Chapter 5
"Nee, dat is niet waar; 't is 'n alleraardigste jongen," verdedigde Hans. "Een vagebond, 'n losbandige, als je wilt, maar pittig, met 'n fond.... Je moet 'm op straat zien loopen: pet op, handen in de zakken, en toch altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van goeie familie is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich heelemaal om, als hij 'n aardig meisje ziet, leert 'n paar kwajongens, hoe ze hun vlieger op moeten laten, groet 'n prof met 'n familiariteit of 't z'n collega is--"
"Als-t-ie 'm groet," viel Gerard hoonend in; "we kwamen laatst samen Hering tegen. Ik ken 'm toevallig, maar hij behoorde vier uur college bij 'm te loopen.... Nu; ik nam m'n hoed af, maar De Veer zegt: "Bejour" en toen tegen mij: "Wie is die varkensslachter?"
Go schaterde: "O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof boos zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?"
"Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college loopen, is toch geen manier."
"Nee; maar vertel verder; ik vind 't zoo leuk.... vertel ook over de andere menschen van 't dispuut. Wie is de aardigste?"
"Hij," zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het gesprek zoo op Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al weer in Poe verdiept, en stoorde zich niet aan den lof.
"Hoe is Beerenstijn?"
"Knap, intelligent, eigenaardig. 'n Werker, 'n vrouwenhater, of eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je 'm sympathiek zult vinden."
"Nee," zei Go. "En Van Neerwinden?"
"'n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar decadent.--Ik mag 'm niet. 't Is 'n vooroordeel van me, maar die verfijning, die zwakke onrust, dat elegant-lieve is me antipathiek. Het is geen kérel."
"Neen," en Go glimlachte bij de gedachte aan z'n fijne handen, z'n loome bewegingen. "Hij ziet er ook niet sterk uit.... Och je kunt zoo weinig zeggen van de menschen na zoo één avond."
"Ja; 'k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar geregeld ziet, wordt 't zoo anders. 'k Zou willen, dat we ons als een groote familie gingen voelen, bepaald als bij elkaar hoorend."
Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht was in schaduw.
En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: "Zie-je, toen 'k hier kwam," zei ze zacht en gejaagd, "verlangde ik de eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik kon aan niets anders denken dan aan moeder en de broertjes en zusjes, en m'n kamertje naast de trap.... maar toen ik 'n beetje gewend raakte op m'n kamer, begon ik iets te verlangen--ik weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er iets bizonders met me zou kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik van den dag.... Op straat kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, vroeg ik de juffrouw, of er niets voor me gekomen was.... ik wist niet, wat ik verwachtte; 't was eenvoudig: de verrassing.... En het werd hoe langer hoe erger--het werd 'n onrust--ik liep 's avonds uit om het te zoeken, en dan ging ik langs de dichte huizen, alleen, en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik wilde: ik had 'n heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht voor iemand te zijn, en die wilde ik aan de jongens geven, aan àlle jongens."
Ze zweeg even, streek 'r haar van het voorhoofd. Gerard had het gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning aan.
"Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat ze daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden op de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van m'n verlangen;....en ik wist toch, dat zij 't ook prettig zouên vinden, hè, en dat 't hun ook goed zou doen!"
"Het zou hun 'n zegen zijn," zei Gerard ernstig.
"Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de kroeg, en ik dacht: wat helpt me al m'n goed-willen, als ik ze niet eens naderen kan? Waar moet ik met m'n hartelijkheid heen? En daarom ben ik zoo blij over Laborando vincimus;--ik weet het, dat ik er vreeselijk veel leeren kan, dat jullie veel meer weten en veel knapper zijn dan ik; maar ik heb iets anders, dat jullie missen;--ik zou zoo heerlijk vinden, als we veel voor elkaar konden zijn."
Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig over heen.
"Ik weet 't zoo goed, ik voel 't, hoe ontzettend veel goed 'n meisje in ons leven moet kunnen doen," zei hij eindelijk, en z'n harde, scherpe stem klonk schor van ingehoudenheid. "Ik heb nu al zooveel jaar in eenzaamheid geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover aangenomen, en nog altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik 't gevoel heb gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om 'n niets, alleen om weer 's te kunnen praten, dat 'k iederen man, dien 'k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te krijgen,--en zelfs--maar dat is de uiterste wanhoop,--voor den spiegel ga staan, en lach en praat tegen mezelf, dwaze buigingen maak, 'n gesprek op touw zet, om zoo eindelijk aan 't zwijgen te ontkomen."
