Chapter 4
TITANIA. Of, liefste schat, hebt ge ook tot eten lust?
SPOEL. Ja zeker, een schepel voer; ik zou graag wat mummelen van die goede droge haver. Me dunkt, ik heb groot verlangen naar een bundel hooi; goed hooi, zoet hooi, heeft zijns gelijke niet.
TITANIA. Ik heb een waagzieke elf, die uit de schuur Eens eekhoorns nieuwe noten voor u haal'.
SPOEL. Ik had liever een of twee handvollen droge erwten. Maar, ik bid u, laat niemand van uw volkje mij storen; ik voel, dat een expositie van slaap mij overvalt.
TITANIA. Zoo slaap nu, met mijn arm omvang ik u. Gij, elfen, gaat, verspreidt u in het rond.
(De Elfen verspreiden zich.)
Zoo slingert teer om geur'ge kamperfoelie Zich blanke winde;--en even teer omringt Klimop de ruwe vingers van den olm. O hoe bemin ik u; ik bid u aan.
(Titania en Spoel vallen in slaap.)
(Oberon treedt naar den voorgrond; Puck komt op.)
OBERON. Wees welkom, Puck; ziet gij dat fraai tooneel? Nu boezemt mij haar waan toch meêlij in. Pas trof ik in het woud haar aan; zij las De fijnste kruiden voor dit wangedrocht; Ik heb haar fel berispt en viel haar hard; Zij had de ruige slapen met een krans Van frissche en geur'ge bloemen hem gekroond; En de eigen dauw, die op de knoppen vaak Als ronde kostbre parels drupp'lend zwelt, Stond in der schoone bloempjes oogen nu Als tranen, over eigen smaad geschreid. Toen ik naar lust haar had bestraft, en zij Deemoedig bad om mijn toegevendheid, Toen vorderde ik dien lievlingsknaap haar af; Zij gaf hem daad'lijk en haar elfe droeg Hem naar het elfenland in mijn prieel. Nu ik het knaapje heb, bevrijd ik ook Haar oogen van de' afschuwelijken waan. Gij, beste Puck, neem dezen vreemden kop Nu af van 't hoofd van dien Atheenschen knaap, Opdat hij, evenals die andren ginds, Bij zijn ontwaken naar Athene keer', En al die avonturen van deez' nacht Hun zijn als 't nijdig plagen van een droom. Doch eerst bevrijd ik de elfenkoningin.
(Hij bestrijkt haar oogen met een tooverkruid.)
Wees, zooals ge placht te zijn; Zie weer 't wezen, niet den schijn; Deze struik, Diana's roem, Fnuike alsnu Cupido's bloem!
Ontwaak, Titania, mijn koningin!
TITANIA. Mijn Oberon! Wat droombeeld nam mij in! Mij dunkt, dat ik een ezel heb bemind.
OBERON. Daar ligt uw lief.
TITANIA. Hoe kwam ik zoo ontzind? O foei, wat pijnigt dit gezicht mijn oog!
OBERON. O stil nog!--Puck, bevrijd hem van dien kop.-- Titania, een slaap, die diep verdooft, Zij door muziek op 't vijftal uitgestort.
TITANIA. Muziek dan, die een diepen slaap verwekk'!
(Een zachte muziek doet zich hooren.)
PUCK (tot Spoel). Kom dan; wees, als ge ontwaakt, weer de oude gek.
OBERON. Ja, klink, muziek!--Mijn gâ, geef mij de hand, En dansend wieg'len wij dit slapersland. Op nieuw is onze liefdevlam ontbrand, Wij brengen morgen nacht, weer zielsverwant, Door dans in Theseus' huis zijn heil tot stand, En zeeg'nen 't huis met menig liefdepand;-- En daar vereenige ook de huwlijksband, Deez' paren, met hun vorst, op blijden trant.
PUCK. Elfenkoning, hoort gij 't niet, De uchtendleeuwrik zingt zijn lied.
OBERON. Zacht, in schaduw van de nacht, Lieve, dan de reis volbracht; Sneller, dan de mane vaart, Doen wij onzen tocht om de aard.
