Een Meisje-Studentje

Chapter 7

Chapter 74,105 wordsPublic domain

"Hoor de jongens vandaag 's in de gang," zei ze lachend, en ze vond prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich 'n plaatsje had gezocht: op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden, en over den hoop dorre blaren tegen den muur.

Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter werd, nog soms maar 'n enkel vlokje daalde, leek het 'n sprookjestuin.

Maar toen de professor z'n boeken had dichtgeslagen en weggegleden was met 'n korten groet, was opeens aan het droomen 'n einde geweest door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen, terwijl hun voeten gaten maakten in de blanke, vlakke sneeuw, en hun handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.

"Kom dames!" vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen, want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren als facetjes van diamanten.

Maar 'n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het werd 'n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door 't van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.

Nu werd het 'n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over 't gras, struikelde, viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje droop langs haar roode wangen.

"Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!" lachte ze, haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om haar voortduurde: "Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college zitten." En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna den professor omver, die de les al kwam hervatten. "O, pardon," prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, maar hij lachte vaderlijk, schoon 'n beetje ironisch: "Wat hebben we 'n pret gehad!" en ze voelde, dat hij haar wèl 'n erg kind vond, maar aan z'n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou hebben gevonden.

Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef 't te gezellig en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen concentreeren. Ze zag, dat 'n paar jongens sneeuw mee naar binnen hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten te gooien onder de tafel. Een had 'n stukje ijs op Hoefman's zwart haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens 'n druppel langs z'n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde 'm af, verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z'n hoofd, 't afschudde, en 't ijs met 'n plets op z'n dictaat-cahier viel. "Echte kinderen," dacht Go, "en 't is eigenlijk enorm flauw";--maar ze genoot van het "schooltje", fluisterde giechelend met Coba over Hoefman's onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar den professor wendde: hoe lief van 'm, dat hij om haar gelachen had, en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,--al streefden ze er ook naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden.

Nu had een jongen 'n stukje sneeuw in den halsboord van z'n buurman laten glijden; lieve hemel, wat 'n kinderen toch; en waren dat dezelfden, die ze 'n paar weken geleden op de bibliotheek voor oude, uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, en wie naar 'n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen met sneeuw....

.... Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil 'n briefje naast haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z'n "jour" vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze onder haar hand:

"Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je er misschien heen?"

Ze scheurde 'n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: "Zullen we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij er door komen?"

Na college wachtte hij in de gang. "Ik dacht wel, dat je 't niet weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit op het bord." En hij legde haar uit, dat op 't zwarte bord voor de universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat Neerwinden het land had aan zoo'n stroom vrienden.... en er èrg veel had--en er daarom niemand over had gesproken.

"Maar zou hij 't dan niet vervelend vinden, als wij komen?"

"De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij--en het zal wel in orde wezen; 't eerste gedeelte was perfect."

Toen zweeg hij, keek 'n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens bruusk: "Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?"

"Ze heeft het te druk," antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. "Ze móet vlug haar examens doen, zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit."

"Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek."

"Ja," knikte Go, de oogen naar 't bord, waar ze het papiertje zág: Faculteit Rechtswetenschap--E. van Neerwinden--en ze bedacht, dat hij nu bezig was.

"Ben je 'n vriendin van haar?" vroeg hij in de donkere vestibule.

"Ik kom wel eens bij haar, maar 't is niet makkelijk intiem met haar te worden." Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan, om de teekeningen op de muren te bewonderen.

"Wat is dat allemaal?" vroeg ze, en toen ze op 't portaal waren gekomen, vergat ze stil te zijn: "O, kijk toch, kijk 's, wat verschrikkelijk aardig...." en ze liep van den eenen kant naar den anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken.

Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: "Wil-je wel 's gauw je 'n beetje stil houden; je brengt met je drukte den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie," en hij wees naar de gele deur, waar "facultas iuridica" boven stond. "Kom nou hier, in 't zweetkamertje; dan kunnen we praten."

Han stond met Else voor het raam te kijken: "Hoe wist jij 't?" vroeg ze, "Han vertelde 't me vanmiddag."

Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. 'n Droef, grijs licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in 'n hoek als 'n zwart, dood ding; er waren 'n paar gele, gesloten kasten, 'n paar stoelen; 'n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal, maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en, aangegrepen door 'n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met: "hic sudavit, sed non frustra....", beginnend laag bij den grond en opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.

Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat nu aan tafel te praten met 'n paar vakgenooten over de kansen van 'n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: "'t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt."

"Nu, dat zal dan ook langzamerhand 'n heel pak verschrikking moeten zijn, als je 's rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in hoop en vreeze hebben neergezeten."

En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze haar surprises al klaar had.

Z'n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde 'n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had over satem- en centum-talen, en samenvallen van explosivae en palatalen, en allerlei meer onbegrijpelijkheid.

"'n Beetje ánders wel," lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de schouders op, zei: "Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet bij kon, en ging zitten denken over 'n inktlap voor Broer.... ik schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken, want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en dan donkergroen laken er onder;.... juist op 't oogenblik, dat ik 't duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: "Ik geloof, u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat de gelabialiseerde velaren.... en enfin, weer 'n heeleboel van die rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de ontwerpjes in m'n cahier zou zien."

Daar was Hans. "Is hij er nog niet eens uit? 't Is kwart over."

Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan.

"Hoe was-tie? Nog al kalm?"

"Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht."

Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur; de goeiige pedel keek op z'n horloge, grapte, dat 't nu lang genoeg was geweest, dat-ie de heeren 's zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn.

"Hij zal zoo moe zijn," zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over 'n voetbalmatch van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken deed. Ze stonden in 'n groote groep; alleen Henri en Else waren in het kamertje gebleven.

"Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders," zei Frieda opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen, ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.

Allen keken nu naar Hans, die lachend 't eerst onzin heeten wilde, toen, geprest, bekende: "Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou 't niet denken, maar 't is van ochtend 'n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken, maar enorm, zie-je!"

"Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat," plaagden ze, en een nieuw verhaal begon aan den anderen kant van 't clubje; maar Go hoorde hem nog zeggen met z'n lieve, dankbare stem:

"Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch niemand beweren, dat er niet 'n heeleboel moois is in 't leven."

Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in 'n ruk om. Eduard, in rok met 'n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder z'n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk 'm insluitend, vielen ze op 'm aan, met dof-gemompeld, voorzichtig vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z'n hoofd; hij wist 't niet; aan 't eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; ze hadden 'm ook te lang gehouden, hè? hoe laat was 't nou?

Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte 'm goedig op z'n rug: 't zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de belangstelling los, liep 't kamertje in om water te drinken, ging toen in de deurpost staan.

De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, wat ze er van dachten; en hij werd 'n beetje spraakzamer, noemde 'n paar dingen, die hij niet had geweten.

"God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus," kalmeerde 'n donkere man.

Ze zwegen weer; 'n paar jongens tikten met hun wandelstokken.

"Wat duurt 't lang," fluisterde Go.

"Dat is 'n goed teeken."

"Dat weet je niet."

"Ik kan gerust nog 'n kwartier wachten," zei Eduard met 'n nerveus lachje, "dat kan me niets schelen." En hij slingerde z'n horloge tegen de deur heen en weer.

"Komt er geen familie van je?"

"Niemand weet 't, goddank."

"Zou Bruno je afhalen?" vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. "Wat krijgt hij, als je er bént?"

Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.

"'t Is half."

"Nee, 't heeft nog niet geslagen."

"Je bent altijd voor."

"Ga 's luisteren aan de deur."

Ze slopen de trappen op, leunden 't oor aan het sleutelgat.

"Ik hoor niets."

"Stil nou, vent.... ze lachen."

"Ze lachen.... je bent er, hoor!"

"Zouën ze daar zoo'n pret om hebben?" vroeg hij bitter.

"Ik heb beloofd dadelijk z'n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij er is, om de vlag. M'n fiets staat beneden," fluisterde Rolands.

Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen.

"O, van de krant."

"Beroerling," bromde Gerard, "wat gaat 't 'em an."

"Maar kerel, 't is z'n baantje."

De stilte. Eduard kraakte een voor een z'n lange, witte vingers.

