Een Midzomernachtdroom

Chapter 3

Chapter 34,192 wordsPublic domain

SPOEL. Beste heer Mosterdzaad, ik ben met uw lijdzaamheid wel bekend; dat flauwhartige, lompzware ossenvleesch heeft al menigen edelman van uw familie verslonden; ik kan u verzekeren, menigeen van uw geslacht heeft mij al heel wat tranen uit de oogen geperst. Ik hoop nog nadere kennis te maken, beste sinjeur Mosterdzaad.

TITANIA. Komt, voert hem naar mijn bloemengrot nu heen; Ziet, 't is alsof de maan weemoedig blikt; En als die weent, weent iedre bloem, hoe kleen, Wijl ruw een maagdebloemke wordt geknikt.-- Stil, boeit mijn lief de tong, dat hij niet kikt.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Oberon komt op.

OBERON. Ik ben benieuwd, of reeds Titania Ontwaakte en wat het eerst in 't oog haar viel, Waar ze op verlieven moest met hart en ziel.

(Puck verschijnt.)

Daar komt mijn bode.--Zeg, mij, dolle geest, Wat is er in dit spookbosch aan de hand?

PUCK. Voor een gedrocht is mijn meestres ontbrand. Zij lag in zoete sluim'ring op haar koets, Door heilig groen omhuld, toen onverhoeds Een troepje handwerkslui daar komt, gewend Aan 't werken voor den kost, een narrenbent En in haar buurt een schouwspel repeteert, Voor Theseus' huwlijksfeest door hen geleerd. Den dwaasten bott'rik van dien dollen kring, Die Pyramus bespotlijk speelde, ging, Zooals zijn rol dit eischte, wat ter zij, Tot Thisbe roepen zou; ik gauw er bij, En zet hem op het hoofd een ezelskop. En fluks moet hij verschijnen en treedt op, Als ware er niets gebeurd; en allen vliên; Als ganzen, die den voog'laar sluipen zien, Of kraaien, die bij 't knallen van 't geweer Opschrikken, krijschen, vliegen, op en neer, En raadloos zich verspreiden, ver uiteen,-- Zoo spat hun troep naar alle kanten heen; Elk rolt omver, zoodra ik even stamp, Roept "moord!" en "brand!" en "hulp!" en "o, wat ramp!" Hun ziel, onthutst, verbijsterd, zwak, gaf toen Zielloozen dingen kracht hun leed te doen; Deez' neemt een struik de mouw, aan dien den hoed; Zij vlieden door, half naakt, met dubb'len spoed; En met dien angst dreef ik geheel de schaar; Den lieven Pyramus slechts liet ik daar; En nauwlijks is Titania ontwaakt, Of de ezel is het lief waar zij voor blaakt.

OBERON. Dat valt nog beter uit, dan ik wel dacht. Maar hebt gij verder mijn bevel volbracht En den Athener 't sap op 't oog gedrukt?

PUCK. Ik vond hem slapend,--ja, dat is gelukt,-- Met het Atheensche meisje aan zijn zij; Ontwaakt hij, haar ziet hij dan niet voorbij.

(Demetrius en Hermia komen op.)

OBERON. Daar is de man. Zorg dat hij ons niet ziet.

PUCK. Dat is het meisje, maar de man is 't niet.

DEMETRIUS. Wat kwetst ge een minnaar met zoo bittren smaad? Kwel zoo den vijand, die u 't bitterst haat.

HERMIA. Ik hoon nog slechts, wijl ik 't bewijs nog zoek, Maar vrees, er waar wel reden voor mijn vloek. Hebt gij Lysander in den slaap gedood? Zoo baad in bloed, nu ge eenmaal bloed vergoot, En dood ook mij. De zon was aan den dag wis nooit zoo trouw, Als hij aan mij. En hij zou vluchten, zou Mij slapend achterlaten? Neen, ik waan Veeleer, dat de aard doorboord wordt en de maan Door 't boorgat kruipt en zoo de zon verstoort, Als die bij de antipoden 's middags gloort. Ja, gij hebt hem vermoord! Erken 't en bloos! Zoo blikt een moord'naar, ja, zoo strak, zoo boos!

DEMETRIUS. Neen, zoo blikt een, die door u werd vermoord; Door uwe wreedheid is mij 't hart doorboord; Maar gij, de moord'nares, blikt met een gloed, Die Venus aan den hemel tanen doet.

