Chapter 8
Op de schrijftafel 'n rijtje prachtbandjes van de beste moderne Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Hélène Swarth, zelfs Boutens--maar van buitenlanders niets dan 'n dun deeltje Shelley, waarom hij ongeduldig de schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, niets gelezen dan wat je op 'n gymnasium van duitsche, fransche en engelsche klassieken leert; en verder 'r hoofd volgepropt met die heerlijke, prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele wereld toch maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en gemelijk nam hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid nu kijken naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader en moeder met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, dat 's acht; wat 'n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken op elkaar.... Go heeft 't zelfde als dat kleintje.... En hij stond er nog mee in z'n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar nu ánders aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat ze de oudste van zoo'n groote familie was.
"Wat moet jíj 'n gezellig thuis hebben," zei hij hartelijk, en ze vond het prettig, dat hij de portretjes aardig vond, en kwam naast 'm staan, om hem er over uit te leggen: "Die broer volgt op mij; hij is nu in de vijfde van de jongens-burger, en wil architect worden; dat zusje is op 'n particuliere school,--ze is 'n beetje zwak, en houdt veel van huishouden;--hij gaat op 't gym,.... en vin-je dát geen schat: 't is 'n bengel, zie je; maar 'k geloof, dat er wat in zit; hij schildert zoo aardig, en nu heeft Pa 'm op de teeken-academie gedaan,.... de kleintjes zijn nog op de lagere school; kijk, dit is de jongste.... ze is acht."
"Die lijkt op jou," zei hij, 't portret fixeerend, maar ze zei wat bruusk:
"Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op moeder lijk," maar bang, dat hij boos zou worden om haar tegenspreken, vroeg ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat examen achter den rug was, en of hij niet blij was met z'n mooie iudicium.
Hij dankte haar nu voor 't briefje met gelukwenschen, dat ze 'm had gezonden, maar begreep niet, waarom ze 't niet mondeling had gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij 'r in de gang gezien had.--Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar dadelijk weggeloopen....
"Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, hè?" Ze ging zachtjes heen en weer in den hoek van de kamer, stil bezig met thee te zetten, en zoo ongemerkt mogelijk den rommel van de chocolade-partij van dien middag op te bergen.
"Ja, 't was 'n dolle boel; we hebben er na nog gereden, naar Den Dijl."
"Ik kwam 's avonds door de Breestraat.... en ik hoorde de vroolijkheid; ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om tenminste 'n uurtje mee te doen."
Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z'n smallen voet op den rand van de kachel.
"Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe 't op die fuiven eigenlijk toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder elkaar zijn."
"Nee, dat heb ik ook niet," bekende Go ernstig, "wij meisjes zijn nooit zoo 's echt kinderlijk-uitgelaten, zoo 's jolig-dwaas."
"Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m'n heele leven pas één onschuldig-leuken fuif heb meegemaakt: op de kermis, toen er 'n rutschbaan was,.... of nee, nóg wel 's 'n fakkeltocht, of als we hardliepen of worstelen gingen.... maar bijna altijd...."
Hij legde 'n paar beuken blokken op den haard, die knetterend vlam vatten, en 'n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed speelde over Go's luisterend gezicht, en hij voelde zich getroffen door de veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten gordijnen, en de ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en onvoldaanheid scheen hier iets verafs, 'n akelig fantoom, en, zonder zich rekenschap te geven, wáárom hij tegen dit kind open wilde spreken,--was 't wezenlijk 'n behoefte zich te uiten, of slechts 'n nieuwe, om haar onverwachtheid te aantrekkelijker pose--, begon hij met z'n zachte, moeë stem:
"Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling maken, hoe wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik geloof, dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, of dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk ook van ons;.... maar 't is zoo anders, we hebben eenvoudig 'n ander vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg wordt bijna geen gesprek gevoerd, waar 'n meisje naar zou kunnen luisteren;--ik begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch allemaal weten, over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog 's zouden samensmelten.... Het is 'n eeuwen ingeroest kwaad; en wie dàt zou willen veranderen...."
