Een Midzomernachtdroom

Chapter 2

Chapter 24,175 wordsPublic domain

TITANIA. Vermoei u niet, Heel 't elfenland koopt dat kind mij niet af. Zijn moeder had zich aan mijn dienst gewijd, En zat in Indië's zoet doorgeurde lucht Vaak gansche nachten keuvlend aan mijn zij Op 't blanke strand der zee; wij sloegen dan De handelsschepen, die er zeilden, gâ; Hoe lachten wij, bij 't bollen van het zeil En 't spannen van den schoot door dartlen wind, Als zij dan aardig met haar dobbergang,-- Zij droeg mijn kleinen knaap toen in den schoot,-- Een schip geleek, dat voortzeilde op het land, Mij snuisterijen haalde en, rijk belaân, Als van een zeereis, tot mij wederkwam. Zij was een stervling; 't jongske was haar dood; Om harentwil breng ik haar jongske groot; Om harentwille scheide ik niet van hem.

OBERON. Hoe lang vertoeft gij denklijk in dit woud?

TITANIA. Waarschijnlijk, totdat Theseus is getrouwd.-- Neemt gij weer rustig deel aan onzen dans, En ziet ge ons maanlichtfeest weer aan, zoo kom; Zoo niet, mijd mij, en ik mijd uw verblijf.

OBERON. Geef mij dien knaap en 'k ben niet meer verstoord.

TITANIA. Zelfs niet voor heel uw rijk. Komt, elfen, voort! Dit wierd een twist, vertoefde ik in dit oord.

(Titania en haar Gevolg af.)

OBERON. Nu ga, maar 'k laat u uit dit bosch niet vrij, Voor ik u boeten deed voor uw vergrijp.-- Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel, Dat ik eens op een voorgebergte zat, En een meermin er zag op een dolfijn, Die zulke schoone melodieën zong, Dat haar gezang de woeste zee bedwong, En meen'ge ster wild uit haar baan verschoot, Om 't lied der maagd te hooren.

PUCK. Ja, ik weet het.

OBERON. Terzelfder tijd zag ik,--gij kondt het niet,-- Cupido vliegen tusschen aarde en maan, Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang, Op een Vestale, tronend in het west, En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem, Alsof 't wel honderdduizend harten gold; Maar 'k zag de vuur'ge schicht des jongen gods In 't kuische licht der vochte maan gebluscht; De hooge priesteresse ging haar weg, In maagdlijke overdenking, ongedeerd. Ik speurde, waar Cupido's pijlschot viel, De schicht viel op een kleine bloem van 't west, Voorheen melkwit, nu purper door zijn schot, Door meisjes "Liefde uit oogelust" genoemd. Haal mij die bloem; ik wees u eens het kruid; Haar sap, gedrukt op oogleên in den slaap, Maakt man of vrouw, ja ieder, dol verzot Op 't eerste levend wezen, dat hij ziet. Haal mij dat kruid; maar wees terug, aleer Een mijl de Leviathan zwemmen kan.

PUCK. Een veertigtal minuten, en ik ben Den aardbol driemaal om.

(Puck af.)

OBERON. Heb ik dit sap, Dan let ik op Titania, en drup, Zoodra zij slaapt, het vocht haar in het oog; En 't eerste, wat zij bij 't ontwaken ziet,-- Het zij een leeuw, een beer, een wolf of stier, Een valsche baviaan of drollige aap,-- Dat hang' zij aan met alle kracht der min. En eer haar oog door mij onttooverd word',-- Ik kàn 't onttoovren door een ander kruid,-- Staat ze op mijn eisch haar edelknaap mij af.-- Doch wie komt daar? Ik wil onzichtbaar zijn, En luister eens wat hier verhandeld wordt.

(Demetrius komt op en Helena volgt hem.)

DEMETRIUS. Ik min u niet, vervolg mij dus niet meer, Maar wijs Lysander mij en Hermia. Ik vel den een, en de andere velt mij neer. Gij hebt gezegd, zij vluchtten naar dit woud, En nu zwerf ik verwoed hier om in 't woud, Omdat ik Hermia vergeefs er zoek. Van hier, ga heen, en volg mij verder niet.