HERMIA. Maar waar is dan Lysander? Vriend, ik smeek, Demetrius! geef hem mij weer! o spreek!

DEMETRIUS. Veeleer wierp ik zijn lijk mijn honden voor.

HERMIA. Gij hond, gij wolf! Gij brengt mij uit het spoor Van 't vrouwlijk doen! Hebt gij hem dus geveld? Word nimmer onder menschen dan geteld! O, spreek, voor eens, om mijnentwille, waar! Zeg, hadt gij, zoo hij waakte, hem een haar Gekrenkt? en moorddet gij den slaap? Wat moed! Is 't niet een slang, een adder, die zoo doet? Een adder deed het, ja; een valscher beet Deed nooit een slang, dan dien gij, adder, deedt.

DEMETRIUS. Wat ijdle waan! 't is nutteloos gewoed! Ik ben niet schuldig aan Lysanders bloed; Ook stierf hij niet, zoover ik zeggen kan.

HERMIA. En is hij wel? O zeg, wat weet ge er van?

DEMETRIUS. En wist ik iets, wat gunst wilt gij mij biên?

HERMIA. Het voorrecht van mij nimmer weer te zien.-- Gehaat is mij uw bijzijn, ik ontvlied: Zie nooit mij weer, hetzij hij leve of niet.

(Hermia af.)

DEMETRIUS. 't Is dwaasheid haar te volgen; ze is te boos; 't Is beter, dat ik hier mij nu verpoos. Steeds zwaarder drukt de zwaarte van het leed, Als slaap, zijn schuldnaar, van geen afdoen weet; Misschien ontvang ik thans een deel der schuld, Verwacht ik hier zijn kwijting met geduld.

(Hij vlijt zich neder en slaapt in.)

OBERON. Wat deedt ge? Op 't oog,--zoozeer hebt gij gefaald,-- Van trouwe min is 't minnesap verdwaald; En door die feil is echte min gedeerd, Niet valsche min tot echte min bekeerd.

PUCK. Ja, één zij trouw; miljoenen, in 't gemeen, Doen eed op eed, maar houden er niet een.

OBERON. Nu vlug door 't woud, nog vlugger dan de wind, Of gij de Atheensche Helena er vindt; Ze is bleek van wang en krank door liefdegloed, Want minnezuchten drinken 't hartebloed. Geleid haar hier door uw begoochlingsmacht; Intusschen proev' zijn oog mijn tooverkracht.

PUCK. Ik ijl, ik ijl, zie hoe ik ijl: Sneller dan ooit van Parthers boog een pijl.

(Puck af.)

OBERON. Bloem, die Liefdes pijl zoo goed Spelend trof, uw purpren bloed Dringe in 't oog hem en gemoed! Als zijn lief zich tot hem spoedt, Straal' ze in even heldren gloed, Als de Morgenster het doet!-- Als ge ontwaakt en zij u groet, Smeek dan, dat ze uw leed verzoet'!

(Hij drupt het sap in Demetrius' oogen.)

(Puck komt weder op.)

PUCK. Koning van der Elfen rij, Helena is hier nabij; Hij, in wien 'k mij heb verzien, Wil nu haar zijn liefde biên; Wilt ge deze klucht bespiên? God! hoe dwaas zijn toch die liên!

OBERON. Kom ter zij! Hun schett'ren maakt Dat Demetrius ontwaakt.

PUCK. Dan zijn twee op een verliefd! Of dat grapje mij gerieft! Want dat is mijn grootste pret, Dat ik 't onderst boven zet.

(Lysander en Helena komen op.)

LYSANDER. Geldt u mijn liefde als hoon? wat vreemde waan! Geen hoon en spot, die zich in tranen meldt; 'k Zweer weenend, zie! van eeden, zoo ontstaan, Blijkt, dat zij uit het hart zijn opgeweld. Kan 't zijn, dat gij als bitt'ren hoon verklaagt, Wat zóó van trouwe min den stempel draagt?

HELENA. Uw dubbelhartigheid wordt zonneklaar; Doodt trouwe trouwe, o booze heil'genstrijd! Uw eed heeft Hermia; verzaakt gij haar? 't Weegt niets, die eeden, haar en mij gewijd; Leg de' eed aan haar, aan mij, elk in een schaal, Beide even licht, licht als een droomverhaal!

LYSANDER. Ik was waanzinnig, toen 'k mijn woord haar gaf!

HELENA. En zinneloos, zweert gij haar weder af!

