Een Meisje-Studentje

Chapter 4

Chapter 44,064 wordsPublic domain

De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook niets dan "meisjes" waren geweest; en ze vonden 't allemaal grappig en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles 'n werker was, donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij wel had voorspeld, dat 't kinderspel zou worden, zoodra je er zoo'n paar weeldeartikelen inhaalde.

"Stil nou, kerel," kalmeerde Han, "'t is immers de eerste keer, er is nog niets geregeld, en op 'n hospitanten-vergadering wordt nooit hard gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?" gebood hij, president-deftig, en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: "'k moet nog even opschenken, Han," tot uitbundige vreugde der vergadering, "omdat zoo'n meisje geen idee had van subordinatie aan den praeses."

En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, "dat ze zelf wel verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen, en deed ze toch ook wat," totdat Han, ten einde met z'n geduld, den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als 'n op ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde, en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de meisjes werden welkom geheeten in hun midden.

Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond 't een aardig, gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal: een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger, kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was 'm enorm meegevallen. Je kon 't ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen, dat ze nog nooit in haar leven iets had "doorgemaakt".

Han had z'n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?--maar dadelijk na 't applaus was hij weer doorgegaan: "his feliciter peractis, transeamus ad...."

"Dol," zei Go tegen Eduard, "zoo'n wezenlijke vergadering."--en toen er: "ad theam" was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes rond, vragend aan Gerard: "Wat zal er nu gebeuren?" dan weer tegen Han: "Ik vind 't heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?"

Er was 'n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had de kritiek, prees warm Beerenstijn's grondig oordeel, en de meisjes keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.

Toen las de kleine indischman verzen voor, met z'n dof, droef stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de regels rolden van z'n lippen, als 'n lang aangehouden klacht, of hij las over lente en geluk, of over droefenis.

Er kwam 'n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes gevouwen, en de stage glimlach op z'n glanzend, bruin gezichtje, als 'n Bouddha-beeldje.

In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z'n kast; ze genoot van dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit.

"Maar u vergeet uzelf," zei Gerard, die zich bij Han en Else overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij 't literatuur-gesprek van de anderen. "Mag ik u wat limonade inschenken?"

"En dan houden we de verdere vergadering de kattetongetjes bij ons. U houdt toch van koekjes?" vroeg Eduard.

"O, verschrikkelijk," en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder de vertaling--'n stuk uit Balsac--en later onder de memorisatie over "den invloed van Hegel op onze literatuur" telkens weer 'r hand naar de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich lokte, de lekkernij in de hoogte, 'n glans van moederlijke zachtheid in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand, de andere licht op z'n kop geleund. En als 't op was, legde ze, voordat ze 'm gáán liet, telkens even haar armen om z'n opgeheven nek, en drukte haar wang tegen z'n haarvacht.

Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard bleef thuis, omdat bij hem het "nabroodje" was voor de jongens, en Hoefman bood aan hem te helpen.

"Nee, beste kerel, je meent 't goed, maar ga jij mee, en droom wat in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven--die geeft toch niet om de wandeling." Maar toen hij in Louis' oogen zag, dat hij gegriefd was, legde hij even de hand op z'n schouder: "Zeg, we hebben 'er gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze heeft bedankt."

Go hoorde 't, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: "Maar goed ook, anders werd 't hier 'n meisjesschool--en die is bovendien affreus leelijk!"

"Heeft ze bedankt zonder reden?"

"Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?" En Eduard stak z'n hand uit naar Go, die al even wachtte.

"Ik hoop u nog dikwijls te zien," zeide hij hartelijk.

"Ik heb 't heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die geleerdheid."

"Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien."

Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de minder-wenschelijkheid van z'n gezelschap.

Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, volkomen voldaan; ze leefde in 't oogenblik, genoot van de stille straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden zouden zijn.

"Het is zoo heerlijk," zei ze opeens, "hier zooveel menschen te leeren kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen."

Als 'n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen nacht; de klanken vielen over hen heen als 'n regen van geluid, en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de wolken door maanglans verzilverd, ze voelde den nacht om zich heen, en sloot even de oogen: het was, of 'n golf van het groote, heerlijke leven voor 't eerst over haar heen geslagen was.

Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was gekomen. Haar vroolijkheid zocht 'n uitweg in steeds sneller beweging, tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. "Stap nu allemaal op 't midden van de brug," hijgde ze, toen ze bij 't oude ophaalbrugje gekomen waren, "dan veert 't zoo heerlijk."

Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in 'n vaart de hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else's sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: "Dat kind lijkt net 'n vogel, in dien wijden, grijzen mantel--'n wilde vogel."