HELENA. Gij trekt mij aan, gij zeilsteen, hard van hart; Niet ijzer trekt gij aan: voorwaar, mijn hart Is deugdlijk staal; leg af de kracht, die trekt; Dan is de kracht, waarmeê ik volg, voorbij.

DEMETRIUS. Lok ik u uit? en maak ik u het hof? En zeg ik niet veeleer in ronde taal, Dat ik u niet bemin, noch minnen kan?

HELENA. En juist daarom bemin ik u te meer. Ik ben uw hondje; ja, Demetrius, Kastijdt ge mij, te slaafscher vlei ik u; Behandel me als uw hond; sla, stoot mij weg, Verwaarloos mij, vergeet mij,--maar vergun, Dat ik, al ben ik dit niet waard, u volg'. Wat minder plaats kan 'k beedlen in uw hart,-- En toch een plaats door mij zoo hooggeschat,-- Dan dat ge mij behandelt als uw hond?

DEMETRIUS. Wek niet te zeer den afschuw mijner ziel, Want zie ik u slechts aan, dan ben ik ziek.

HELENA. En ik ben ziek, als ik u niet mag zien.

DEMETRIUS. Gij zet te zeer uw goeden naam op 't spel, Als gij de stad verlaat en aan een man, Die u niet lijden mag, u toevertrouwt, Aan de verleiding van de donkre nacht, De influistring van een afgelegen plaats, Uw kostlijke eerbaarheid te hoeden geeft.

HELENA. Wat dat betreft, is mij uw eer een borg; Het is geen nacht, als ik uw aanschijn zie, En daarom denk ik, 't is ook nu geen nacht; Een wereld menschen is met mij in 't woud, Want gij zijt heel de wereld in mijn oog; Wie kan dan zeggen, dat ik eenzaam ben, Waar heel de wereld is en mij aanschouwt?

DEMETRIUS. Ik vlied van u en schuil in 't kreupelbosch, En 't wild gedierte moge u goedig zijn.

HELENA. Het wildste dier heeft zachter hart dan gij; Vlied, als ge wilt, en zie een ommekeer: Apollo vlucht en Daphne jaagt hem na; De duif vervolgt den valk; de zachte hinde IJlt op den tijger los; o ijdle ren, Als lafheid jaagt en moed de hielen toont!

DEMETRIUS. Ik wil niets verder hooren; laat mij gaan, Of loopt gij nog mij na, geloof dan vrij, Dat u in 't bosch nog leed van mij weervaart.

HELENA. Steeds, in den tempel, in de stad, in 't veld, Doet gij mij leed aan. Foei, Demetrius! Uw smaadlijk doen werpt op mijn kunne een smet; De man voer' strijd om liefde, niet de maagd; Die verg' geen min, om min zij haar gevraagd. Toch volg ik, en tot hemel wordt mijn hel, Mag 't zijn, dat uw geliefde hand mij vell'!

(Demetrius en Helena af.)

OBERON. Wees, nimf, gerust; eer hij dit woud verlaat, Zoekt hij uw min en wordt door u versmaad.

(Puck komt weder op.)

Hebt gij de bloem daar? Welkom vleugelvoet!

PUCK. Daar is zij, Heer.

OBERON. Geef hier dan; zoo is 't goed. Ik weet een plekje, waar de thym nu bloeit, De sleutelbloem en 't zacht viooltje groeit, Waar 't roosje met jasmijn zijn geur verbreidt, Door zoete kamperfoelie overspreid; Daar zoekt des nachts Titania soms rust, In 't groen door dans en zang in slaap gesust; Daar werpt de slang vaak af haar glinsterhuid, Dat kleed, dat nog met ruimte een elf omsluit; Ik raak haar de oogen met dit bloemsap aan, En vul haar 't brein met ijd'len, dollen waan. Neem gij er ook iets van en zoek hier rond; Een lieve Atheensche is dwars door 't hart gewond En wordt versmaad door wien zij mint. Bestrijk Zijn oogen, maar draag zorg, dat te gelijk, Als hij ze ontsluit, de jonkvrouw voor hem staat; Gij kent den man aan zijn Atheensch gewaad. Volbreng dit wel; hij blake in fellen gloed, Voor haar, veel meer dan zij voor hem nu doet; En wees terug voor 't eerste morgenlicht!