LYSANDER. Demetrius mint haar; u mint hij niet.

DEMETRIUS (ontwakend). O Helena, volschoone, nimf, godin! Wat glans straalt u uit de oogen, hartsvriendin! Kristal is dof!--Wat kersenlippenpaar, Zoet zwellend, of 't ten kus geschapen waar'! De sneeuw op Taunus' kruin, zoo menig jaar Door wind gebuild, wordt raafzwart, als gij daar Uw blanke hand verheft; o reik ze mij, En dat een kus mijn heilbezeeg'ling zij!

HELENA. O hel! Ik zie, u allen is 't genot, Als gij mij overladen kunt met spot! Wist gij, wat edel en wat passend is, Gij zocht geen vreugd in mijne droefenis. Moet gij, nog niet tevreden met uw haat, Ook nog vereend mij krenken door uw smaad? O, hadt gij van den man meer dan den schijn, Nooit zoudt ge voor een vrouw zoo kwetsend zijn, Mij grieven met uw lof en liefdesmart, Terwijl ik weet, gij haat mij in uw hart. Wedijvrend maakt gij 't hof aan Hermia, Wedijvrend ook verguist gij Helena; Een manlijk stuk, een ware heldendaad, Een weerloos meisje tranen door uw smaad Te ontlokken! maar geen edel man, niet één, Die zoo een maagd zou hoonen, haar zoo treên Op 't hart,--en dat voor uw vermaak alleen!

LYSANDER. Demetrius, houd op; gij doet haar leed; Want gij mint Hermia, weet wel, dat ik 't weet. Hier schenk ik u,--van heeler harte, ja!-- Mijn aandeel in de gunst van Hermia; Sta gij nu die van Helena mij af, Die ik bemin, zal minnen tot aan 't graf.

HELENA. Nooit was een spotternij zoo laag, zoo laf!

DEMETRIUS. Lysander, houd uw Hermia; ik dank; Minde ik haar ooit, thans gloeit in mij geen sprank; Mijn hart had eens bij haar als gast een kluis, Maar kwam voor goed bij Helena weer t'huis; Daar blijft het nu.

LYSANDER. Geloof 't niet, Helena.

DEMETRIUS. Spreek niet een trouw, die gij niet kent, te na, Als gij niet wilt, dat gij er duur voor boet!-- Daar komt uw liefste; zie, zij wacht uw groet.

(Hermia komt weder op.)

HERMIA. De nacht ontneem' zijn werking aan 't gezicht, Wel dubbel goed vervult het oor zijn plicht; En wat het zintuig van 't gezicht verloor, Hergeeft de nacht verdubbeld aan 't gehoor;-- 't Was niet mijn oog, Lysander, dat u vond, Mijn oor heeft vriendlijk mij uw stem verkond. Maar wat dreef tot die wreede vlucht u aan?

LYSANDER. Wie bleef wel ooit, als liefde drong tot gaan?

HERMIA. Wat liefde was het, die u van mij dreef?

LYSANDER. Lysanders min verbood hem, dat hij bleef: Deez' schoone Helena, die in de nacht Meer licht verspreidt dan gindsche sterrenpracht. Wat zoekt ge mij? begreept gij dus nog niet, Dat haat tot u de grond is, dat ik vlied?

HERMIA. Dat kan niet zijn; gij spreekt uit spotternij.

HELENA. Helaas! ik zie het, zij kiest hun partij! Zij drieën spannen samen tegen mij, En ik ben 't offer van hun mart'larij. O wreede deerne, ondankbre Hermia! Verstondt ge u en verbondt ge u met deez' twee Om mij te sarren met zoo valschen spot? Zijn die geheimen, eens elkaâr vertrouwd, Die eed van zusterschap, zoo menig uur, Dat ons den snellen tijd, die scheiding bracht, Verwenschen deed,--o! alles nu vergeten? Die schoolvriendschap, die onschuld onzer jeugd? Wij schiepen, als een kunstrijk godenpaar, Met onze naalden samen ééne bloem, Naar één patroon, en op éénzelfden stoel, En kweelden één gezang, uit éénen toon, Als was ons beider hart en stem en ziel Tot één versmolten. Samen groeiden we op, Een dubbelkers gelijkend, schijnbaar twee, Maar bij die tweeheid innig toch vereend; Twee bessen, minnend op één steel gegroeid; Twee lichamen, naar 't scheen, maar met één hart; Twee schilden, met geheel gelijk blazoen, Aaneengevoegd, met éénen helm gekroond. En rijt gij onzen ouden band van een En hoont gij, saam met mannen, uw vriendin? Dit is geen vriendschap, en dit past geen maagd; Heel onze kunne laakt u zooals ik, Schoon ik alleen deez' krenking ondervind.