En Hans zei, dat dat 'n beeld was om Louis in verrukking te brengen.

HOOFDSTUK VII.

Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van "Laborando vincimus" waren aangenomen, werd drie dagen na de vergadering 'n briefje van Gerard bezorgd, met 't verzoek, of de dames den volgenden middag bij hem wilden komen koffiedrinken--neef Henri en Hans Elders waren ook gevraagd.

"Natuurlijk gáán we," zei Else dadelijk, dankbaar bedenkend, dat ze juist deze week haar beste japon van huis mee had genomen.

"Ja; wat aardig van Gerard," antwoordde Go, en ze kreeg een heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou bereiken; of de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets tijdelijks blijken zou.

"Ik kan 'm dan meteen nog wat over m'n responsie vragen," overlegde ze verder, "hij zal er nog wel alles van weten." Ze was nu al 'n week dag aan dag met haar naderende responsie bezig, kende de bladzij van Reinaert, die zij te lezen zou krijgen, al heelemaal uit 't hoofd.

"Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker nu al meer van dan de prof zelf... verbeeld je 's, dat je iederen keer er zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer."

"Nee, maar den éérsten keer," zuchtte Go, en verheugde zich op Gerard's candidaat-vertrouwbare inlichtingen. "Van zoo'n eersten indruk hangt 'n massa af."

Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen dadelijk naar Gerard's kamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, omdat Go 's middags weer weg moest. Het was 'n regenachtige, druilige dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen grond, en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en geen bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en 't was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en vierkant als 'n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding.

"Wat 'n vreeselijk leuk huis hebt u," bewonderde Go, "wat 'n zalig portaal.... en zoo glad.... hè Els, wat zouën we hier goed kunnen glijën."

"Of dansen," zei Gerard, "ik denk er over, hier nog 's 'n bal te organiseeren van "Laborando vincimus"--maar komt u nu toch binnen."

Het was 'n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo rustig op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in elkaar.

"O, wat mooi," zei ze eindelijk, "dat is nou de eerste mooie kamer, die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe gezellig."

"Dat komt, omdat m'n moeder me heeft geïnstalleerd," antwoordde Gerard trotsch, "dat werkt nog altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij 't gezet heeft."

"En wat hebt u mooie bloemen," bewonderde Else, met de handen in de chrysanten woelend.

"Dat is ter eere van 't hooge gezelschap; behalve moeder heb ik hier nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u geen zonnetje in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel mooier."

Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer 'n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard's laatste woorden kwam hij naar voren loopen en knikte.

"Toen ik klein was," zei hij, "bad ik altijd, als ik uit zou gaan, of als er 'n feestje zou zijn den volgenden dag: "ons lieven Heertje, laat het morgen mooi weer zijn," en als 't dan stortregende, zei ik: "er waren zeker meer menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze hebben beter gebeden dan ik," en dan was ik tevreden.... En als 't nu beroerd weer is, troost ik me nog altijd: "Het zal wel voor een heeleboel andere dingen goed zijn."

Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging toen in de vensterbank zitten.

Het was 'n teer-gebouwde, magere jongen, met 'n intelligent gezicht: boven z'n hoog voorhoofd, waarin bij de slapen kuilen vielen, stond in 'n recht kuifje het stugge bruine haar, z'n oogen waren hartelijk en eerlijk, maar zwierven nerveus rond, wat niet paste bij z'n kalme, vriendelijke stem, waarmee hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos zei, dat 't tegelijk aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op 'm, noemde 'm schertsend Leberecht Hühnchen, en kwam, in 'n sombere bui, altijd 't eerste bij hem, om zich te laten troosten. Nu ook werd zijn gezicht lichter, en met dringende hartelijkheid in z'n stem vroeg hij: "Waar ben je vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je de boeken gebracht?"

"In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar ziet er aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen maaltijd nog hooger idee van den smaak van ons dispuut krijgen."

"Goed.... komen jullie?" riep Gerard tegen Herderts en Else, die, dicht naast elkaar de geïllustreerde "Rêve" stonden te bekijken, en opschrikten bij de luide stem.

"Mag ik 't doen?" vroeg Go, toen ze Gerard het broodmes zag nemen.

"Nu, graag als u wilt," en Hans en hij keken elkaar éven prettig aan, omdat het zoo'n allerliefst, eenvoudig meisje was, en zoo heerlijk, die zoo's gewoon op je kamer te hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, haalde intusschen de bus met chocoladepoeder en het koffie-extract uit de kast, waar hij evengoed den weg wist als de bezitter zelf, en hielp toen Han en Else, die samen op den grond zaten, om 't keteltje in evenwicht te houden, dat niet op 't komfoortje paste.

"Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan balanceert 't wel--en draai de kraan heelemaal open, anders ben jullie nog niet klaar met je water, als juffrouw Herderts al boterhammen genoeg heeft voor 'n heel weeshuis."

"O, haast je maar niet," zei Go, op 't chocoladebusje studeerend, "want ik begrijp voorloopig heelemaal niet, hoe ik chocolademelk maken moet... en jullie willen toch geen waterchocolaad niet? Voor chocolademelk moet ik warme melk hebben..."

"Nu, dat kàn," en Gerard zette vlug-bereidwillig de flesch op de kachel.

"Kerel, ben je...." Hans slikte en gaf 'm 'n vriendschappelijke klap, "op die manier krijgen we 'n melkweg in de kamer, maar geen chocolademelk in onze koppen. Die springt natuurlijk."

"Ons water kookt," juichte Else triomfantelijk.

"Over zelfs," en Henri draaide de kraan dicht.

"Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk maken, nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u even in dat kopje."

Ze stonden aandachtig met z'n vijven bij elkaar: Else schonk, terwijl Han met z'n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go keek toe en keurde, wanneer 't genoeg was; Gerard roerde met toewijding in de klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk vulde.

"Weet je, wàt dit nu wordt?" zei hij, trotsch-zeker. "We bereiden hier de nieuwste en smakelijkste drank: fosco."

"'t Smaakt heerlijk," keurde Go, "dat gaan wij ook doen, hè Els?"

"Ik vind 't zoo leuk, zoo wat te knoeien," zei Else tegen Han, "kunnen we niet nóg wat doen.... brood roosteren?"

"Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit blik eens open."

"Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt gaan eten," filosofeerde Gerard.

"Voor 'n vrouw moet 't prettig zijn, als 'r man op kamers gewoond heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, wat aan huishouden vast is."

Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: "En voor 'n meisje is op kamers-wonen leerzamer dan de beste huishoudschool. We doen nu misschien alles wel 'n beetje vreemd, niet comme il faut, maar je krijgt toch overal idee van en leert ingrijpen."

"Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide geslachten!" stootte Henri met Else aan, en de foscobekers rinkelden.

"Welkom op m'n kamer," zei Gerard aan Go, maar Hans verstoorde dadelijk de plechtigheid door: "Leve het getruffeerde gehakt!" te roepen, dat hij, plechtstatiglijk aan z'n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu begon werkelijk de maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig gepraat, terwijl, halverwege, de juffrouw nog 's uitgestuurd moest worden om "profeetjes", daar de broodvoorraad dreigend te dunnen begon.

"Nu mogen jullie 's raden, hoe laat 't is," zei Hans met een glunder lachje, toen ze aan de druiven en noten waren toegekomen.

Gerard, die twee noten tusschen z'n vingers gekneld hield, om ze voor Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: "Den Glücklichen schlägt keine Stunde", maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: "kwart voor éénen."

"Bijna 'n uur mis," plaagde Hans, "over half twee."

"Maar we hebben Gotisch." En Go was al op, met 'n donkere kleur van schrik; ze had nog nooit 'n college-uur verzuimd en vond 't vreeselijk erg.

"Daar is nu niets meer aan te doen," kalmeerde Gerard, "en erg is 't ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we kalm doorgaan. Geeft u er nu vanmiddag uw colleges maar 's aan, we zijn niet elken dag zoo prettig bij elkaar."

"Maar 't volgende uur moet ik toch zeker gaan."

"Kind, wat ben-jij nog 'n echt eerste jaartje," plaagde Han, hopend haar trots in opstand te brengen, maar Else wist een betere manier van overreden: "Je wilde toch ook nog vragen over je responsie, Go."

"O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we straks klaar zijn?"

"Natuurlijk," zei Gerard opgelucht, "moet u voor 't eerst respondeeren?--ik weet niet, of ik er nog veel van ken, hoor; maar 'k heb nog al wat boeken hier--"

"Maar als 't gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij liever wat loopen samen, hè Els, en bespreken zóó samen de grondwet?" Han sprak luchtig en als terloops, maar Else bloosde, en om zich te verontschuldigen, zei ze verlegen: "Ja graag; ik heb 't hier zoo warm gekregen; we konden Poelgeest omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u óók meer van Reinaert?"

Hans glimlachte, en streek met z'n hand door z'n donker haarbosje: "Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw Gerzon, en bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me 'n heele middag mee bezig houden kan."