"La dernière heure d'un condamné," trachtte de pedel op te wekken, maar hij bleef norsch kijken, zuchtte.

Opeens: de bel.

Vlug schuifelend met z'n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen; terug weer: "Wilt u maar komen, meneer."

Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar triomfantelijk-wijd werd de deur achter 'm open gehouden; de pedel wenkte, 'n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl 't speechje al begonnen was.

"Met zeer veel genoegen," mompelde Gerard, "ze hebben waarachtig alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook "cum" zouden geven."

Go stond naast 'm, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en nu zoo blij, en 't was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel.

En zoodra 't uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende door de dikke sneeuw, met 'r mond open, om lucht te krijgen. Ze was zoo blij, zoo blij--maar ze had 'm niet kunnen feliciteeren, want dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden.

Toen ze 's avonds naar Lize toeging--die goeie Hoefman, ze zou zien het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles helpen--hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen, en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden, die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was.

"Eddy, Eddy," hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z'n fijn, stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere.

Hoe dol graag zou ze toch 's zoo'n jongens-fuif meemaken; zoo 's echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel 't liefst van alle zijn geweest.

Droomerig ging ze langs z'n huis, op 't maan-witte Rapenburg; de ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit 't dakvenster hing stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht, zegeteeken van zijn overwinning.

HOOFDSTUK XI.

's Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd om de deur gestoken, en met 't Leidsche zangetje afgerateld: "En complement van Pa, dames, en dat we 'n kindje hebben gekregen." En de dames--dadelijk wakker--waren vol belangstelling geweest om te hooren, of 't 'n jongen of 'n meisje was, en wanneer het was geboren, welke bizonderheden het kind met 'n veel-wetend, wijs gezichtje ernstig ten beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze buurvrouwen altijd zag praten.

En toen ze--aangekleed--in de voorkamer waren gekomen, hadden ze juist het rijtuig met den kleinen doopeling en 'n deftig in-zwart-lustre gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en na 'n half uurtje bij 't terugkomen "Pa" kunnen bewonderen met 'n hoogen hoed op.

"Wat 'n drukte voor die menschen!" zei Go peinzend, terwijl ze samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden niet schellen, omdat dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. "Vin-je eigenlijk niet, dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet voor ons hoeven te koken; we kunnen best in 't Vegetarisch gaan, en 't oudste meisje zal de handen zóó vol hebben."

Ja; wat 'n familie toch, hè; nou zijn 't er negen! En wat zal 't 'n moeite kosten zoo'n bende 'n beetje stil te houden.... 't Is jammer, dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen vuilnisemmer, anders konden die er 'n paar nemen."

En Else keek Go onzeker-vragend aan.

Ja, waarom niet?" zei ze, dadelijk begrijpend. "We kunnen best 's één keertje college verzuimen, en 't zijn zulke leuke kinderen. Zullen we 't samen even gaan vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen 't lastigst wezen."

'n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche kleertjes beneden gebracht. Ze stonden eerst 'n beetje verlegen in de mooie kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go nam dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, vroolijke stem,--terwijl Else, éven onzeker, want ze was heelemaal niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken Joost in de hoogte tilde, en--van den anderen kant beginnend,--hetzelfde spelletje deed, ofschoon ze in 'n oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, klagend zich naar Go omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst er zoo'n afschuw van had 'n "geval", iets dramatisch' te geven, en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon.

Toen maakten ze voor ieder 'n boterham met suiker, wat ze 'n heeleboel nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: dat hij er nog een wou, en Riek, dat ze "zoo kleefde"..., waarop ze mee naar de slaapkamer werden genomen om gewasschen te worden, en netjes gemaakt, want ze zouden nu inkoopen voor de koffie gaan doen.

Ze liepen ieder met 'n kindje over het zonnige grachtje, en de buren keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den winkel: 'n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, 'n bal en muisjes natuurlijk--en, vooral tegen Else, die heel statig deed, zei iedereen: "mevrouw", met eerbiedigen stemklank.

"Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien," zei Go spijtig, die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; en met haar klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets "mevrouwig" uitzag.

"Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie veel van? Rookvleesch?" vroeg Else.