TITANIA. Kom, mijn vorst en heer, en zeg Mij uitvoerig onder weg, Wat betoov'ring mij van nacht Bij die stervelingen bracht.
(Oberon en Titania met gevolg af. Horengeschal achter het tooneel.)
(Theseus, Hippolyta, Egeus en Gevolg komen op.)
THESEUS. Dat een van u den jachtopziener zoek', Want onze Meibegroeting is volbracht; En daar de dag zich nu heeft aangemeld, Verneem' mijn bruid der honden jachtmuziek.-- Ontkoppelt hen in 't westlijk dal; vooruit! En zoekt, zeg ik, den jachtopziener op.-- Mijn schoone bruid, beklim met mij den berg; Daar klinkt zoo schoon 't verwarde hondgeblaf, Dat met der dalen echo's samensmelt.
HIPPOLYTA. Ik was met Hercules en Cadmus eens, Die met Spartaansche honden op een beer In Creta's bosschen jaagden; 'k hoorde nooit Een schooner jachtrumoer; niet enkel 't woud, Ook hemel, beek en veld, heel de omtrek was Één roep en tegenroep; ik hoorde nooit Een zoeter wanklank, liefelijker donder.
THESEUS. Mijn honden zijn van 't echt Spartaansche ras, Breedlippig, geel; hun ooren hangen laag En vagen van het gras den morgendauw; Krombeenig, met een kossem als een stier; Niet snel, maar bij het blaffen fraai gestemd Als klokkenspel. Welluidender geblaf Klonk nooit bij jachtgeroep of horenschal, In Creta, Sparta noch Thessalia; Beoordeel 't zelf!--Doch wat zijn dat voor nimfen?
EGEUS. Mijn vorst, dat is mijn dochter, die daar slaapt; Daar is Lysander, hier Demetrius, Hier Helena, des grijzen Nedars kind; Ik sta verbaasd, dat zij hier samen zijn.
THESEUS. Zij kwamen zonder twijfel vroeg de Mei Hier vieren, en, verwittigd van ons plan, Vertoefden zij, ter wille van ons feest.-- Maar Egeus, spreek, is 't heden niet de dag, Dat Hermia haar keus verkonden moet?
EGEUS. Zoo is 't, mijn vorst.
THESEUS. Nu, laat de jagers hen met horens wekken!
(Horengeschal en jachtgedruisch achter het tooneel. Demetrius, Lysander, Hermia en Helena ontwaken en springen verschrikt op.)
THESEUS. Zoo, goeden dag! Sint Velten is voorbij; En paren deze vogels eerst van daag?
LYSANDER. Vergeving, heer.
(Hij knielt met de overigen voor Theseus.)
THESEUS. Staat, bid ik, op. Ik weet, Vijandig zijt ge elkaar, als mededingers. Van waar die lieflijke eendracht zoo op eens, Dat vrij van argwaan haat bij haat zich vlijt, En ijverzucht haar vijand ducht noch mijdt.
LYSANDER. Spreek ik verward, heer, 't breng' mij geen verwijt; Het is me, als droom ik nog. Wàt is geschied, Hoe ik hier kwam, ik zweer 't, ik weet het niet. Maar denk ik juist, (want gaarne spreek ik waar;-- En nu bedenk ik, dat het wel zoo is;) Ik kwam met Hermia naar 't woud, van plan, Athene te verlaten voor een plaats, Waar ons de Atheensche wet niet meer bedreigt.
EGEUS. Genoeg, genoeg; mijn vorst, dit zij genoeg; Thans treff' de wet, de wet, zijn schuldig hoofd!-- Te vluchten was het plan, het plan, Demetrius! Ze wilden ons berooven, u en mij, U van uw vrouw, mij van mijn vaderrecht, Dat recht, waardoor ik haar aan u reeds gaf.