HERMIA. Ik sta verbaasd van uw verstoorde taal, Ik hoon u niet; maar gij hoont, schijnt het, mij.

HELENA. Dreeft gij Lysander niet, dat hij mij hoon', Mij volg', mijn oogen roeme en mijn gelaat? En ook uw ander lief, Demetrius,-- Die nog zoo even met den voet mij stiet,-- Dat hij volschoon mij noeme, nimf, godin, Onschatbaar, hemelsch? Waarom spreekt hij zoo, Tot wie hij haat? En wat ontkent Lysander Die min voor u, die heel zijn ziel vervult, En biedt aan mij, als meende hij 't, zijn hart, Dan opgestookt door u, door uwen wil? Ben ik niet zoo in gunst als gij, niet zoo Door liefde omringd, hebt gij geluk, maar ik De ellend van onbemind te minnen, 't moest Veeleer uw meêlij wekken, niet uw smaad.

HERMIA. Ik weet, begrijp niet, wat gij hiermee meent.

HELENA. Ja goed, houd vol, bewaar uw huichel-ernst, En barst dan uit, als ik den rug u keer; Ja, wenkt elkander, zet deez' fijne scherts Toch netjes voort, men zingt ze ras op straat! Wist gij wat goed, wat zacht is, wat betaamt, Dan hadt ge zulk een schande mij bespaard. Vaartwel! Gedeelt'lijk is 't mijn eigen schuld, Die 'k weldra boet door ballingschap of dood.

LYSANDER. Blijf, lieve Helena, en hoor mij aan; Mijn hart, mijn ziel, mijn schoone Helena!

HELENA. O, prachtig!

HERMIA. Lieve, hoon haar toch niet zoo!

DEMETRIUS. Beweegt haar bede u niet, dan zal 't mijn dwang.

LYSANDER. Uw dwang verkrijgt niet meer dan hare beê; Wat dreigt ge? 't Is zoo krachtloos als haar smeeken; Ik min u, Helena, zoo waar ik leef; En 'k zweer, ik waag dat leven, kwam er een, Die last'ren dorst, dat ik u niet bemin.

DEMETRIUS. Ik zeg, ik min u meer, dan hij het kan.

LYSANDER. Beweert ge dat, kom meê en staaf het dan.

DEMETRIUS. Terstond!

HERMIA. Lysander, wat beteekent dit?

LYSANDER. Laat los, gij zwarte heks!

DEMETRIUS. Ei zoo!--Gij wringt In schijn u los, doet of gij volgen woudt, En komt toch niet! Loop, mak zijt gij genoeg!

LYSANDER. Weg, tang! weg, kat! weg, haatlijk schepsel, los! Of ik schud als een slang u van mij af!

HERMIA. Hoe zijt ge zoo veranderd? hoe zoo woest, Mijn lief?

LYSANDER. Uw lief? weg, weg, gij taanhuid, weg! Weg, leelijk drankje, bitt're pil, laat los!

HERMIA. Dus schertst gij niet?

HELENA. Ja zeker, juist als gij.

LYSANDER. Demetrius, voorwaar, ik houd u woord.

DEMETRIUS. Uw woord! Wat fraais! Haar hand houdt u terug! Een zwakke hand! Uw woord, noch hand, zijn iets!

LYSANDER. Gij wilt, dat ik haar sla, haar wond, haar dood? Al haat ik haar, ik doe haar toch geen leed.

HERMIA. Kan grooter leed mij treffen, dan uw haat? Gij haat mij! En waarom? Waarom, mijn lief? Ben ik niet Hermia? Gij niet Lysander? 'k Ben even schoon nog als ik gistren was; Gij mindet mij, ontvloodt mij de eigen nacht; Hoe is 't? Moet ik gelooven, gij ontvloodt Me in vollen ernst?

LYSANDER. Ja, ja; zoo waar ik leef; En met den wensch u nimmer weer te zien. Daarom, geen hoop, geen vrees, geen twijfling meer; Geloof mij, niets is warer; 't is geen scherts, Dat ik u haat en Helena bemin.