Go zat 'm aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe oogen vol triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: "Maar ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat 't niet waar is. Als jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is dat 'n aanwensel, 'n slechte gewoonte, die de een van den ander overneemt; maar je zoudt het eigenlijk allemaal met plezier laten. Zooals jullie bent, waar wij bij zijn, zooals je dan praat, zooals je je dan voor allerlei dingen interesseert, zoo ben je eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, zooals je nú bent.... dat weet ik zeker, en je stelt je aan, als je doet, of je 'n slechte jongen was.... En daarom zou 't zoo goed zijn, als wij, meisjes, op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo vreeselijk goed zijn. We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer dingen te interesseeren, we zouden zooveel beter worden."
"Wat weet je er van, van de hopeloosheid, redding-onmogelijkheid, van de meesten in ons corps? Je bent 'n meisje, èn eerstejaars.... Je weet zoo weinig van ònze wereld, en van de misère en den ondergang van het mooiste onder ons."
"Ik vóel het," zei Go, de oogen vol tranen. "Dáárom wil 'k juist helpen."
Hij schudde het hoofd; wat 'n kind was ze nog, met zoo'n spontaan vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met zoo'n fellen drang tot verzet tegen 't onvermijdelijke.
"Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten gaan?"
En hij dacht, hoe hij z'n dochter nooit in 'n studentenstad zou willen sturen; hij zou 'r veilig thuis houden in volkomen onwetendheid, en dan laten trouwen, overgaande van de eene afhankelijkheid in de andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw wás lief als "bezit", als 'n levend ding, dat zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den man ging overnemen, werd ze onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen inferioriteit;... hij glimlachte even bij 't idee, wat Go zou zeggen, als ze die "ouderwetsche" gedachten van 'm wist; hij kende de vrouw nu eenmaal niet anders...
"Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere week weer thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?"
"Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m'n broertje gestorven is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze daar in 't zachte klimaat en m'n vader schildert er veel in de museums. Ik ben tot m'n zestiende jaar bij hen geweest; toen hebben ze me naar Holland gestuurd, om voor 't staatsexamen opgeleid te worden, en daarna heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar geleden. Toen heb 'k drie maanden in Milaan bij ze gelogeerd."
"O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt." En Go dacht, of hij niet 's een vacantie bij hún zou kunnen komen; want moeder zou hij zeker aardig vinden, al was 't verder te druk en te burgerlijk voor hem.
"Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan huis.... 't Is al zoo lang zoo, dat ik 't me niet anders meer voorstellen kan.... Eerst vond ik 't wel heel akelig, want ik was juist altijd meer met m'n vader en moeder samen geweest, dan andere jongens.... Ik had 'n gouverneur aan huis, en ze gaven me ook zelf les, vooral in muziek en in kunst- en literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij den rector in Arnhem was, vond ik eerst alles erg raar, en de jongens plomp en onbeschaafd,.... maar de menschen waren zoo vriendelijk voor me, en ik kreeg toch ook plezier in ruw jongensspel;.... het waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen ik hier kwam, was ik achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier niet verdragen; ik kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op 'n vreemde kamer op den verlaten Morschweg, waar ik was gaan wonen, om nog wat van buiten te hebben. De menschen waren niet kwaad, maar ik lag toch altijd alleen; vrienden had ik toen nog niet,.... ik werd gék van het droomen; ik weet niet, of jij ooit erge droomen hebt gehad; maar ik was er dol van en liep 's nachts alleen over m'n kamer in 'n razenden angst, om wat ik wist, dat toch niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, wilde ik geen oogenblik meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van de kamer, waar ik zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, maar zat toch altijd op de kroeg, en 's nachts nog laat bij allerlei lui op de kamer, of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik Bruno gekocht, dat ik tenminste 'n levend wezen bij me zou hebben, àls de angst terugkwam. 's Nachts lag hij voor m'n bed, en ik riep 'm soms bij me en hield 'm in m'n armen, om z'n adem te voelen, z'n menschelijke oogen te zien, die me rust gaven.... Al die eerste jaren heb ik met m'n gezondheid te vechten gehad, maar gaan liggen wilde ik niet meer, en ik foof en kreeg 'n heeleboel vrinden. Toen ben ik na m'n candidaats op raad van den dokter naar Italië gegaan. Dat was eerst erg akelig, de eerste maanden.... Ik had er nooit over gedacht, maar nu merkte ik, hoe 'k geestelijk achteruit was gegaan, dat 'k vreemd was aan de gedachten en idealen van vader en moeder; dat er iets aan m'n gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me was onderdrukt,.... ik weet niet precies, hoe; maar 'n avond, toen ik, nadat ik lang met ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb ik er om gehuild. Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg 'n vader en moeder misschien.... ze hebben me nooit 'n raad gegeven; maar zoo'n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat 'k hun alles van m'n leven zeggen zou.... Ze leven meer om ideeën dan om feiten.... maar wat 'n invloed hadden ze indirect op m'n leven. Ik voelde iederen dag me meer inleven in hun gedachtensfeer; het leven, dat ik híer geleid had, leek me zoo banaal.... Je bent dáár anders, en ik dacht, dat ik 't nu ook hier zou kunnen zijn...."
Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, als bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven van alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in 'n gewone kamer; dat alleen het wonderlijke was, dat er 'n zóó stille avond kon komen in dat drukke, roezige leven,--en eigenlijk niet begrijpend, welk dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn biechthoorster had gemaakt,--sprak hij door met luchtiger, gemoedelijker klank in z'n stem, telkens slechts even ontroerd, als hij de emotie zag op haar huiverend gezicht.
"Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig geweest. Er is sprake van, dat m'n vader me hier 's zal komen opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik 't leuk vond,--maar ik voelde vaak, dat 't verkeerd was.... Nu, je weet het, ik heb 't je al meer gezegd, is 't me vrij onverschillig, wát 'n mensch doet. Alles is nutteloos, en 't eenige doel is je tijd zoo aangenaam mogelijk door te brengen. 'n Aangenamer manier dan flink fuiven en flink werken heb ik niet kunnen vinden--en zoo heel prettig is 't toch niet...."
"O, 't spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en 't komt heelemaal, omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie allemaal, die verkeerd doen, moest 'n tehuis hebben, gezelligheid. Konden wij jullie dat toch maar geven. Ik wilde, dat alle eenzamen naar ónze kamers kwamen, als ze behoefte hadden aan wat vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou zóó graag veel geven...."
Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk ontroerd.
'n Lief, hevig, eerlijk kind was 't; en die was nu alleen onder die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met zoo'n meisje te praten moest toch wel goed doen aan hun ideaalloosheid, en háár liefde.... En, héél moe van dat ellendige leven, dacht hij er even over, haar te vragen z'n beschermengel te willen worden,--maar m'n hemel, wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en gelezen,--en natuurlijk zou ze toch met 'm mee willen leven, alles van 'm willen weten en 'm raad willen geven;--ze stonden immers op 'n heel verschillend ontwikkelingsplan: hij was heelemaal van de oude traditie, van de rechten van den man en de plichten van de vrouw..... en zij leefde in het jonge bewustzijn van gelijke naast gelijke--niet er over debatteerend, er om strijdend op politiek gebied,--maar diep in eigen wezen het als waarheid erkennend.... En dan--'t zou immers beider ongeluk zijn;--ze was veel te goed voor hem, en zoo'n decadent kon toch niet trouwen.... z'n dòchter zou nooit studeeren; z'n dòchter;.... alsof hij....
"Je moet me niet zoo aankijken, Go," zei hij zachtjes; "dit is allemaal niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo gek, dat jullie meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig voelt. Dat jullie zoo heelemaal niet kent onze blague, onze gevoels-ontveinzing.... En dóór je eerlijke openheid maak je ons vanzelf ook zoo, als we met jullie praten: ernstig, zwaar-op-de-hand, sentimenteel bijna. Praat ik ooit tegen iemand, als tegen jou? Vind ik m'n leven treurig, als jij niet bij me bent, die me met je groote meelijdende oogen suggereert: "arme jongen, eenzame lijder...." Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb ik vandaag 'n kater."