"'t Is voor op de boterham," legde Go nader uit, "hou-je van leverworst?"

Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij met 'n verheugd gezichtje naar 'n homp komijne-kaas: "Dàt," zei hij verrukt, en schoon Else akelig werd van de lucht alleen, nam Go het vettige pakje bereidwillig in haar arm, vriendelijk-pratend tegen Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat ze niets begreep, van wat er met haar gebeurde.

Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog heelemaal niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, maar Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op "die nare meid", om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar 'n verhaaltje moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou zijn, die de niet-vertellende tante in groote koppen roerde. Toen was Riekje weer gaan huilen, omdat ze haar tong had gebrand, en nu kwamen er allerlei boeken met vreemde prenten voor den dag, waar de donkere tante weer bij vertelde; en eindelijk deed ze, of ze Sint-Nicolaas was, en strooide kaakjes over den grond, en Riek en hij moesten overal rondkruipen, en 't was heel grappig, en de tantes kropen ook mee over den grond, maar alle kaakjes, die zij vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer boos werd, omdat hij er meer had.... en toen kwam zus, en moesten ze boven gaan eten.

"Ik ben er moe van," zei Else, toen ze samen van Ceres terug kwamen, "en verbeeld-je, dat je er negen hebt, en dan dag aan dag."

"Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje beneden," zei Go innig. "Dat is zoo'n schat, en die maakt je ook niet moe.... Riek is nog wat klein.... zal wel naar bed zijn."

Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar schoot op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het hinderde haar niet, dat z'n handjes vuil en warm waren, en dat er 'n burgerluchtje van bleekpoeder en slechte zeep aan z'n goed en z'n gezichtje was. Ze leunde haar wang op z'n borstelige, warme haarbol, en verwonderde er zich over, dat ze, toen haar eigen broertjes en zusjes zoo klein waren, nooit dát gevoel van onzegbare teederheid voor ze had gehad, dat haar nu de tranen in de oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze toen zelf nog zooveel jonger was, zelf nog te veel kind, dat teederheid vroeg in plaats van te geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, en met ze gesold en gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo stil te hebben gezeten in 'n schemerige kamer, met een kindje tegen zich aan, en dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog 'n beetje gepraat over 't nieuwe broertje, en of hij den volgenden dag weer wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,--maar tante moest dan naar háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... maar die waren al grooter dan Joostje;--toen was hij stil geworden, moe van den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog toch telkens, ging met z'n knuistjes over de kleine, vergulde knoopjes van haar halsboord, of draaide aan de ringen van haar hand.

Daar werd gebeld. "Nu moeten we even samen open doen, Joostje. Dat kan toch tante Else nog niet zijn," en met 't kind om den hals ging ze weer naar de deur: dien heelen dag had ze al als bellemeisje dienst gedaan.

Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij 't?" En Eduard van Neerwinden keek haar vol verbazing in 't blozende gezicht, en dan naar 't kind, dat zich stevig aan haar vastklemde.

Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft 'n kindje gekregen, en nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; ze komt gauw terug."

"Maar die kleine baas?" Eduard gaf 'm 'n tikje op de roode wang, en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen kinderen.

"O, als je goed vindt, breng 'k 'm eventjes naar boven toe. Hij moet toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je meenemen"--en ze gaf 'm 'n reep chocolaad,--"zeg nu meneer goeiennacht,... neem 'n stoel, zeg; ik kom zóó terug."

"Nacht oome," zei 't kind gedwee, en Go proestte, terwijl ze de kamer uitliep; het was zóó dwaas, zoo'n elegante jongen, zoo'n hyper-verfijnde "oome" te hooren noemen.

Hij keek om zich heen, om 'n beetje idee te krijgen van haar smaak en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf 'n aardige verlichting, maar wat er aan den muur hing, m'n hemel, wat was dat hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke kamer vinden kon: de "Jeugd" van Pier Pander in 't wit-met-goud-lijstje, 'n chromogravure van "Let the baby pass", 'n bont-bloemige kalender, 'n sentimenteel-bolwangige "Mignon" uit de "Jugend", en 'n paar neutrale landschapjes, vermoedelijk uit 'n album van "moderne kunst" of zoo iets.