PUCK. Gerust, mijn vorst; uw dienaar kent zijn plicht.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Titania komt op met haar Gevolg van Elfen.

TITANIA. Komt, nu een ronddans en een elfenzang; Dan weg voor 't derde deel van een minuut; Gij, doodt den worm in knoppen van de roos; Gij, rooft het vleugelvlies der vledermuis, Tot rokjes voor mijn elfjes; gij, verdrijft Den uil, die krijschend zijn verbazing uit, Als hij ons doen bespiedt. Zingt nu me in slaap; Gaat dan uw diensten doen en laat me in rust.

(Elfenzang.)

EERSTE ELF. Booze slangen, schuifelt niet! Weg, gij egels, scherp van pin! Hagedissen, padden, vliedt! Wijkt van de Elfenkoningin!

KOOR. Nachtegaal, stem met ons in, Zing hier: suja, slaap nu in! Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin! Booze macht, Noch tooverkracht Naadre de Elfenkoningin! Suja, suja, slaap nu in!

TWEEDE ELF. Langgebeende spinnen, vlucht! Hommels, motten, muggen, voort! Zwarte torren, geen gerucht! Worm en slak, haar niet gestoord!

KOOR. Nachtegaal, stem met ons in, Zing hier: suja, slaap nu in! Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin! Booze macht, Noch tooverkracht Naadre de Elfenkoningin! Suja, suja, slaap nu in!

EERSTE ELF. Nu van hier; 't is goed gedaan; Ééne blijve op schildwacht staan.

(De Elfen verdwijnen. Titania is in slaap.)

(Oberon komt op en drukt het bloemsap op Titania's oogleden.)

OBERON. Wat gij ziet, als gij ontwaakt, Zij hiermeê uw lief gemaakt, 't Liefje, waar uw ziel om blaakt; Zij het panter, beer of rat, Borstlige ever, aap of kat, Wat het eerst voor 't oog u trad Bij 't ontwaken, worde uw schat! Zij 't afzichtlijk als een pad!

(Oberon af.)

(Lysander en Hermia komen op.)

LYSANDER. Mijn lief, dit dwalen heeft u afgemat; En ik erken, ik ben den weg hier kwijt; Vindt gij het goed, dan rusten wij, mijn schat, En wachten tot de daagraad ons verblijdt.

HERMIA. Goed; zoek, Lysander, u een rustplaats uit, En laat deez' heuvel over aan uw bruid.

LYSANDER. Één zode steune 't hoofd van man en vrouw; Één hart, één bed, twee boezems en één trouw!

HERMIA. Neen, mijn Lysander, doe zooals ik zeg; Neen, neen, niet hier bij mij; lig verder weg.

LYSANDER. Ik zei 't in onschuld, lieve, neem dit aan; Wat liefde spreekt, moet liefde goed verstaan. Zóó boeide uw hart het mijn, dat, naar ik meen, Het mijne met het uwe telt voor één; Een eed heeft onze boezems saamgesmeed Twee boezems en één trouw, ziedaar onze eed. Vertrouwt ge uzelf, duld, dat ik me aan uw zij,-- Want mij kunt gij vertrouwen,--nedervlij.

HERMIA. Gij haalt er dat "vertrouwen" aardig bij;-- Geloof toch, 't was geen wantrouwen of vrees, Dat ik u maar wat verder ginds verwees. Maar hoor, mijn beste vriend, ronduit gezeid: Lig verder weg uit liefde en voegzaamheid, Zóó ver, dat op dien afstand van een man Een eerbre maagd zich passend vlijen kan; Goê nacht! ik slaap met dit gebed steeds in: Standvastig zij tot 's levens end uw min!

LYSANDER. Ik zeg er "amen" op; ja, wat verkeer', Mijn liefde blijft dezelfde.--'k Vlij mij neêr; Dat alle rust des slaaps nu bij u woon'!

HERMIA. Dat half die wensch uw schoonen wensch beloon'!

(Zij slapen in, op eenigen afstand van elkander.)

(Puck komt op.)