DEMETRIUS. Mijn vorst, de schoone Helena verried Aan mij hun vlucht, hun plan tot vlucht naar hier; Uit woede sloop ik hen toen na in 't woud, Uit liefde mij de schoone Helena. Maar, goede vorst, ik weet niet door wat macht, (Maar 't moet een hoog're macht zijn,) mijne min Voor Hermia als sneeuw versmolt en mij Nu als de erinn'ring van een speelgoed schijnt, Waarop ik in mijn kindsheid was verzot. Mijn liefde en trouw, de kracht van heel mijn ziel, Het eenig beeld, dat thans mijn oogen streelt, Is Helena alleen. Ik minde haar, Mijn vorst, aleer ik Hermia ooit zag. Zooals een' zieke nooit een spijs behaagt, Eer zijn gezonde smaak is weergekeerd, Zoo wensch ik thans naar haar, en smacht naar haar, Bemin ik haar, blijf eeuwig trouw aan haar.
THESEUS. Gelieven, het treft goed, dat ik u vond, Maar later hoor ik van dit alles meer.-- Gij, Egeus, moet u voegen naar mijn wil: Dat beide paren in den tempel nu Gelijk met ons een eeuw'ge knoop verbind'.-- En daar de morgen reeds ten deel verstreek, Zij nu de ontworpen jacht ter zij gesteld.-- Komt, naar Athene! Een feest van drie bij drie Zij thans gevierd, dat nooit zijn weerga zie! Wij gaan, Hippolyta.
(Theseus, Hippolyta, Egeus en Gevolg af.)
DEMETRIUS. 't Is alles ver en klein, onkenbaar flauw, Als verre bergen, door een wolk omhuld.
HERMIA. En mij is alles, als waar 't oog gedeeld, En zag ik alles dubbel.
HELENA. Zóó is 't mij; Ik vond Demetrius, als een juweel, Dat mij behoort en niet behoort.
DEMETRIUS. Ik denk, Wij droomen nog.--Was niet de hertog hier, Die ons den last van hem te volgen gaf?
HERMIA. Ja, en mijn vader.
HELENA. En Hippolyta.
LYSANDER. De last was, hem te volgen naar den tempel.
DEMETRIUS. Dan zijn wij toch ontwaakt. Komt, hem gevolgd; En elk deele onderweg zijn droomen mee.
(Demetrius, Lysander, Hermia en Helena af.)
(Terwijl zij heengaan, ontwaakt Spoel.)
SPOEL. Als mijn wachtwoord komt, roep me dan, en ik zal antwoorden;--mijn eerste is: "volschoone Pyramus".--Holà, hé.--Pieter Dissel! Wind, de blaasbalgmaker! Tuit, de ketellapper! Slokker! God zegen' me! weggeslopen en mij hier laten slapen! Ik heb een allervreemdst gezicht gehad. Ik heb een droom gehad,--het gaat boven iemand zijn verstand, te zeggen, wat voor een droom het was; de mensch is eenvoudig een ezel, als hij dien droom wil gaan uitleggen. Mij dacht, ik was,--o, geen mensch kan zeggen, wat. Mij dacht, ik was, en mij dacht, ik had,--maar een mensch is maar een bont gekleede nar, als hij het hart heeft te gaan zeggen, wat mij dacht, dat ik had. Geen menschenoog heeft het gehoord, geen menschenoor heeft het gezien; geen menschenhand is in staat om het te proeven, geen tong om het te begrijpen, geen hart om het over te vertellen, wat mijn droom was. Ik zal Pieter Dissel vragen, van dezen droom een ballade te schrijven; en die zal genoemd worden "de weversdroom," omdat het zoo'n raar samenweefsel is; en ik zal die tegen het eind van het stuk zingen voor den hertog; misschien zing ik ze, om het wat sierlijker te maken, als zij zich doodsteekt.
(Spoel af.)
TWEEDE TOONEEL.
Athene. Een kamer in Dissels huis.
Dissel, Wind, Tuit en Slokker komen op.
DISSEL. Heb je al naar Spoel zijn huis gestuurd? Is hij al terug?
SLOKKER. Geen mensch weet waar hij is. Hij is zeker vertransforteerd.
WIND. Als hij niet komt, is ons spel bedorven; dan gaat het niet door, niet waar?