"Nou, adieu dan, lui," zei Han opgelucht.

"Dag meneer Leeden, ik heb 't erg prettig gevonden."

Else lachte tegen Go--een heel bizonder lachje, vond ze.

Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje van Poe en de rest der noten; hij zat met z'n rug tegen den muur, floot soms droomerig voor zich uit, maar nam geen deel aan 't gesprek, dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed schrijlings heen en weer op z'n stoel. De middag was stil en loom onder den kleurloozen hemel, en als Go uit 't raam keek, trof haar 't desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de dorre blaren, vervuild en vermodderd, te rotten lagen.

Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij 'n verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z'n gedachten voelde stremmen, nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen praten.

"Lekker weer om Poelgeest om te loopen," had hij spottend gezegd, want 't begon juist 'n beetje te motregenen; en Go: "Ik ben er nog nooit geweest."

Hij herinnerde zich, hoe hij in z'n eerste jaar, in den roes van nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar vertellend, wat ze 't hoogste en heiligste in hun leven hielden, dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid van hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al die heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen dag 'n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, soms wat leeg, wat moe, maar wetend zich 'n gewoon mensch, 'n mensch met plichten als 'n ander, die zich 'n positie zou maken... als 'n ander--dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook zoo langzaam haar stralenden blik verliezen zou--of juist door 't licht van haar oogen anderer leven schooner glans zou kunnen geven;--en zacht vroeg hij haar: "Maar hoe bevalt 't u hier nu eigenlijk?"

Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: "Dat weet ik zelf nog niet. Soms denk ik: 't is hier toch veel beter dan thuis, en dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! 't Is alles zoo anders, zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over 'n langen tijd zal kunnen weten, hoe ik 't studentenleven wezenlijk vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: ik heb altijd gedacht, dat 't iets zoo heerlijks zou zijn; en nu weet ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. 't Lijkt soms, of ik door hier te komen alleen 'n mooi, hevig verlangen heb verloren; of de vervulling ervan slechts 'n leegte geeft."

"Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze vinden niets dan 'n ongezellige kamer, 'n kletsende hospita en saaie college-uren, dan slaan ze aan 't drinken en fuiven en dwaasheden doen., En de kroeg, die eigenlijk niets is dan 'n ongezellig koffiehuis, al wordt hij ons elk jaar als ons thuis aangeprezen, wordt bij gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun huiskamer. Maar wat meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling eerst ondergaan, moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát niet; dat leer je naderhand; fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, ook niet."

"Ik wou, dat we 't konden: zoo 's echt gewoon, uitgelaten pret hebben--zooals ik wel 's gehoord heb, als ik over de Breestraat kwam 's avonds, in de Turk of bij Levedag.... dat opgewonden zingen van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij elkaar.... Bij ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel opgewekt, maar wijs. Nooit 's dwaas en jolig. Daar zouden we ons, geloof ik, 'n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar zijn."

"Je.... pardon, u idealiseert onze manier van feestvieren."

Maar Go viel levendig in: "Nee, toe, noem me "Go" en zeg "je"; ik heb 't al lang willen vragen, maar 'k wist niet, hoe hier de gewoonte was."

"Graag. Ik heet Gerard. Ik vind 't prettig, als je mij bij m'n voornaam noemen wilt."

En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was ingegaan, terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: "Wat zullen ze nat worden op hun wandeling--en ze hebben niet eens 'n parapluie."

"Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in de wereld," praatte Gerard door, "gewoonlijk kunnen de menschen hun plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig uiting aan te geven--als 'n fuif bij ons slagen wil, moet er een groot quantum wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien prikkel zijn wij ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, behalve als je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door allerlei waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust ben gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer--ik heb er geen plezier in, me buiten m'n zelf te brengen."

Hans had naar de laatste woorden geluisterd, en wierp 'n notedop door de kamer: "Subjectief, volkomen subjectief, beste kerel.... Natuurlijk, 'n objectieve meening is 'n contradictio in terminis, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer z'n opinie eens over onze fuiven zeggen. Die danst al van louter pret, als hij nog geen druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf lui in 'n kamer bij elkaar zijn. "Waar twee of drie in naam der vreugde te zamen zijn, zal ze in hun midden zijn" is z'n devies. Laat die juffrouw Herderts inlichten."

"Hè ja, vertel 's wat van de andere leden van Laborando vincimus.--Van De Veer heb ik eigenlijk nog niets gemerkt--is die zoo vroolijk?" Go keerde zich in warme belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: "'t Is 'n kind."