PUCK. Door het woud ben ik gegaan, Geen Athener trof ik aan, Door wiens oog mij worde ontdekt, Hoe dit bloempje liefde wekt.-- Wie ligt daar? O, stille nacht! 't Is de Atheensche kleederdracht. Meester, ja, dit is de maat, Die de Atheensche maagd versmaadt; En ook 't meisje slaapt gezond Op den vochten, killen grond. 't Lieve kind, zelfs in den slaap Vliedt zij de' ongelikten knaap. Op uw oogen, barre beer, Stroom' dit krachtig bloemsap neer;

(Hij drukt het sap op Lysanders oogen.)

Als ge ontwaakt, de liefde moog' Sluimring weren van uw oog. Wordt nu wakker, 'k laat u vrij; Oberon verlangt naar mij.

(Puck af.)

(Demetrius en Helena, in snellen loop, komen op.)

HELENA. Toef, toef, Demetrius, dood mij veeleer.

DEMETRIUS. Ga, zeg ik u, en kwel mij zoo niet meer.

HELENA. Laat gij me in 't duister hier? o, ga niet heen!

DEMETRIUS. 't Is u geraden, blijf! ik ga alleen.

(Demetrius af.)

HELENA. O ademloos maakt mij deze ijdle jacht! Hoe meer ik smeek, hoe meer hij mij veracht, 't Geluk is een trawant van Hermia, Haar oog trekt aan, waar ze ook haar blik op sla. Hoe kreeg haar oog dien glans? Door tranen niet, Daar ik er eindloos meer dan zij vergiet. Neen, neen, afzichtlijk ben ik als een beer; Wat dier me ook zag, 't vlood angstig iedren keer; Geen wonder, dat Demetrius mij ducht, En mij, of ik een monster ware, ontvlucht. Wat leugenspiegel blies mij in, dat ik Mij meten kon met haren fonkelblik?-- Maar wie is daar?--Lysander! op den grond! Dood, of in slaap?--Ik zie noch bloed, noch wond.-- Lysander, vriend! ontwaak, indien gij leeft.

LYSANDER (ontwakend). En 'k loop door vuur, als dit u vreugde geeft. O Helena, doorluchtig wonderwezen! 'k Zou door uw borst in 't hart u kunnen lezen! Waar is Demetrius? o, dubbel waard Om zijn verraad te sneven door mijn zwaard!

HELENA. O spreek zoo niet, Lysander! spreek zoo niet; Schoon hij aan Hermia zijn liefde bied', 't Is niets, want zìj mint ù. Wees dus tevreên.

LYSANDER. Tevreên met Hermia? Neen, ik beween Elk uur, met haar verspild; ik min alleen U, Helena, en Hermia verdwijnt. Wie kiest een kraai, als hem een duif verschijnt? De rede sture steeds den wil des mans; De rede zegt mij: u behoort de krans. Wat groeit, bereikt zijn rijpheid schreê voor schrede, Mijn jeugd eerst nù de rijpheid van de rede; En heb ik 't oordeel nu van onderscheid, Dan zij 't de rede, die mijn keus geleid'; Die laat mij nu der liefde doen en wezen In gouden lett'ren uit uw oogen lezen.

HELENA. Waarom verdiende ik zulk een hoon van 't lot, Wanneer van u, Lysander, zulk een spot? Is 't niet genoeg, is 't niet genoeg, jong man, Dat ik noch nu, noch ooit verwerven kan, Dat hij, dien 'k min, een zoeten blik mij schenkt? Is 't recht, dat ge om die onmacht zoo mij krenkt? Voorwaar, 't is onrecht, ja, 't is godgeklaagd, Dat gij, vol bittren spot, me om liefde vraagt! En nu vaarwel, maar dit zij u gemeld, Ik had bij u meer adel ondersteld. O, dat een vrouw, door éénen man versmaad, Dies van een andren krenking ondergaat!

(Helena af.)

LYSANDER. Haar blik viel niet op Hermia.--Slaap gij, En kom Lysander nimmermeer nabij! Want evenals een overmaat van zoet Steeds weerzin wekt, ja meer, zelfs walgen doet, En hij een ketterij op 't felste haat, Die haar bedrog erkent en haar verlaat; Zoo gij, mijn overmaat, mijn ketterij, Wek ieders haat, maar allermeest van mij! Mijn hulde zij, met jonglingsvuur en kracht, Voortaan alleen aan Helena gebracht!