DISSEL. Onmogelijk; er is geen man in geheel Athene, die in staat is Pyramus op te spelen, behalve hij.
WIND. Neen, dat is zoo; hij heeft, ronduit gezeid, het mooiste vernuft van alle handwerkslui in Athene.
DISSEL. Ja, en de knapste kerel er bij, en hij is, om zijn liefelijke stem, een echt liefhebber.
WIND. Zeg toch "minnaar", man; een "liefhebber", God beter 't, is zoo'n raar ding.
(Schaaf komt op.)
SCHAAF. Mannen, de hertog komt daar uit den tempel, en er zijn nog twee of drie andere heeren en dames meer getrouwd. Als ons spel was doorgegaan, dan waren wij er allen boven op geweest.
WIND. O, die lieve bullebak van een Spoel! Zoo heeft hij dan wel een schelling daags levenslang verloren; een schelling daags kon hem niet ontgaan; als de hertog hem niet een schelling daags gegeven had voor het spelen van Pyramus, wil ik gehangen worden; hij zou het verdiend hebben; een schelling daags voor zijn Pyramus, of niets!
(Spoel komt op.)
SPOEL. Waar zijn mijn kerels? waar zijn die beste jongens?
DISSEL. Spoel! O allerhartelijkste dag! O heerlijk oogenblik!
SPOEL. Mannen! ik heb wonderen te vertellen; maar vraagt mij niet wat; maar als ik het je vertel, wil ik geen goed Athener heeten. Ik zal je alles en alles vertellen, haarfijn, zooals het gebeurd is.
DISSEL. Laat hooren, beste Spoel.
SPOEL. Neen, ik zeg geen woord. Al wat ik je zeggen wil, is, dat de hertog al gegeten heeft. Brengt al je zaken in orde, doet bindtouw aan de baarden, nieuwe linten aan de schoenen; komt dadelijk aan het paleis bij elkaar; laat ieder zijn rol nog eens overkijken; want het kort en het lang van de zaak is, dat ons stuk vóórkomt. In elk geval, laat Thisbe schoon linnengoed aandoen, en laat, die den leeuw speelt, toch vooral zijn nagels niet korten, want die moeten lang uithangen, als leeuwenklauwen. En, mijn allerliefste spelers, eet toch geen uien of knoflook, want wij moeten een liefelijken adem uitblazen, en ik twijfel er niet aan, of we zullen ze hooren zeggen, het is een liefelijke comedie! Nu geen woord meer; voort! gaat! voort!
(Allen af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Athene. Een kamer in het paleis van Theseus.
Theseus, Hippolyta, Philostratus, Hovelingen en Gevolg komen op.
HIPPOLYTA. Vreemd, Theseus, is 't verhaal van die gelieven.
THESEUS. Meer vreemd dan waar. 'k Sla geen geloof aan al Die sprookjes of die elfenspokerij. En liefde èn waanzin maakt het brein verhit En wekt verbeelding op en doet steeds zien Veel meer dan 't koel verstand ooit vatten kan. Waanzinnigen, verliefden, dichters zijn Geheel verbeelding: die, de dolle, ziet Meer duivels dan de hel bevat; de minnaar, Niet minder dol, ziet schoone Helena, Waar hij een bruin, getaand gelaat ontwaart; In schoonen waanzin rolt des dichters oog, Blikt uit den hemel neer, van de aard ten hemel; En waar verbeelding dingen, ongekend, Te voorschijn roept, daar schept des dichters stift Hun een gestalte, en schenkt aan 't ijdel niets Op de aard bestaan, een woning en een naam. Verbeelding is in grillen overrijk; Zoodra zij iets gevoelt, dat haar verheugt, Staat haar voor 't oog een brenger van de vreugd; Terwijl, als 's nachts haar angst bekruipt in 't woud, Zij licht een ruigte voor een ondier houdt.
HIPPOLYTA. Maar al wat zij vertellen van deez' nacht, En hun gezindheid, zoo gelijk veranderd, Moet meer zijn dan een spel der phantasie. Het toont verband, het wordt tot werklijkheid; Doch altijd blijft het vreemd en wonderbaar.