"O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon."
Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden.
Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en 'n oogenblik later was Else in de gangopening.
"Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?"
"Ja, en eigenlijk om jou te spreken."
"Zoo; en wat is er dan?"
Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel Go op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek ook naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte:
"Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als jij nu ook in 't bestuur kwam;---je zit toch al steeds achter de groene tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde aftreden. We hebben 't er nog niet met Herderts over gehad, want eerst moet jij zeggen, of je zou willen--en dan moeten we onderzoeken, of we genoeg stemmen kunnen krijgen; Beerenstijn is natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, als hij de eenige is."
"Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet 't vrouwelijk: quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, Neerwinden, en Han zal het zoo leuk vinden...."
"Van mij is dit voorstel natuurlijk groote edelmoedigheid," praatte Eduard, "op bestuursvergaderingen zal ik als "dritter im bunde" nog maar net gedúld worden."
Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; 't scheen Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar.
"'t Zal gezellig zijn met ons drieën," zei Else toen luchtig, en Eduard stond op om afscheid te nemen.
Go beantwoordde het intieme handdrukje niet, liet Else hem uitlaten.
"Wat leuk," praatte die, weer binnen, "om in 't bestuur te komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? Han zal 't zoo prettig vinden."
Go zette de kopjes in elkaar: "Er is nog thee," zei ze kort-af, "je kunt nemen."
"O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? 't Is toch eigenlijk 'n rare jongen, hè, anders dan de verdere leden van Laborando;--wel aardig,--maar 'n flirt. 't Was maar goed, dat Han er niet bij was; die zou woedend zijn geweest, als hij gezien had, hoe-die me aankeek, daar straks."
"Als Han er geweest was, zou jij óók anders hebben gedaan," beet Go af.
"Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je meent," en met 'n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de schouders op, keek Go 's aan: er was nog nooit iets tusschen hen geweest, zelfs geen klein kibbelarijtje; ze kon Go's boos-kijken onmogelijk verklaren, maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog moe was van 't gesjouw van dien dag: "Kom, laten we vroeg naar bed gaan."
"Nee, ga jij maar; ik blijf nog." En Go schoof wijd het raam open, leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken winternacht.
Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte maansneeuw sliepen, het oude brugje leek 'n blanke poort naar de dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan de masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand hol over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij haar raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in 't bleeke licht.
Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren òp-woelde. Wat was ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. Wat had die nu eigenlijk voor vreeselijks gedaan! Ja, 't was jammer, dat ze net binnen was gekomen, toen ze zóó volkomen vertrouwelijk waren, maar 't meeste was toen toch al gezegd; en op een of andere manier moest er toch 'n einde aan komen,.... of was 'n ànder einde mogelijk geweest?
Ze had 'm lief;... ja, nu zou ze 't zich bekennen; ze had 'm lief... ze had lief; o, nu begon voor háár ook dat wondere, waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze nog nooit zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van 't eerste oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat ze 'm had zien komen in de gang, en Else niet had kunnen antwoorden, omdat ze voelde: van hem hangt m'n leven af; en dat was zoo gebleven, onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op het soupertje over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de melancolie van z'n bestaan had gevoeld; omdat ze 'm liefhad, had ze zooveel angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze meende, dat 't maar was, omdat ze zoo iets voor 't eerst meemaakte, en vanavond, vanavond, in hun volkomen eerlijkheid, was het gebeurd, nu voor altijd:--ze was heelemaal naar hem opengegaan;--ze wist niet, hóe 't was geweest, maar 't had geleken, of ze naar 'm toegroeide onder z'n droevig praten, of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange ranken werden, die zich om 'm heen wonden. Bewondering--ja, ook na z'n bekentenis, en grooter juist: want welke jongen zou zoo lief-berouwvol z'n heele leven hebben opengelegd? Zoo iemand kón immers niet slecht zijn--nee, goed en groot was hij, maar neergehaald door de omstandigheden; hij zelf leed er zoo onder; maar ze zou 'm wel opheffen, ze zou 'm mogen helpen, en o, ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het treurig vond,... maar voor haarzelf was 't zoo zalig, iets groots, iets moeilijks voor hem te kunnen doen.... Ze had 'm vanavond niet genoeg gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat daar buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig maakt;--maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte alleen van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk doorbrengen,--en hij had zooveel gelezen, filosofen en zoo;--ze was maar 'n dom kind, zou ze 'm wel ooit kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van 'm, en dat vermag meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar liefde alleen hem niet al misschien met alles verzoenen?--Er kwamen 'n paar pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken.