(Lysander af.)

HERMIA (ontwakend). O help, Lysander, help toch! mij is bang! Een beest kruipt op mijn boezem; 't is een slang! Wee mij! erbarm u!--Welk een droom was dat? O zie, ik bibber nog van vrees, mijn schat! Ik droomde, een booze slang knaagde aan mijn hart, En gij keekt lachend naar mijn wreede smart!-- Lysander!--Wat!--Lysander!--Ongehoord! Waar zijt ge? Weg? ver weg? geen enkel woord?-- Helaas! waar zijt ge? spreek! ik roep u, ik! Bij al wat heilig is, ik zwijm van schrik. Nog niets? waar zijt ge?--wee, dat gij ontvloodt! Geen andre keus: u vind ik of den dood!

(Hermia af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Het woud bij Athene. De Elfenkoningin in slaap.

Dissel, Schaaf, Spoel, Wind, Tuit en Slokker komen op.

SPOEL. Zijn wij er allen?

DISSEL. Op een prik; en dit is een almachtig goede plaats voor onze rippetitie; deze groene plek moet ons tooneel zijn, deze doornhaag onze kleedkamer; en wij willen er alles bij doen, zooals wij het zullen opsnijen voor den hertog.

SPOEL. Pieter Dissel,--

DISSEL. Wat wil je, ijzervreter Spoel?

SPOEL. Er zijn dingen in deze comedie van "Pyramus en Thisby," die nooit zullen bevallen. Vooreerst, Pyramus moet een zwaard trekken om zijn eigen te dooden; en dat kunnen de dames niet verdragen. Hoe zul je dat verantwoorden?

TUIT. Sapperment, dat is een kwaad ding!

SLOKKER. Ik geloof, dat wij, alles wel beschouwd, dat doodsteken er maar uit moesten laten.

SPOEL. Neen, geen zier er uitlaten; ik heb een inval om alles in den haak te brengen. Schrijf maar een voorafspraak, of proloog; en in die voorafspraak moet zooveel als gezegd worden, dat we geen kwaad zullen doen met onze zwaarden, en dat Pyramus niet wezenlijk doodgestoken wordt; en om er nog meer gerust te stellen, zeg haar, dat ik, Pyramus, niet Pyramus ben, maar Spoel de wever; dat zal er heelemaal op haar gemak zetten.

DISSEL. Goed, we willen zoo'n voorafspraak hebben; en die moet dan geschreven worden in verzen zoo van vier en drie voet, om en om.

SPOEL. Neen, neen, neem er nog wat meer voeten bij, dan staat het beter op pooten.

TUIT. Zouden de dames ook niet angstig zijn voor den leeuw?

SPOEL. Mannen, je moogt het bij jezelf wel bedenken: een leeuw, God beter 't, zoo onder dames te brengen, dat is iets heel eiselijks, want er is geen schrikachtiger roofvogel dan zoo'n leeuw, als hij levendig is; en daar mogen wij wel voorzichtig meê zijn.

TUIT. En daarom moet nog een andere voorafspraak zeggen, dat hij geen leeuw is.

SPOEL. Ja, je moet zijn naam noemen, en zijn halve gezicht moet te zien wezen door den leeuw zijn hals, en daar moet hijzelf door heen spreken, en zich, om zoo te zeggen, aldus spectoreeren: Dames of schoone dames, ik wou vragen, of ik wou verzoeken, of ik wou aandringen, dat gij niet bang zijt en niet siddert: mijn leven voor het uwe. Als ge dacht, dat ik een leeuw was, die hier kwam, dan speet het mij bij mijn ziel; neen, ik ben zoo iets volstrekt niet; ik ben een man precies als andere mannen;--en laat hij dan wezenlijk zijn naam noemen, en haar ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker is.

DISSEL. Goed, dat zal gebeuren. Maar er zijn nog twee kwade dingen; en dat is, het maanlicht in een kamer te brengen; want je weet, Pyramus en Thisbe ontmoeten elkaâr bij maanlicht.

SCHAAF. Schijnt de maan, den avond dat wij spelen?

SPOEL. Een almanak, een almanak! kijk in den almanak! zoek naar den maneschijn, zoek naar den maneschijn.

DISSEL. Ja wel, ze schijnt dien avond.