HERMIA. Wee mij, gij tooverkol, gij bloesemworm! Gij liefderoofster! wat! kwaamt gij bij nacht, Het hart mijns liefsten stelen?

HELENA. Mooi, voorwaar! Hebt gij geen zedigheid, geen maagdeblos, Geen spoor van schroom? Is dit uw doel, dat gij Mijn teedren lippen schampre taal ontlokt? Foei! veinzend, huichlend, vinnig nufje, gij!

HERMIA. Ben ik een nufje?--Zoo! was dat uw spel? Nu zie ik, dat zij mijne en hare leest Hem vergelijken deed; zij liet hem zien, Hoe lang, hoe rank, hoe schraal zij was, en wist Hem in te pakken met haar lang figuur!-- En zijt gij groot geworden in zijn gunst, Omdat ik zulk een dwerg ben, nietig klein? Hoe klein ben ik, gij bonte boonenstaak? Hoe klein ben ik? zoo klein toch niet, dat ik Uw oogen met mijn nagels niet bereik!

HELENA. O, houdt gij beiden, hoe gij mij ook hoont, Nu haar toch tegen! Twistziek was ik nooit; 'k Heb geen talent voor kijven, maar ik ben Echt meisjesachtig schuchter, bloode en laf. Ach! laat ze mij niet slaan! Ge denkt wellicht, Omdat ze een weinig kleiner is dan ik, Dat ik haar aan kan.

HERMIA. Kleiner! hoor, alweer!

HELENA. Wees, goede Hermia, zoo bitter niet! 'k Hield altijd veel van u; 'k heb nooit verklapt, Wat gij mij hadt vertrouwd, u nooit gekrenkt! Slechts dreef mijn liefde tot Demetrius Mij aan, dat ik hem uwe vlucht verried. U volgde hij; uit liefde volgde ik hem. Hij dreef mij weg met schimp, en dreigde mij Met stoot en slag, ja erger, met den dood. En nu,--laat gij mij vreedzaam gaan, dan ijl Ik met mijn dwaasheid naar Athene weer En volg u verder niet. Ach, laat mij gaan, Gij ziet, hoe dom en dwaas en bloode ik ben.

HERMIA. Wel nu dan, ga; wie houdt u hier terug?

HELENA. Een arm dwaas hart, dat ik hier achterlaat!

HERMIA. Wat, bij Lysander?

HELENA. Bij Demetrius.

LYSANDER. Geen angst; mijn Helena, zij doet u niets.

DEMETRIUS. Neen, zeker niet, al staat ge uw lief ook bij.

HELENA. O, in haar toorn is zij zoo valsch en fel! Reeds toen ze school ging, was zij al een feeks, En ze is een echte draak, zoo min als ze is.

HERMIA. Nu weder min? Dus niets dan min en klein?-- Wat duldt ge toch, dat zij me zoo beschimpt? Ik vlieg haar aan.

LYSANDER. Kom, kom! van hier, gij dwerg! Gij peuzel, gij onuitgegroeide kriel, Gij bruine noot!

DEMETRIUS. Gij zijt wat heel beleefd Voor haar, die uwe diensten toch versmaadt. Laat haar met rust; spreek niet van Helena; Neem geen partij voor haar; want zoo ge 't waagt, Dat gij haar 't minste blijk van liefde geeft, Dan boet ge er voor.

LYSANDER. Nu houdt ze mij niet vast; Volg me als ge durft, en 't blijke, wie van ons Het meeste recht op Helena bezit.

DEMETRIUS. U volgen? juist; ik wijk van u geen duim.

(Lysander en Demetrius af.)

HERMIA. 't Is alles uwe schuld; neen, loop niet heen!

HELENA. Neen, neen, 'k vertrouw u niet, gij zijt te fel; Ik heb genoeg van uw verfoeid gekwel. Gelukkig, dat, zijt ge ook een handjesnel, Mijn beenen langer zijn, 'k ontloop u wel.

(Helena loopt heen.)

HERMIA. Ik sta verstomd; wat is hier toch in 't spel?

(Zij ijlt Helena achterna.)

OBERON. Hoe onbedachtzaam! gij vergist u steeds, Of voert moedwillig schelmsche streken uit.

PUCK. Geloof mij, 't was vergissing, schimmenvorst. Hebt gij mij niet gezegd, dat ik den man Aan zijn Atheensche dracht herkennen zou? En verre dwaalde ik niet, want ik bestreek Een jonkman de oogen, die Athener bleek, En in zooverre ben ik puik geslaagd, Dat heel die twist mij kostlijk heeft behaagd.

