaling bevat dan ook zeker niet meer slepende regels dan het oorspronkelijke.--Vroeger dan 1594 kan het stuk wel niet gesteld worden en veel later dan 1595 evenmin. Of het als gelegenheidsstuk heeft moeten dienen bij de opening van den Globe-schouwburg of bij het huwelijk van het een of andere hooge paar (wèlk paar blijft dan geheel onzeker, want nòch het huwelijk van Essex, 1 Mei 1590, nòch dat van Southampton in 1598 kan hierbij in aanmerking komen) werd opgevoerd, is vooralsnog niet te beslissen. Gelukkig behoeven wij deze wetenschap niet, om dit stuk, dat geheel eenig is in de geschiedenis der letterkunde, te genieten.

Meermalen wordt dit stuk nog opgevoerd; vooral is de voorstelling van 1843 te Potsdam, onder leiding van Ludwig Tieck opmerkelijk geweest, waarover men Feodor Wehl's Didascalien nazie.

Sh. kon voor het schetsen zijner Elfen veel ontleenen aan het nog levende volksgeloof in bloemen- en droomgeesten; in Chaucer's Canterbury Tales vindt men in het begin van The Wif of Bathes tale een beschrijving der Feeënkoningin. De naam Titania komt naar het schijnt niet vroeger voor; in den "Romeo en Julia" noemt Sh. haar met den ouden naam koningin Mab. De naam Oberon komt reeds vóór Sh. in Engelsche werken (1579) voor. Bij Chaucer, in The Knightes tale, vond Sh. ook de figuren van Theseus en Hippolyta, hun oorlog en hun huwelijk, en daar wordt ook vermeld, dat zij samen op de jacht gingen; de Legend of good women leverde hem Pyramus en Thisbe. De figuur van Robin Goodfellow, hier Puck genoemd, was algemeen bekend; de dichter kon uit de overlevering kiezen wat hem het geschiktst voorkwam.--Andere bronnen voor den Midzomernachtdroom zijn niet bekend geworden.

I. 1. 21. Onzen grooten hertog. Sh. volgt hier de betiteling, door Chaucer in zijn Knightes tale aan Theseus toegekend: Whilum, as olde stories tellen us, Ther was a duk that highte Theseus.

I. 1. 77. 't Roosje, dat zijn geur genieten doet. Sh. spreekt eigenlijk van een roosje, dat tot rozenwater gedistilleerd wordt.

I. 1. 167. De viering van het Meifeest, of de hulde aan den Meimorgen gebracht (Observance of May), die Sh. reeds in Chaucer vermeld vond, bestond daarin, dat jongelieden van beiderlei kunne op den eersten Mei 's morgens vroeg naar het bosch togen en van daar een Meiboom, bekranst, feestelijk naar huis brachten.

I. 1. 170. Cupido's felste schicht met gouden punt. Cupido's pijlen waren met een gouden of looden punt voorzien, naar gelang van de werking, die zij moesten teweegbrengen.

I. 1. 183. Leidstèr is de poolster, die den stuurman zijn weg doet vinden.

I. 2. 6. Tusschenspel. Tusschenspelen, interludes, in het Fransch entremets, waren korte dramatische spelen, die vooral onder Hendrik VIII in de mode kwamen, en dienden om bij langdurige feestelijkheden of maaltijden afwisseling te brengen. John Heywood, als bespeler van het spinet medelid van de kapel des konings, schreef (1520 en later) de beste stukken van dien aard.

Dat de dichter in de vertooning der handwerkslieden de feilen van vakgenooten hekelt, die telkens alliteraties zochten, op het tooneel bulderden (vooral Hercules was dan een geliefkoosde rol), en tot ongerijmde persoonsverbeeldingen hun toevlucht namen, behoeft wel geen betoog; men zie nog een aanteekening bij het vijfde bedrijf.

I. 2. 51. Je kunt een momgezicht voordoen. Vrouwenrollen werden in Sh.'s tijd altijd door knapen en baardelooze jongelingen gespeeld.

I. 2. 95. Stroogelen baard. Dissel slaat, dwaas genoeg, alleen baarden voor, die op het tooneel uitsluitend door schurken, moordenaars en verraders gedragen werden,--Het kaal kroontje, dat volgt, ziet op de gevolgen der Fransche ziekte, de Fransosen, zooals Bredero ze noemt.

II. 1. 9. Plekjes in het woud. Ronde plekjes op de weiden, waar de Elfen 's nachts dansten; zij waren frisscher groen dan het overig deel van het veld; zie De vroolijke Vrouwtjes van Windsor, V. 5. 69.

II. 1. 10. Primula's, haar eerewacht. Een soort van sleutelbloemen. "The cowslips tall her pensioners be, In their gold coats spots you see". Pensioners heetten de edellieden van de eerewacht van koningin Elisabeth, prachtig in rood en goud gedost.

II. 1. 48. Als een morel. In 't Engelsch staat a gossip's bowl, een kom vol gekruid warm bier met gebraden appelen, roasted crabs, waar praatzieke vrouwen zich gaarne om verzamelden.