SPOEL. Wel, dan kun je een luik van het groote kamervenster open laten, als we spelen, en de maan zal door het luik naar binnen schijnen.

DISSEL. Ja, of anders moet er een komen met een takkenbos en een lantaarn, en zeggen, dat hij komt om te verfigureeren of te presenteeren den persoon van den Maneschijn. Maar dan is er nog een ander ding; wij moeten een muur hebben in de groote kamer, want Pyramus en Thisby, zegt de geschiedenis, praatten samen door de spleet van een muur.

SCHAAF. Je kunt nooit een muur daar binnen brengen.--Wat zeg jij, Spoel?

SPOEL. De een of ander moet den muur verpresenteeren; laat hem wat pleister, of wat kalk, of wat mortel bij zich hebben, om den muur uit te duiden; en laat hem zijn vingers zoo uit elkaar houden, en door die spleet moeten Pyramus en Thisby fluisteren.

DISSEL. Als dat kan, is alles klaar. Komt, gaat zitten, zooals je daar bent, en gaat de rollen rippeteeren. Pyramus, jij begint; als jij je rede gesproken hebt, ga dan achter die heg, en zoo doet iedereen naar gelang van zijn wachtwoord.

(Puck verschijnt op den achtergrond.)

PUCK. Wat boerenezels balken hier zoo luid Vlak bij de koets der Elfenkoningin? Wat! een vertooning? Nu die zie ik aan, En speel nog mee, als ik er lust in krijg.

DISSEL. Spreek, Pyramus! Jij, Thisby, kom vooruit.

PYRAMUS. Thisby, zooals een roosje lieflijk scheurt,--

DISSEL. Geurt, geurt!

PYRAMUS. O ja! een roosje lieflijk geurt, Zoo geurt uw adem, beste Thisby mijn;-- Maar zie, een stem! Wacht maar eens effen hier Een korte poos, tot ik op nieuw verschijn.

(Pyramus af.)

PUCK (ter zijde). Een Pyramus, zooals er weinig zijn!

(Puck af.)

THISBE. Is nu de beurt aan mij?

DISSEL. Ja zeker is het; want je moet begrijpen, hij is maar effen heengegaan, om naar een geluid te kijken, dat hij gehoord heeft, en hij komt zoo dadelijk weerom.

THISBE. O straallicht Pyramus, hoogst leliewit van kleur, Zoo blozend als de roos van de' eedlen eglantier, Gij pronkjuweel, o gij, der jongre mannen keur, Trouw als het trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier, 'k Ontmoet u, Pyramus, aan Ninny's graf.

DISSEL. "Ninus' graf," mensch. Maar dat moet je nu nog niet zeggen; dat is je antwoord aan Pyramus; je zegt zoo je heele rol achter mekaâr op, wachtwoorden en alles.--Pyramus, kom toch; je wachtwoord is er al geweest; het is: "vermoeid en wier."

(Puck komt terug, en Spoel, van een ezelskop voorzien.)

THISBE. O! trouw als 't trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier.

PYRAMUS. Ware ik, o Thipsy, schoon, dan minde ik u alleen.

DISSEL. O, wat een monster! wonderlijk! wonderlijk! een spook! een spook! vlucht, mannen, vlucht! help! help!

(De Handwerkslieden loopen weg.)

PUCK. Nu volg ik u en voer u om en rond, Door bosch, moeras, struik, dorens, heen en weer; nu zal ik ever zijn en dan weer hond, Nu dwalend vuur, dan paard en dan een beer; En knor en blaf en vlam en briesch en brom, Als ever, hond, vuur, paard, beer, om en om.

(Puck af.)

SPOEL. Waarom loopen ze weg? Dat is een schelmsche streek van hen, om me bang te maken.

(Tuit komt weer op.)

TUIT. O Spoel! wat ben je veranderd! wat zie ik daar voor een kop!

(Tuit af.)

SPOEL. Wat je ziet? Je ziet je eigen ezelskop? Is het zoo niet?

(Dissel komt weer op.)

DISSEL. God bewaar je, Spoel! je bent verfigureerd!

(Dissel af.)