OBERON. Gij ziet wel, hoe dit paar te vechten tracht; Dus haast u, Puck, en hul ze in donkre nacht; Bedek met nevels 't lichte firmament, Zoo zwart als enkel de onderwereld kent; En leid die mededingers zoo rondom, Dat de een niet in 't bereik des andren kom. Nu borgt gij van Lysander stem en spraak En steekt gij met Demetrius den draak; Dan scheldt gij, als Demetrius, Lysander; Zoo leidt gij ze om en altijd van elkander; Tot loodzwaar slaap met vledermuizenvlerk Hun oogleên drukke en doodsche rust bewerk'. Druk op Lysanders oogen dan het sap Van dezen knop; zijn kostlijke eigenschap Is, dat van de oogen iedre waan verdwijnt, En 't eens beminde weder minlijk schijnt. Hoe hoog nu ook hun hoon, hun woede klimm', 't Is hun, ontwaakt, een droom, een hersenschim; En zijn ze naar Athene weêrgekeerd, Hun trouw blijft tot den dood dan ongedeerd. Terwijl ge deze taak voor mij verricht, Vraag ik mijn koningin haar Indisch wicht; Dan drijf ik 't monster uit haar oog; gezond Zij zin en ziel, en vrede heersche in 't rond.

PUCK. Mijn Elfenvorst, dit moet met spoed volbracht; Reeds ijlt naar 't west het drakenspan der Nacht; En zie, hoe ginds Aurora's bode gloort, Wiens glans de geesten, die nog waren, stoort, En grafwaarts drijft; 't verdoemde geestenheer, Dat aan een kruisweg of in 't kille meer Een graf vond, zocht alreeds zijn wormenbed; Beducht, dat soms de dag hun vloekbre smet Ontwaren mocht, verbannen ze uit de pracht Van 't licht zich bij de zwartgebrauwde nacht.

OBERON. Maar wij zijn geesten van een andren kring; Vaak jaagde ik met Aurora's lieveling, En bleef in 't dichte bosch zijn jachtgenoot Zelfs tot de poort van 't oosten, vlammend rood, Zijn zegen stralend op Neptunus' zout, Den groenen stroom verandren deed in goud. Maar toch, maak haast, bedien u van de nacht, Deez' taak zij voor den morgen nog volbracht.

(Oberon af.)

PUCK. Op en neer, heen en weer; Beiden voer ik heen en weer; Burger, boer, elk ducht mij zeer, Kom, Puck, voer hen heen en weer. Daar komt er een.

(Lysander komt op.)

LYSANDER. Demetrius, spreek op! waar zijt ge nu?

PUCK. Hier schurk! het zwaard ontbloot, verwacht ik u.

LYSANDER. Ik kom en 'k heb getrokken.

PUCK. Volg mij dan Naar effen grond!

(Lysander vertrekt, de stem volgende.)

(Demetrius komt op.)

DEMETRIUS. Lysander! zijt ge een man? Spreek, lafaard, vluchtling! 'k zoek u; spreek een woord! Waar schuilt ge in 't woud, of vlucht gij altijd voort?

PUCK. Gij bloodaard! snoeft gij tegen 't zwerk en pocht Gij tegen 't bosch, dat ge, o zoo gaarne! vocht, En komt gij niet? Knaap, kom! kom, laffe kwant, Een roede zij uw straf; 't waar zonde en schand, Het zwaard op u te trekken.

DEMETRIUS. Zoo! gij daar?

PUCK. Ja, hier is niet te vechten; volg mij maar.

(Puck en Demetrius af.)

(Lysander komt weder op.)

LYSANDER. Hij loopt mij voor en daagt mij uit meteen; Maar kom ik waar hij roept, dan vlood hij heen. Zijn voet doet vleuglen aan, nu hij mij ducht; Ik volgde snel, maar sneller is zijn vlucht. Wat donker, hobb'lig pad! niet te begaan! Ik vlij mij neer. O, lieve dag, breek aan!

(Hij legt zich neder.)

Want ja, hoe flauw en grauw uw licht zich toon', Ik vind Demetrius en wreek zijn hoon.

(Hij slaapt in.)

(Puck en Demetrius komen weder op.)

PUCK. Komaan! komaan! hei, lafaard! komt gij niet?