II. 1. 70. Klossende Amazoon. In 't Engelsch staat bouncing, een woord, dat door noisy, bullying, swaggering verklaard wordt en op het geraas maken bij het gaan moet wijzen; het zware schoeisel van Hippolyta--zij wordt hier buskin'd genoemd--is hiermede in overeenstemming.--Schmidt geeft in zijn Sh. Lexicon, tusschen haakjes en met een vraagteeken, stout, plump op; dit zou stevig, zwaargebouwd, beteekenen.

II. 1. 78. Periguna, volgens North's "Plutarch" de dochter van den roover Sinnis, die de landengte van Corinthe onveilig maakte; in 't Engelsch staat Perigenia.--Antiopa is eigenlijk een andere naam voor Hippolyta.

II. 1. 98. Kegelbaan. In 't oorspronkelijke staat the nine men's morris, (eigenlijk morrils of merrils, van het Fransche merelles of mereaux) een spel, dat door herders op een vlak gedeelte van het veld met steentjes enz. gespeeld wordt. Ook de kronkelpaadjes van den volgenden regel wijzen op landelijke spelen.--Vrij algemeen houdt men het er voor, dat de dichter in deze schildering van een mislukten zomer op dien van 1594 doelt, die in Engeland bijzonder storm- en regenachtig was.

II. 1. 158. Op een Vestale. Onder de Vestale kan men eenvoudig de Maangodin verstaan, die zich in het westen, dat is naar den kant van Engeland toe, aan den heuvel vertoonde, maar men kan er ook een toespeling op Koningin Elizabeth in vinden. Zij wordt een oogenblik later imperial votaress, die de gelofte van kuischheid heeft afgelegd, dus "kluizenares" of "priesteres" genoemd. Het bloempje, door Cupido's pijl geraakt, "Liefde uit oogelust" (reg. 168) heet in 't Engelsch Love-in-idleness (liefde uit lediggang); dit is een der volksnamen van het driekleurig viooltje. Oogelust kwam mij hier geschikt voor, omdat een blik verliefd deed zijn.

II. 1. 195. Gij zeilsteen, hard van hart. You hardhearted adamant. Adamant beteekent zoowel diamant als magneet en kan dus te gelijk de hardheid en de aantrekkingskracht van Demetrius aanduiden. In een boek van Fenton (1569) leest men: "Er is tegenwoordig een soort van diamant, die vleesch aantrekt en wel zoo sterk, dat hij de macht heeft om de twee monden van verschillende personen aan elkaar te hechten en een mensch het hart uit het lijf te trekken, zonder dat het lichaam aan eenig deel beschadigd wordt".

II. 2. 122. In gouden lett'ren. Love's stories, written in love's richest book. Zooals hier Helena, wordt in "Romeo en Julia" Graaf Paris met een kostelijk boek vergeleken; zie aldaar I. 3. 81.

III. 1. 47. Laat hij ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker is. Malone vertelt uit een anekdotenverzameling van Koningin Elizabeths tijd, dat, toen voor haar bij een vertooning zekere Harry Goldingham Arion op een dolphijn moest voorstellen en bemerkte, dat hij te heesch was om te zingen, hij zijn vermomming afrukte en zeide, dat hij niet Arion, maar Harry Goldingham was; iets, waarin de Koningin verbazend veel schik had. Misschien stond dit voorval Sh. voor.

III. 1. 133. De koekoek, met dat woord. De woordspeling van cuckoo en cuckold, horendrager, komt bij Sh. meermalen voor.

III. 2. 296. Bonte boonenstaak. In 't Engelsch wordt de lange Helena met een Meiboom vergeleken, die met bloemen en linten bont gesierd werd.

III. 2. 329. Gij peuzel, gij onuitgegroeide kriel. Het Engelsch heeft: You minimus, of hindering knotgrass made. Knotgrass is een soort van Polygonum of Duizendknoop, namelijk het kreupelgras of Polygonum aviculare: van het afkooksel werd geloofd, dat het den groei van een mensch of dier tegenhield.

III. 2. 380. Aurora's bode, de morgenster, bij welker verschijning de geesten, die wegens misdrijven geen rust vinden, of de zelfmoordenaars, die deels aan een kruisweg begraven zijn, deels in het water liggen, hun omwaren staken. Aurora's lieveling van reg. 389 is de schoone jager Cephalus, zie V. 1. 200.

IV. 1. 32. Tangen en botten, een dorpsmuziek, waarbij op tangen en beenderen geslagen werd. In de folio-uitgave is hier als tooneelaanwijzing bijgevoegd, dat die tangmuziek zich doet hooren.

IV. 1. 46. Zoo slingert teer om geur'ge kamperfoelie Zich blanke winde. Het is mij thans waarschijnlijker, dat door woodbine de haagwinde, convolvulus sepium, wordt aangeduid, dan de kamperfoeliestruik zelf, zooals velen verklaren; daarom is de vroegere vertaling: "Zoo windt zich lieflijk om haar honigbloem De kamperfoelie" door een andere vervangen; men zie de Irving-Shakespeare, II. pag. 382.