SPOEL. Ik ruik hun schelmerij; ze zouden een ezel van me willen maken; me schrik willen aanjagen, als ze maar konden. Maar ik ga hier niet van daan, laten ze doen wat ze willen; ik wil hier op en neer wandelen en een liedje zingen; dan kunnen ze hooren, dat ik niet bang ben.

(Hij zingt.)

"De merel, met zijn zoet gefluit, Met bek als eierstruif, De lijster met zijn fraai geluid, 't Goudhaantje met zijn kuif;"

(Titania ontwaakt.)

TITANIA. Welke engel roept mij van mijn bloembed op?

SPOEL.

"De leeuwrik, vink en wielewaal, De koekoek, met dat woord, Dien roep, die meer dan één gemaal Wel minder gaarne hoort;--

want niemand is wel zoo gek, een vogel te willen tegenspreken, al roept hij het nog zoo dikwijls achtereen, maar het is toch niet pleizierig zoo aangeroepen te worden.

TITANIA. O, zing nog eens, beminn'lijk sterveling; Uw zang drong door mijn oor in mijne ziel, Zooals uw schoon mijn oog in boeien sloeg; En zoo nam uw waardij het hart mij in, Dat ik na de' eersten blik u zweer; "ik min."

SPOEL. Mij dunkt, jonkvrouw, dat ge daar toch wel eenige reden voor zoudt mogen hebben; maar toch, om de waarheid te zeggen, rede en liefde gaan tegenwoordig al heel weinig samen om; het is daarom wel jammer, dat eenige brave buren de moeite niet willen doen om ze bijeen te brengen.--Niet waar, ik kan ook wel geestig zijn, als het zoo te pas komt?

TITANIA. Ge zijt zoo wijs, als gij bekoorlijk zijt.

SPOEL. Och neen, dat ook al niet. Maar als ik nu maar wijsheid genoeg had om uit dit woud te komen, dan had ik genoeg om het er mee te stellen.

TITANIA. Neen, neen, geen vlucht; ziedaar wat ik verbied; Gij moet hier blijven, of gij wilt of niet. Ik ben een geest van ongemeenen stand; 't Is eeuwig zomer in mijn elfenland, En ik bemin u; daarom, gaat met mij, Ik geef tot dienaars u een elfenrij, Die op den zeegrond parels voor u raapt, En voor u zingt, terwijl ge op bloemen slaapt; En 'k louter zoo de logheid van uw leest, Dat gij zult zweven, luchtig als een geest. Mot! Erwtebloesem! Spinrag! Mosterdzaad!

(Vier Elfen treden naar voren.)

1STE ELF. Gereed.

2DE ELF. En ik!

3DE ELF. En ik!

4DE ELF. Wat is te doen?

TITANIA. Bedient deze' edelman, vliegt op zijn wenk; Omzweeft zijn schreên, springt hupp'lend om hem heen; Zoekt bramen, druiven, zoet en frisch meteen, Vijg, abrikoos en moerbei, 't eêlste alleen; Rooft 't honigblaasje aan de bij; haar scheen, Met was beladen, zij zijn kaars, en leen' Van 's glimworms oog het vuur; verlicht zijn schreên Met zorg, als hij ter ruste wenscht te treên; En 't bonte wiekje, vlinders afgesneên, Weer' 't maanlicht van zijn slapende oogeleên; Buigt voor hem, Elfen, viert hem ongemeen!

1STE ELF. Heil, sterv'ling!

2DE ELF. Heil!

3DE ELF. Heil!

4DE ELF. Heil!

SPOEL. Ik bedank uw edelheden recht hartelijk.--Mag ik u verzoeken, uw edelheids naam?

SPINRAG. Spinrag.

SPOEL. Ik hoop nog wel eens nader met u kennis te maken, beste heer Spinrag; als ik mij in den vinger gesneden heb, zal ik zoo vrij zijn aan te kloppen.--Uw naam, edel heer?

ERWTEBLOESEM. Erwtebloesem.

SPOEL. Ik bid u, mijn eerbiedige groete te doen aan mejuffrouw Erwteschil, uw moeder en aan mijnheer Dopper, uw vader. Beste heer Erwtebloesem, ik hoop ook met u nader kennis te maken.--Uw naam, heer, als ik vragen mag?

MOSTERDZAAD. Mosterdzaad.