"Ja, ik voelde 't wel, dat 't zoo moest zijn, 't vroolijke studentenleven."
"Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar net van De Veer. En zoo zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je ook gewoonlijk niet, dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie vriendschappen. En als dat teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt onder de uitgelatenheid, de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie en levensangst en onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke jaren."
"Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer geven kon."
"Begin met mij; ik zal zoo'n dankbare discipel zijn."
"Goed," zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: "We zullen goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen elkaar helpen."
"Zeg," riep Hans uit z'n donkeren hoek, "ik kan hier niets meer zien; zouên we niet 's thee kunnen gaan brouwen?"
Go ging naar de kast, terwijl Gerard z'n studeerlamp aanstak. En ze dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel 's eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo zelfgenoegzaam,--wel hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. Ze zou ook voor hem graag iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. En toch zoo opgewekt!
"Gezellig, nu met 't licht op en toch half in schemer thee te drinken."
"Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, natuurlijk."
"Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar 't vijandige buiten."
"Ja, 't is al laat. Ze zullen al lang van hun Poelgeest-wandeling terug zijn--"
"Wie weet?" lachte Gerard. "Soms duurt zoo'n uitstapje lang."
Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet zien, maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: "Go, o, Gootje!" riep. Stijf sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: "Zeg, ik moet je wat vertellen--begrijp-je 't al--o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!"
HOOFDSTUK VIII.
Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else, die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor "Laborando vincimus".
Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en wilde dan in plaats van 'n gewoon nabroodje 'n fijn soupertje met bloemen en 'n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden.
Hij had eerst z'n plannen zooveel mogelijk voor Go en "Vrouwtje" verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z'n kamer te mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer de leiding uit handen gaf, en 't zelfs zóó ver kwam, dat 's middags vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij 't pas zien mocht, als alles klaar was.
Z'n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, 't opgevend "als drie vrouwen tegen 'm wilden samenspannen", was gegaan, en niet teruggekomen vóór 't uur van de vergadering, toen de hospita 'm dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles "keurig en keurig" was,--als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else, even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han ze gestuurd had, waren 'm ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou zijn, en dat z'n juffrouw een parel was.
De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn, die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er 'n groot bouquet voor Else gekomen van het dispuut.
Zoodra Henri's hamer voor de laatste maal was neergevallen,--Else had 'm het symbool van z'n waardigheid meermalen afgenomen, had er mee zitten spelen, 'm laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat Beerenstijn had gepreveld: dat voor 'n praeses van een dispuut, evengoed als voor 'n priester, 't coelibaat verplichtend moest worden gesteld,--was Go de kamer uitgeloopen, om 'n laatsten blik over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han's buurman stond aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel 'n teeken te geven, dat ze beginnen konden.
Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De "Hochzeitsmarsch" jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen, die hun vlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel fijn groen, met 'n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af, uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd, en de wijzerplaat goelijk bedekte.
Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was sober gehouden, met slechts los hier en daar 'n viool of wat kleine asters;--bij de borden van Han en Else alleen 'n kring van groote rozen, rood en wit.
Han had in verrukking Else's arm genomen, leidde haar, trotsch en zalig, de lichte kamer in.
Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm worden, onder 't angstige wenschen: dat 't toch altijd zoo blijven mocht,--en toen Eduard zich naar haar overboog: "Mag ik jou aan tafel brengen," trilde haar hand op z'n arm zóó, dat hij haar bezorgd in 'r ontstelde gezicht keek en teeder zei: "O, wat zie-je bleek! Wil-je ook liever nog wat naar de andere kamer?"
Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn--dat was de eenige, die de vrouwenhater nog wel kon lijden--zij naast Eduard, Rolands aan den anderen kant. Dat was 'n stil ventje, zou haar niet storen;--Eduard had háár gevraagd,--beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, veel zeggen deed 't niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,--die zou 'm zeker, net als Gerard, "geen kerel" vinden;--Frieda was echt 'n meisje om te studeeren, zoo helder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.--
"Had-je liever ergens anders willen zitten?" vroeg Eduard zacht.
"Nee, waarom?"
"Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.--Is er dan wat anders?"
"Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden vinden."
Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z'n oogen steeds dieper glans kregen.
"Zoo, en waarom niet?"
"Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo, hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z'n stem hoort, z'n bewegingen ziet, z'n kamer, z'n boeken...."
"En wat denk-je dan van mij?"
"Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert."
Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. 't Was vreemd, dat ze met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam 't intieme, 't belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen zou willen geven.
Ieder zinnetje, zelfs 't gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing: dat verwarde haar;--'t was net, of z'n oogen, onder de banale woorden door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met z'n hoofd over z'n bord zat, gretig etend van de kip met compôte, leek 't 'n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.
"Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maakt me verlegen." Z'n stem zong doordringend en ze voelde opeens 'n gezond ongeduld opkomen, tegen de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon.
"Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten," zei ze met 'n lachje: "dat hoort niet bij je figuur."
"Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m'n figuur past, in jouw oogen;--consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft 'n idee in z'n hoofd, 'n tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig 'n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z'n rol bizonder goed.--We zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, goed en slecht en sterk en zwak--wij modern-onrustigen. Ieder mensch is 'n eenheid van tegendeelen."
"Toch niet allemaal," zei Go zachtjes, die niet thuis was in de Hegliaansche terminologie, "kijk Elsi en Henri nu 's, en Hans--en Frieda--"
"Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!--Ik ken alleen de tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik 't geluk af bij andere menschen."
"Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.--"
"Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik 'n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg...."
"Als je je nuttig maakt--"
"Nuttig voor anderen--als rechter--redder van de menschheid, steun van weduwen en weezen--prachtig, hè? Maar, sancta simplicitas, laten we toch 's ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor 't heil van onze medemenschen zoo'n baantje entameeren, en er ons mee bezig houden tot 't einde.--Honderd anderen zouên 't immers even goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten aan.--Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als hij méér kan dan 'n ander, laten dan drie of vier z'n plaats innemen; krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn."
"Maar wáárom dan?" vroeg Go, "en wat moet je dan...."
Hij haalde z'n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij scheen z'n buurmeisje en de tafel vergeten; z'n stem was hard, als metaalklank, en 'n waas hing over z'n oogendiepten.
"Het eenige, wat 'n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,--daarom fuiven we, daarom werken en lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z'n aanleg. Ieder kiest, wat 'm 't beste bezighoudt. Je vindt 't 'n leelijke levensopvatting,--je gelooft 't niet,--wacht maar; als je ouder bent."
Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in met de matchiche, en De Veer, z'n stoel achteruit gooiend, sprong vreugdevol op, wierp 't lijf achterover, en danste, den vroolijken kop door 't gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de ooren gestoken, hield 'n roode daliah tusschen z'n lippen, en terwijl hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf aan te hitsen.
"Zóó richt hij z'n leven in," zei Eduard met 'n mat lachje, maar Go zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: "mooi, mooi! O, laten we straks toch gaan dansen."
"Praeses, mag ik nu misschien 's het woord," riep Gerard, den betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig was z'n meisje 'n roos in 't haar te steken, met 'n notedop gooiend.
"Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om 'n paar nieuwe flesschen."
Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, 'n beetje over de tafel geleund, Han en Else nog 's hartelijk gelukwenschte, daarna zich richtte tot de meisjes in 't algemeen, die voor 't eerst 'n feestje met hen hadden willen meemaken.
"Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als vrienden beschouwt, en met ons 't verlovingsfeest, waar we allemaal blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes 'n wezenlijk vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed dat ons, jongens, zal doen,--we weten 't hier wel allemaal van onszelf, dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben--"
"Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt," viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde 'm met de spuitwatersiphon, en Gerard maakte er nu maar gauw 'n eind aan, met te drinken op de goeie verhouding en den bloei van de leden van "Laborando vincimus".
"Mag ik 't woord, praeses," drong Beerenstijn, "om te herinneren aan 'n uitspraak van Erasmus in "stultitiae laus", dat de grootste aantrekkelijkheid van de vrouw--"
"Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemming niet te storen...." beval Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: "Ik weet, wat je meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in meisjes-studenten te veel 't liefhebberen in de wetenschap; je hebt er zeker nog nooit ontmoet, bij wie 't wezenlijk ernst is, als bij 'n man."
"Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet 't land aan je; maar je bent nu 'n kameraad geworden, geen meisje meer voor me,--maar zooals die 't doen,"--hij keek naar Else en Go--"dat 's vleesch noch visch."
"'t Zijn toch aardige kinderen."
"Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen vrouw, die net zooveel weet als ik, of 't zich tenminste verbeeldt. En ze worden leelijk."
"Dat hoeft niet," riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op zoo'n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg 't gevoel, of voor jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven, half vereerd, half getiranniseerd, als 'n weeldedingetje.
Gerard zag 't in haar oogen. "Hoe denk-je nú over de leden van ons dispuut? Nóg geavanceerd, of wel 'n beetje bekrompen en banaal?"
Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook 's wat mocht zeggen, en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden.
"Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen--"
"O, jerum!" zuchtte Hans, "als dat dan maar goed afloopt."
"Maar 'k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, 'n visioen gehad; dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier...."
Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat 'n beetje gespannen, met z'n mes in de hand, om af te tikken, wanneer 't te erg werd.
"Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen."
Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.
"Ik weet 't wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet, of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student."
"Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan heb-je veel kans," interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam onverstoorbaar:
"Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen 'n nacht op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,"--en hij keek verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren; Frieda was geheel-onthoudster--"hun kleeding moet veranderd worden, dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen...."
Nu tikte Henri: "Dank u, meneer De Veer; 't is genoeg geweest."
De tafel lag flauw. "Kerel, kerel," hikte Hans, "je bent onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan."
"Maar ik meen het," verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd, "op 't oogenblik mag 't vreemd lijken, maar over 'n jaar of tien...."
"Gekken," mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen van een bordje aten, "als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga 'k er uit."
En z'n oogen bliksemden naar Eduard, die 'n waterlelie uit z'n sinaasappelschil voor Go maakte.
"Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet in 'm kunnen waardeeren," zei hij tegen Frieda, "moet 't hier nou per se 'n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden 'm natuurlijk allerliefst."
Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren diep donkerblauw in haar warm gezicht: "Laat je eens bij ons op de club introduceeren, Wim," zei ze vertrouwelijk, "dan zul-je 's zien, dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar zoo ernstig, zoo wijs...."
"O, meneer, daar benne ze van de pelisie," kwam de juffrouw ontzet, "der mag geen muziek meer gemaakt worden, 'et is half drie.... ze wille binne."
"Nou láát maar," zei Han laconiek, "dan krijgen ze óók een glaasje,"--en dan tegen 't strijkje: "Goeie broeders, pakken jullie de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties."
"Maar dan ga ik toch naar huis," zei Frieda opstaande.
"En 't dansen dan?" vroeg Gerard, "we hebben nu de muziek juist noodig."
De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. "Hè, hoe zonde, het dansen," klaagde Gootje, en Eduard sloeg even den arm om 'r heen, draaide rond, 'n wals tusschen de tanden neuriënd.
"Mantels, hoeden," schreeuwde Hans als 'n omroeper.
"Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!" vroeg Han, de rozen voor Else inpakkend.
"In naam der wet er uit!" gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil deed staan en zeggen: "God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net bijna zoo ver, dat-ie 'n dichterlijke speech in elkaar had, en nu hebben we 'm den heelen avond niet gehoord."
"Pak je goed in," zei Gerard bezorgd tegen Go, "je bent zoo warm."
"Ready?" schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden was geloopen.
"Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet," telde Gerard de leden. "Hoe gaan we nu verder?"
"We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda's huis; allons, enfants."
't Was doodstil op straat, en 'n koude nacht. Ze werden vanzelf er allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in de Nederlandsche letteren.
"Toch wel lollige lui, die ouê snuiters," vond Hans, maar Hoefman zei:
"Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft en Vondel lijkt 't me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel aardig; maar toch niet zóó, dat 't een literatuur redt. En later Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... 't is zoo burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig op je beenen moet staan, wil je 't kunnen appreciëeren... en wie is zoo, tegenwoordig..."
"Vooral omdat 't mode is, dat mislukte, dweperige genieën en sentimenteele meisjes die studie kiezen," bromde Beerenstijn, in de hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.
Maar Eduard zei juist: "Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel hebt; zoo niets voor 'n meisje."
En dat vond ze, voor 't eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee gingen leven; hen beter gingen begrijpen.