IV. 1. 78. Deze struik, Diana's roem, zal wel de Vitex agnus [1] castus zijn; het sap uit den knop er van zou dus de werking van het viooltjessap opheffen. Een tak van deze voor allerlei vlechtwerk gebezigde plant zou, in bed gelegd, volgens de oude Grieken kuischheid bevorderen; men zegt, dat dit geloof nog in Griekenland bestaat en dat de plant nog dien dienst moet doen.

IV. 1. 144. Sint Velten. Op den in Engeland welbekenden Sint-Valentijnsdag paren, naar het heet, de vogels.

V. 1. 47. Hercules. Hercules was zelf de held in den strijd met de Kentauren.--De zanger van Thracië is Orpheus. Men heeft vermoed, dat De negen Muzen enz. zou doelen op een gedicht van Spenser, The Teares of the Muses (1591), waarin de Muzen achtereenvolgens optreden om over het verval en de geringschatting van kunsten en wetenschappen te klagen. Het gedicht is echter elegisch en niet een strenge bijtende satire.

V. 1. 147. Dat bloedig blanke zwaard enz. Hier en ook elders in dit stuk hekelt Sh. het overmatig gebruik van alliteraties, dat in zijn tijd in zwang was.

V. 1. 198. Limander. Bedoeld is Leander, zooals met Hello Hero, met Sjefilus Cephalus, met Procrus Procris.

De schoone jager Cephalus, van Thorikos in Attica, en zijn gemalin Procris hadden in teedere liefde elkander eeuwige trouw beloofd. Hij wordt, in het gebergte jagend, door Aurora (Eos) geroofd. Om hem voor eeuwig van zijn gemalin te scheiden, zendt Aurora Cephalus in veranderde gedaante tot haar, en Procris laat zich door haar man tot ontrouw verleiden. Nu openbaart Cephalus, wie hij is, en vol schaamte vlucht Procris naar Creta, waar zij met Diana (Artemis) jaagt en van haar een nimmer missenden jachtspriet en een alles inhalenden jachthond erlangt. Daarmee keert zij naar Attica terug en voegt zich, niet herkend, bij den jagenden Cephalus. Deze wenscht den jachtspriet en den hond te bezitten en belooft haar, op haar verlangen, zijn liefde. Zij maakt zich bekend, en daar de echtgenooten elkander nu niets meer te verwijten hebben, schenken zij elkaar vergiffenis en leven weer eendrachtig samen. Procris is echter nog steeds ijverzuchtig op Aurora, vergezelt haar man heimlijk in 't gebergte en wordt door hem bij vergissing met den nimmer missenden jachtspriet gedood. (Ovidius, Metamorph. VII. 493 sqq.)--Pyramus en Thisbe kozen alzoo geen volkomen getrouw paar uit.

V. 1. 281. Maar stil, wat leed! enz. In het Engelsch:

But stay, o spite! But mark, poor knight, What dreadful dole is here! Eyes, do you see? How can it be? O dainty duck; o dear!

Dat Sh. hier een satire schrijft; op de dichtwijze en den wansmaak van anderen, kan ten duidelijkste blijken uit de aanhaling van eenige regels uit Prestons Koning Cambyses, een stuk, dat lang met toejuiching begroet was en aan Sh.'s tijdgenooten goed bekend was:

"O blissful babe, O joy of womb, Heart's comfort and delight, For counsel given Unto the king, Is this thy just requite?

O heavy day And doleful time, These mourning tunes to make! With blubred eyes Into mine arms From earth I will thee take".

Sh. heeft het rijm vermeerderd, om de regels nog duidelijker te doen uitkomen. De parodie moest het tusschenspel voor de toeschouwers nog veel vermakelijker doen zijn, dan het voor ons wezen kan.

V. 1. 311. O, sneef, sneef, sneef, sneef, sneef! De in het oorspronkelijke volgende woordspelingen zijn opmerkelijk. Na Pyramus'

O, die, die, die, die, die, (sterf!)

zegt Demetrius:

No die (dobbelsteen), but an ace (aas, = 1 bij het dobbelspel) for him; for he is but one; en hierop Lysander:

Less than an ace, man; for he is dead; he is nothing;

waarop Theseus herneemt:

With the help of a surgeon he might yet recover, and prove an ass (ezel).

De onvertaalbare woordspelingen heb ik door een paar rijmen vervangen.--Ik noemde ze opmerkelijk, daar er uit blijkt, dat ace en ass ten tijde van Sh. nagenoeg eveneens werden uitgesproken, beide zeker met den a-klank, maar in het eene woord iets langer dan in het ander.

V. 1. 360. Zelfbedachten dans. Met een dans eindigden de tusschenspelen vaak. In het oorspronkelijke staat Bergomaskerdans, naar Bergamo zoo genoemd. De landlieden uit den omtrek dier stad waren bekend om hun lompe manieren en speelden bij grofboertige vertooningen nog al eens een rol; in de geschiedenis van den Italiaanschen Arlequino is Bergamo van belang. Een Bergomasker-dans is dus een Hansworstendans.