DEMETRIUS. Kom hier dan, als gij durft; maar 'k weet, gij biedt Mij geen gelegenheid, wacht mij niet af, Maar loopt nu hier, dan daar, en ducht uw straf. Waar zijt ge?

PUCK. Hier; ik ga u voor; kom na!

DEMETRIUS. Gij spot met mij, maar boet het duur, zoodra Ik uw gehaat gezicht bij dag ontdek. Thans laat ik u; 'k ben afgemat en strek Mijn leden uit hier op den kouden grond, Maar vind u wel, vroeg in den morgenstond.

(Hij legt zich neder en slaapt in.)

(Helena komt weder op.)

HELENA. O lange, trage nacht, versnel uw gang; O dag, breng uit het oost mij troost; ik smacht, Dat gij mij huiswaarts leidt; mij is recht bang, Want ik ben hier zoo eenzaam en veracht; Gij slaap, die somtijds de oogen sluit van 't leed, Kom, troost me een wijl, dat ik mijzelf vergeet!

(Zij legt zich neder en slaapt in.)

PUCK. Drie? nog een verwacht ik hier; Twee van iedre soort is vier; Daar komt ze aan, van weedom vol; Guitig is Cupido's rol, Arme meisjes maakt hij dol.

(Hermia komt op.)

HERMIA. O wat vermoeiing, welk een leed! ik ril; Door dorens fel geschramd, door dauw bespat; Zelfs kruipen gaat niet meer; drijve ook mijn wil Mij immer voort, ik ben te moe, te mat; Ik vlij mij neer. Weest, goden, aan mijn zij, En staat toch, komt er strijd, Lysander bij.

(Zij legt zich neder en slaapt in.)

PUCK. Slaap gezond Op den grond; Minnaar, 'k bied In 't verdriet Heulsap, dat op 't oog u vliet.

(Hij drupt het sap op Lysanders oogen.)

Als ge ontwaakt, O dan smaakt Gij weer heil Boven peil, Als ge uw vroeger liefje ziet. Wat de boerenspreuk beweert, "Elk het zijne" is niet verkeerd; 't wordt met voorbeeld hier geleerd, Als ge ontwaakt, want, ziet! Hans krijgt zijn Griet, De man die krijgt zijn merrie weer, en twist en twijfel vliedt.

(Puck af.--Demetrius, Lysander Helena en Hermia blijven slapen.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het woud bij Athene. Demetrius, Lysander, Helena en Hermia in slaap.

Titania en Spoel komen op, gevolgd door Erwtebloesem, Spinrag, Mot, Mosterdzaad en andere Elfen.

Oberon ongezien op den achtergrond.

TITANIA. Kom, vlij u naast mij op dit bloemenbed, Opdat ik u de lieve wangen streel', Een rozenkrans op 't glad, zacht hoofd u zett', En 't schoon breed oor u kuss', mijn pronkjuweel!

SPOEL. Waar is Erwtebloesem?

Erwtebloesem. Tot uw dienst.

SPOEL. Krab me wat achter 't oor, Erwtebloesem.--Waar is sinjeur Spinrag?

SPINRAG. Tot uw dienst.

SPOEL. Sinjeur Spinrag, mijn best sinjeurtje, neem je wapens eens ter hand, en dood mij 'reis een roodschenigen hommel op den top van een distel; en, beste sinjeur, breng mij zijn honigblaasje. Maar span je niet te veel in bij deze taak, sinjeur; en, beste sinjeur, draag zorg, dat het honigblaasje niet breekt; het zou me leed doen, als je uit een honigzakje overstroomd werdt, heerschap.--Waar is sinjeur Mosterdzaad?

MOSTERDZAAD. Tot uw dienst.

SPOEL. Geef mij je knuist, sinjeur Mosterdzaad. Ik bid je, geen complimenten, beste sinjeur.

MOSTERDZAAD. Wat is uw verlangen?

SPOEL. Niets, beste sinjeur, dan dat je Mosjeu Erwtebloesem helpt krabben. Ik moet naar den barbier, heerschap; want me dunkt, ik ben verwonderlijk harig in mijn gezicht; en ik ben zoo'n gevoelige ezel, dat ik dadelijk krabben moet, als mijn haar mij prikkelt.

TITANIA. Kan wat muziek u streelen, liefste schat?

SPOEL. Ik heb nog al een tamelijk goed gehoor voor muziek; laten wij de tangen en botten eens hebben!