THESEUS. Daar zijn de paren, vol van lust en vreugd.
(Lysander, Demetrius, Hermia en Helena komen op.)
Heil, vrienden! Heil en heldre levensdagen Naar 's harten wensch!
LYSANDER. Nog hooger heil, mijn vorst, Zij met uw uit- en ingaan, disch en bed!
THESEUS. Kom aan, wat dans of schouwspel zal er zijn, Dat ons die eeuw verkort, dat drietal uren, Dat avondmaal en uur van rust nog scheidt? Waar is de man van onze feestlijkheid?-- Kom, is er niets? geen schouwtooneel, dat ons De mart'ling spaar' van 't dralen van den tijd?-- Waar is Philostratus?
PHILOSTRATUS. Hier, edel vorst.
THESEUS. Wat tijdverdrijf biedt ge ons van avond aan? Muziek? of maskerfeest? Hoe foppen wij Den tragen tijd, zoo niet door vroolijkheid?
PHILOSTRATUS. Hier vindt ge, vorst, wat op uw wenken wacht; Gelief te kiezen, wat ge 't eerst wilt zien.
(Hij reikt een geschrift over.)
THESEUS. (leest). "De strijd met de Kentauren; voor te dragen Door een Atheenschen zanger bij de harp." Neen, dank; ik heb 't mijn bruid alreeds verteld Ter eere van mijn neef, van Hercules. "Het woeden der Bacchanten, die den zanger Van Thracië verscheuren in haar roes." Neen, dat is oud; het werd me alreeds vertoond, Toen ik in zegepraal van Thebe kwam. "De negen Muzen, jamm'rend om den dood Der bedelarm gestorven wetenschap." Dat is een strenge, bijtende satire, Volstrekt niet passend op een bruiloftsfeest. "Een kortgerekt vertoon van Pyramus En Thisbe, zijn beminde; een treurspelklucht." Een treurspel en een klucht? kort en gerekt? Dat klinkt als gloeiend ijs en heete sneeuw. Wie wijst mij de eenheid van die tweeheid aan?
PHILOSTRATUS. 't Is, heer, een stuk, nauw twintig woorden lang, En dus zoo kort, als ik er een maar ken; Maar twintig woorden is het ruim te lang, En dus gerekt; in 't gansche stuk toch is Geen woord naar eisch, geen speler op zijn plaats. Een treurspel is het ook, doorluchte heer, Want Pyramus steekt er zichzelf in dood. Ik zwom, toen ik de repetitie zag, In tranen, ja; maar blijder tranenvloed Heeft nooit de dolste klucht mij afgeperst.
THESEUS. Wie zijn de spelers?
PHILOSTRATUS. Mannen, hard van hand, Handwerkers van Athene, die nog nooit Hun brein met arbeid plaagden, maar die nu, Hoe vreemd het werk ook viel, het met dit stuk Bezwaarden om uw feestdag op te luistren.
THESEUS. Wij willen 't hooren.
PHILOSTRATUS. Neen, mijn eedle vorst, 't Is niets voor u; ik heb het pas gehoord, En het is niets, ter wereld niets, tenzij Gij u verlustigt in hun goeden wil, Die zich heeft afgemarteld, om dit vod Voor u te leeren.
THESEUS. Hooren wil ik 't stuk, Want nooit is iets verkeerd of ongepast, Wat eenvoud in oprechten ijver biedt. Ga, breng hen hier;--en ieder neme plaats.
(Philostratus af.)
HIPPOLYTA. 'k Zie noode hijgende onmacht zwaar belast, Of ijver, die zijn best doet en bezwijkt.
THESEUS. Mijn waardste, zoo iets zult gij ook niet zien.
HIPPOLYTA. Hij zegt, zij kunnen niets; het is niets goeds.