Dat hij geflirt had met Else was juist 'n teeken, dat hij om die niet gaf. Dat zou hij nooit met háár doen. Tegen háár was hij eenvoudig en eerlijk en hartelijk; waarom had ze z'n handdruk niet beantwoord? Zou hij nu denken, dat ze boos en jaloersch was, haar 'n bekrompen meisje vinden? Ze zou 'm schrijven; dat zou ook makkelijker dan praten gaan. Ze zou 'm alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, vertellen; en hij zou haar liefde uit ieder woord voelen.
--En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor kwaad gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder mensch was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten met 'n ander, terwijl zij---
Er kwam weer 'n man 't grachtje af, die haastiger ging stappen, toen hij 't huis naderde.
"Ben jij 't, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit stille grachtje?"
"Ik loop hier dikwijls 's avonds; ik houd er van. Maar anders ben-je altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met 'n open raam; je zult kou vatten."
"Het is zoo heerlijk buiten, dat 't zonde is om naar bed te gaan."
"Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te kijken?"
"Nee; Elsi is al naar bed.--Ik lig maar te kijken naar de huizen en het brugje en de schuit--en ik denk."
"Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?"
"Ik denk, dat 't leven zoo heerlijk is."
"Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?" Hij ergerde zich aan z'n harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde hem tot 'n onaangenaam, scherp fluisteren.
"Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek gekomen?"
"Van Neerwinden was er... om Else," voegde ze er haastig bij, zelf niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; mocht hij 't niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de onrust, die haar snel verder praten deed: "We hebben den heelen dag de kleintjes van de juffrouw bij ons gehad; ze heeft 'n kindje gekregen."
Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was ontvlucht, zocht het gesprek naar 'm terug te leiden, zweeg, toen ze geen overgang vinden kon.
Ze keken samen stil over de verlaten gracht.
"'t Zal vriezen vannacht," zei hij, zonder bij z'n woorden na te denken.
Maar nu vroeg ze opeens dringend: "Vin-je niet, dat jongens toch dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?"
Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep.
"Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door 'n ander volkomen begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich zelf. Daarom is het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed gezelschap zijn."
Hij zag, dat z'n antwoord haar ontstemde; ze voelde de verborgen vijandigheid. En z'n harde stem moest hinderen na 't welluidend gevlei van dien ander; o, die kon zingen met z'n stem, dat grof materialisme in háár oogen iets hoogs en heerlijks werd. Hoe haatte hij dien veroverenden aansteller!
"Nu moet je maar gaan slapen," zuchtte hij na 'n stilte. "Hoor, 't is al elf uur."
Ze bleef nog even luisteren naar 't carillon, dat vaag kwam uit de verte door den stillen nacht.
"De wind is den anderen kant uit," zei ze droomerig; stond toen op om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar 't brugje.
In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze opeens alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden ze gepraat, en was het alles gebeurd.
En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd, dat ze liefhad. Ze zag het, ze voelde het, als iets, dat haar nu eerst goed bewust werd.
En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, waar ze met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar gezicht.
HOOFDSTUK XII.
De trein hield stil,--daar stond Eduard boven op de bergen;--"Go," riep hij, "Go,"--maar ze kon niet naar 'm toe; Gerard duwde haar in de coupé terug;--nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, 't klonk boven het wielengeratel uit; de bergen wankelden;--"Ja" zei ze opeens, stond slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, "ja; riep je, Else?"
"O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo'n vreeselijke maagkramp."