THESEUS. Te goediger is 't, hen voor niets te danken. Wat zij bij 't geven falen, te vergeven, Zij òns vermaak; wie edel denkt, waardeert Van ijver, die onmachtig blijkt, den wil. Waar ik ooit kwam, bereidden zich ten groet, In keur van taal, geleerden, groot van naam; Hoe velen zag ik sidd'ren en verbleeken, Ophouden in het midden van een zin; Angst kneep den anders ruimen gorgel toe; In 't eind verstomden zij en braken af, En zonder welkomstgroet. Maar, lieve, toch Klonk uit dat zwijgen mij een welkom toe; En de bescheidenheid van schuchtere' angst Sprak me even duidlijk als de rateltong Van onbeschroomde, stoute redenaars. Spreke eenvoud, liefde, stott'rend en bedeesd, Toch treft, die 't minste zegt, mij vaak het meest.
(Philostratus komt terug.)
PHILOSTRATUS. Zoo 't u behaagt, Heer, de Proloog staat klaar.
THESEUS. Hij trede binnen.
(Trompetgeschal achter het tooneel.)
(Dissel, als Proloog, komt op.)
PROLOOG (Dissel). "Mishagen we u, we wenschen dit als gunst. Dat gij ons ijvrig denkt uw lof te winnen, 't Kan dwaling zijn. Het toonen onzer kunst Let op het doel, waarmee we nu beginnen. Als gij het doet, zijn wij niet bang voor spot Bij uwen echt. Drijft lust om te behagen Ons hier aan 't hof. Voor uw en ons genot Acht ons niet hier. Opdat ge u zoudt beklagen Staan hier de spelers klaar. O, gij verstaat Al wat gij wilt, zoo gij hen gadeslaat."
THESEUS. Die knaap let niet bijzonder op komma's en punten.
LYSANDER. Hij heeft zijn proloog gereden als een wild veulen; hij weet niet, waar hij moet ophouden. Een goede moraal, mijn vorst; het is niet genoeg te spreken, men moet ook juist spreken.
HIPPOLYTA. Inderdaad, hij heeft op zijn proloog gespeeld als een kind op zijn fluitje, er komen wel tonen uit, maar er is niets van te maken.
THESEUS. Zijn aanspraak was als een verwarde keten, geen schakel stuk, maar een en al warboel. Wat komt er nu?
(Pyramus, Thisbe, Muur, Maneschijn en Leeuw komen als stomme personen op.)
PROLOOG "Verwondert ge u, dat gij ons hier ziet staan, Blijf dan verwonderd, tot wij 't duid'lijk maken. Deez' man is Pyramus, ja, zonder waan, Deez' schoone vrouw is Thisby, wilt 't niet laken. Die man met leem en mortel, is de muur, Die muur, zoo wreed, die de gelieven scheidde; En door een muurspleet wist hun minnevuur Te fluistren; denkt, wat vreugd hun dit bereidde! Deez' man, met takkenbos, lantaarn en hond, Stelt voor den maneschijn; want, zonder schromen, Bij maneschijn, aan Ninus' graf, daar vond Het paar gelegenheid om saam te komen. Dit grimmig beest, de leeuw dat is zijn naam, Heeft trouwe Thisby, die het eerste kwam, Geweldig doen verschrikken, en zij nam De vlucht, en liet daarbij haar mantel vallen; Dien heeft de leeuw toen met zijn muil bebloed; En Pyramus, de schoonste bloem van allen, Komt, vindt er dood zijn Thisby's mantel goed; Hij trekt zijn zwaard, dat bloedig blanke zwaard, Treft boos zijn borst, zijn brave breede borst; Thisby, die bij een moerbeiboom daar waart, Komt, trekt zijn dolk, en sterft met bloed bemorst. Laat maanschijn, muur, en leeuw, en 't minnend paar Nu 't restje' uitvoerig melden, kort en klaar."
(Proloog, Thisbe, Leeuw en Maneschijn af.)
THESEUS. Ik ben benieuwd, of ook de leeuw zal spreken.
DEMETRIUS. Geen wonder, Heer, dat een leeuw het kan, terwijl zooveel ezels het kunnen.
MUUR (Tuit). "Het komt er in dit treffend stuk op neer, Dat ik, Jan Tuit, den muur verpresenteer; Geloof nu van dien muur, dat is niet mis, Dat die verdistreweerd, gespleten is; En door die spleet, daar lispelt zeer geheim Met Thisby Pyramus wel menig rijm. Wilt uit deez' steen en kalk en leem verstaan, Dat ik die muur ben, twijfel daar niet aan; En rechts en links toon ik u hier de spleet, Die van 't gefluister der gelieven weet."
THESEUS. Wie vergt, dat leem en kalk nog beter spreken?
DEMETRIUS. Het is de geestigste scheidsmuur, dien ik nog ooit heb hooren redeneeren, Heer!
THESEUS. Pyramus komt daar op den muur af; stilte!
(Pyramus komt op.)
PYRAMUS (Spoel). "O gruwbre nacht! o nacht, zoo zwart van waas! O nacht, die na het daglicht altijd doorbreekt! O nacht, o nacht, o nacht, helaas! helaas! Ik vrees, ik vrees, dat Thipsy mij haar woord breekt. En gij, o Muur, o lieve, beste Muur, Die 't huis haars vaders en het mijne scheidt, Gij Muur, o Muur, o lieve, beste Muur, Toon mij uw spleet, waar ik mijn blik door weid'.
(Muur spreidt zijn vingers uiteen.)
Beleefde Muur, heb dank! God loone 't u! Wat zie ik daar? Thipsy, die zie ik niet. O booze Muur, door wien ik niets zie nu! Vervloekt, gij steenen, die mij zoo verriedt!"
THESEUS. Daar de muur gevoel bezit, moet hij, dunkt mij, terug vloeken.
PYRAMUS. Waarlijk niet, heer, 't is zijn beurt nog niet. "Mij zoo verriedt" is Thipsy's wachtwoord; zij moet nu opkomen, en ik moet haar door den muur uitvinden. Gij zult zien het komt krek uit, zooals ik zeg. Daar komt ze al.
(Thisbe komt op.)
THISBE (Wind.) "O muur, zeer vaak vernaamt ge mijn geween, Die van mijn Pyramus mij scheidt zoo wreed; Mijn kersenlippen kusten vaak uw steen, Uw steen, uit leem en koehaar saamgekneed."
PYRAMUS. "Ik zie een stem, ik ga ter spleet en schouw Of ik mijn Thipsy's aanschijn hooren kan. Thipsy!"
THISBE. "Zijt gij 't, mijn lief, naar ik vertrouw?"
PYRAMUS. "Vertrouw het, ja, 'k ben uw aanstaande man, En trouw ben 'k ook, zooals Limander was."
THISBE. "En ik als Hello, tot mij 't lot velt ras."
PYRAMUS. "Geen Sjefilus van Procrus hield zooveel."
THISBE. "'k Ben Sjefilus voor Procrus, ja geheel."
PYRAMUS. "O kus mij door deez' halfverganen muur."
THISBE. "Ik proef den muur, niet uwer lippen vuur."
PYRAMUS. "Komt gij zoo daadlijk thans naar Ninny's graf?"
THISBE. "Ik kom, ja, dood of levend, op een draf."
(Pyramus en Thisbe af.)
MUUR. "Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan, En, afgedaan, mag muur nu henen gaan."
(Muur af.)
THESEUS. Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.
DEMETRIUS. Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder waarschuwen alles af te luisteren.
HIPPOLYTA. Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.
THESEUS. De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.
HIPPOLYTA. Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.
THESEUS. Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.
(Leeuw en Maneschijn komen op.)
LEEUW (Schaaf). "Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart, Als 't kleinste monstermuisje piept, gewis, Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart 't Gebrul des felsten leeuws, die woedend is. Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin, Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin; Want kwam ik als een echte leeuw alhier En snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier."
THESEUS. Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.
DEMETRIUS. Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten gezien heb.
LYSANDER. Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.
THESEUS. Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.
DEMETRIUS. Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.
THESEUS. En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan; wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de maan luisteren.
MAAN (Slokker). "Ziet, deez' lantaarn is de gehoornde maan;--"
DEMETRIUS. Hij moest de horens op het hoofd dragen.
THESEUS. Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in de schijf.
Maan. "Ziet, deez' lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor het mannetje in de maan;"--
THESEUS. Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.